terug  begin  verderprepost
[p. 11]

[Gedichten]

Lente
 
De lente is hier goed. Mevrouwen shoppen
 
in 't rose op de tamme Binnenweg.
 
Een heer knipt aan de Koediefslaan zijn heg.
 
Zijn gade staat verheugd haar raam te soppen.
 
 
 
Geen villadorp om tegenaan te schoppen.
 
Haast elke krielkip raakt er aan de leg.
 
Je komt een dag en gaat weer jaren weg
 
maar elke roos zit altijd vol met knoppen.
 
 
 
Auto's gieren de Dreef af, een armee
 
die langs de Herenweg weer terug zal gaan.
 
Heemstede dient om dwars doorheen te rijden.
 
 
 
Beets bleef er veertien jaar als dominee.
 
Slauerhoff vluchtte uit de Lentelaan:
 
de ‘tuinman’ die er niet wou overlijden.
Zomer
 
Een kano op het Spaarne in de wind.
 
Peddelend in de gele zon een jongen,
 
rietoevers langs, de zomer in zijn longen,
 
bijsturend waar het open land begint.
 
 
 
Ringvaart en stoomgemaal. Een vogel vindt
 
fluitend de zelfde bries. Uit een voldongen
 
geluk heeft hij zijn tegenlied gezongen,
 
zijn ogen naar de verte toegewend.
 
 
 
Maar waar eens weiland was en smalle kreken
 
in veenmoerassen voerden, onbetreden,
 
reikt nu een stadswijk naar de horizon.
 
 
 
Betonnen landschap. Ogen uitgekeken
 
op zoveel steen. En een uiteengereten
 
meeuw op de weg, die niet meer vluchten kon.
Herfst
 
Herfst en de stilte wordt in Groenendaal
 
tot kilte op het bot. Er jogt een vrouw.
 
Haar adem in de vroege morgenkou
 
vernevelt als de wimpel van haar sjaal.
 
 
 
Goud bladdert van de bomen. In een vaal
 
novemberlicht een kraai, hij krast een snauw.
 
Rot hout en een vergeten schommeltouw.
 
Geen hert te zien. Versterving. Integraal.
 
 
 
Zo ver gekomen. Nergens heengegaan
 
en wie het schreef nog verder omgelopen.
 
Tegen een dode boom verroest een fiets.
 
 
 
Je gaat maar, langzaam door de lege laan
 
en op een bank vouw je de brief weer open
 
waarin het staat geschreven: alles, niets.
Winter
 
Achter die bomen Zuiderhout, van leven
 
en dood de stenen grens. Geëtst in ijs
 
haar bloemen ingevroren wit en grijs,
 
haar handen een weerspiegeling gebleven.
 
 
 
En weer een winter. Takken opgeheven,
 
een dor maar onherroepelijk verwijs
 
naar het luchtledig, het van elke reis
 
zinneloos eind, ons als begin gegeven.
 
 
 
Sneeuw zou de dood indachtig eindelijk komen
 
als een vereffening en ons bevrijden
 
van deze kou. Sneeuw zou vergetelheid
 
 
 
brengen aan wie die afgestorven bomen
 
ervaart als een voorbij aan elk verbeiden.
 
Sneeuw van de dood. Tot hem alleen bereid.

F.L. Bastet

Deze gedichten verschenen eerder in 1991 in de aan Heemskerk gewijde aflevering van de bibliofiele reeks ‘Noord-Holland in Proza, Poëzie en Prenten’, een uitgave van de Stichting Culturele Raad Noord-Holland.
prepostterug  begin  verder