terug  begin  verderprepost
[p. 12]

Bij de honderdvijftigste sterfdag van Willem de Clercq (15 januari 1795 - 4 februari 1844)

Willem de Clercq herdenken in het huisorgaan van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde betekent de herdenking van de weergaloze negentiende-eeuwse dagboekschrijver, zoals wij die kennen door het monument dat Allard Pierson voor hem heeft opgericht met zijn Willem de Clercq naar zijn dagboek. Daardoor is hij immers bij het nageslacht blijven voortleven. In zijn eigen tijd werd hij hogelijk gewaardeerd omdat hij, de jonge koopman, een met goud bekroond antwoord had geschreven op de prijsvraag van het Koninklijk Instituut die luidde: ‘Welken invloed heeft vreemde letterkunde, inzonderheid de Italiaansche, Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde, sints het begin der vijftiende eeuw tot op onze dagen?’ Voor ons is die verhandeling, die twee drukken beleefde (1824 en 1826), niet meer dan een historisch curiosum als één van de vroegste comparatistische studies in West-Europa. Werkelijk beroemd was De Clercq bij zijn leven als ‘dichter voor de vuist’, improvisator in versvorm. Er bestaat een lijst van zijn improvisaties door hemzelf opgesteld. Zo kennen we de onderwerpen. Over de manier waarop hij een (vrijwel altijd opgegeven) onderwerp uitwerkte, weten we ook een en ander door de getuigenissen van tijdgenoten.1 Allen zijn het erover eens dat De Clercqs enorme belezenheid in de literatuur, de geschiedenis, de land- en volkenkunde en zijn belangstelling voor de politieke en maatschappelijke actualiteit zijn improvisaties voor de toehoorders tot spannende belevenissen maakten. Daar kwam bij dat ze bevestigden waarvan men zo graag zeker wilde zijn: onmiddellijke dichterlijke inspiratie was geen hersenschim, maar bestond echt. Eén tafereel van een bijeenkomst waar De Clercq improviseerde, door hemzelf genoteerd en te vinden in het boek van Pierson (deel I, pp. 238-241) neem ik, sterk bekort, over. Geleerden en letterkundigen bij elkaar voor een diner ter ere van De Clercqs bekroning in augustus 1822. Door zijn omgang sinds enige tijd met Da Costa is De Clercq tot de overtuiging gekomen nu pas het zuivere christendom in zijn volle rijkdom te hebben leren kennen en voor zijn geloof te moeten uitkomen.

‘Na de beurs begaf ik mij met Caroline na Wiselius en dewijl dit eene van die vereenigingen is die men hier zoo zelden vindt, waar zich de grote namen onzer Letterkunde vereenigen, zoo is het niet onbelangrijk daarvan een tafreel op te hangen [...] Een klein halfgebocheld mannetje stond opeens voor mij en dit was Kinker. Dit was de laatste van onzen letterkundigen kring die ik gewenscht had te zien. Men behoeft hem slechts eenige woorden te horen spreken om de volheid van eigen kracht, en de scherpzinnigheid van zijnen geest te bewonderen. Er is een zekere undaunted spirit in hem, een zekere vastheid zoo het schijnt zelfs voor den bliksem onvernietigbaar. Het is diezelfde kracht om van onderen naar boven op te werken .. om den toren van Babel te stichten, en in 't midden van de kracht om zich in iedere plaats te stellen eene Goetheaansche afwezigheid van het orgaan van geloof en onderwerping. Veel minder edel is alles bij hem, als in de physionomie van Tollens en Spandaw, doch tog groter, universeler genie dan beiden. Een man, die niet geloven wil en tog te groot waarachtig denkt om absentie van geloof te kunnen verdragen. Men behoeft hem slechts twee woorden te horen spreken om de juistheid van zijn blik te beseffen [...]
Eindelijk werd ik gevraagd te improviseren. Dit ogenblik was beslissend [...] Kinker stond voor mij. Alleen het waarachtig verhevene kon hier treffen. Kinker moest verpletterd worden, en het genie van den dichter voor het oogenblik den spot van den Satyricus geheel verdringen. Ik dank God dat de inspiratie gelukkig was. Het Treurspel werd opgegeven, en mijn gehele ziel vatte terstond vlam. Het begon met den oorsprong der kunst. Characteristicq van Aeschylus en zijn Prometheus, Sofokles en zijn Edipus, Euripides en zijne Phedra, Calderone en zijn Principe Constante, Shakespeare en Othello en Hamlet en eindelijk Racine en Athalie, met een woord over Corneille en Voltaire. Toen de slotzang van Vondel's Lucifer en Nêerlands kunstroem. Nooit voelde ik zoo waarachtig, dat Da Costa in zijne Stem geheel gelijk had, dat men waarachtig daarmede kan nederbliksemen. Zelden was ik zoo wezentlijk doordrongen en doorgloeid en het scheen mij dat ik, even als ik zulks in het gedicht met mond en handgebaar uitdrukte, zielen en harten kon kneden. De invloed was groot. De meeste zeer getroffen. Vooral Goudoever en Oom de Vos en Kinker. Deze was reeds bij de eerste regels opgestaan, en naderde mij met den half genialische, half opstandsvolle blik met de kracht van den man, die een nieuw verschijnsel ziet, daarop afgaat als het schijnt hetzelve wil ontscheuren. Nimmer voelde ik mij zoodanig in eenen geestelijken strijd, en het was alsof ik hem met Alexandrijnen van mij afhield, God gaf mij de kracht om toen tog van den gevallenen Lucifer en van den priester van Jehovah te durven spreken. De uitwerking was krachtig [...]’

Dit improvisatietalent is een wezenlijk bestanddeel geweest van De Clercqs persoonlijkheid, zelf heeft hij dat ook beseft. Maar geïmproviseerde poëzie is per definitie efemeer: om die poëzie zelf kon hij niet in de herinnering blijven voortleven.

Van 1811 af - hij was toen zestien jaar - tot aan zijn dood in 1844 heeft De Clercq met grote regelmaat dagboek gehouden. Hij betitelde de jaardelen als Particuliere aanteekeningen, de hoofdmoot ervan vormen steeds de Mémoires van het desbetreffende jaar. Hierin maakt hij notities over de dingen van de dag, over zijn uitgebreide lectuur (daarvoor legde hij ook afzonderlijke cahiers aan), over zijn maatschappelijke werkkring - eerst graankoopman, sinds 1824 achtereenvolgens secretaris, secretaris-directeur en directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij - over zijn gezin en over zijn ge-

[p. 13]

moedsleven, vrijwel altijd in verband met zijn geloof. Die verbinding legt hij al geruime tijd voordat hij met Da Costa bevriend raakt en tot de kringen van het Réveil gaat behoren.

Op uitnodiging van de familie (hij had er zelf het nodige aan gedaan om de invitatie los te krijgen) heeft Allard Pierson uit de Particuliere aanteekeningen, aangevuld met brieven van De Clercq voor zover hij daarover de beschikking had kunnen krijgen, Willem de Clercq naar zijn dagboek samengesteld. Eerst is het (resp. in 1870 en 1873) in twee delen gedrukt voor de kleine kring waarvoor de familie het bestemd had, in 1888 is er een wat uitgebreide handelseditie van verschenen, waarvoor Pierson de hulp had gekregen van een kleindochter van De Clercq, Anna Elisabeth de Clercq.2

Een gewone biografie heeft Pierson niet geschreven, al heeft hij ernaar gestreefd de ‘uit- en inwendige geschiedenis’ van zijn held zichtbaar te maken. Maar dan door zich zo min mogelijk te plaatsen tussen De Clercq en de lezer en De Clercq zoveel mogelijk zelf aan het woord te laten. ‘Uittreksels uit het dagboek’ met verbindende tekst, dat is de opzet van het boek. Ongetwijfeld ligt bij Piersons keuze de nadruk op wat hij De Clercqs ‘gemoedsbestaan’ noemt, meer dan op de uitwendige levensgeschiedenis. En van tijd tot tijd levert hij ook commentaar, meestal prijzend, soms kritisch. Het beeld zou minder eenzijdig geworden zijn als Pierson meer notities over De Clercqs beroepswerkzaamheden had opgenomen3 en mogelijk ook als hij meer licht had laten vallen op de steeds dreigender versombering van De Clercqs geestelijk leven in zijn laatste levensjaren, toen hij - naar de woorden van Gerretson - ‘het conflict tussen God en wereld zo sterk is gaan beleven als slechts mogelijk is voor wie de heiligheid van God een even sterke realiteit is als voor de bruid de liefde van haar bruidegom’.4 Maar wie zal het Pierson, die kiezen moest uit zoveel materiaal, euvel duiden dat hij zijn eigen keuze heeft gemaakt en zíjn beeld van De Clercq gegeven heeft? In elk geval heeft hij ons De Clercq als dagboekschrijver uitnemend leren kennen: geestig, impressionabel, gevoelig, lucide, ambitieus en vooral iemand die, in gesprek met zichzelf, eigen gemoedsbestaan en geloofsleven voortdurend onderzoekt, geestelijke groei nastreeft om zo in dienst van zijn Heer zijn levensopdracht te vervullen.

Pierson was geïntrigeerd door de persoonlijkheid van De Clercq, die hij zelf nauwelijks gekend had. Hij voelde zich min of meer met hem verwant, ondanks de afstand die hij genomen had van het Réveilgeloof van zijn jeugd. Die verwantschap zal vooral het musische in De Clercq betroffen hebben en de ernst waarmee deze zich voortdurend rekenschap geeft van zijn levensovertuiging. Toen hij bijna klaar was met het tweede deel van zijn boek, schreef hij aan zijn vriend en zwager Adriaan Gildemeester: ‘Gij moet rekenen dat de persoon in het Universum die ik nu zoowat het allerbeste ken, Willem de Clercq is, ik weet thans alles van hem, doorgrond hem tot in de fijnste roerselen van zijn hart en karakter, maar het is al van goud.’5 Men kan deze ontboezeming overmoedig vinden, te weinig getuigend van het fundamentele

illustratie

voorbehoud dat de biograaf past, maar voor het overige is het een reactie die men steeds terugvindt bij mensen die zich met De Clercq hebben beziggehouden: oprechte bewondering voor een bijzonder mens, die zich in zijn dagboek in hoge mate blootgeeft en sympathie opwekt ook bij degene die zijn levensbeschouwing niet deelt. Ik reken Willem de Clercq naar zijn dagboek tot de negentiende-eeuwse geschriften in onze taal die klassiek zijn geworden en dus beschikbaar moeten blijven. Daarom pleit ik voor een heruitgave ervan. Bij voorkeur met toevoeging van een inleiding en gecorrigeerd waar Pierson verkeerd citeert: de transcriptie van Pierson is uitgesproken slordig. Het is een werk dat op vrij korte termijn uitgevoerd kan zijn.

Er is behoefte aan méér. Zo aan een biografie van De Clercq. Die is nog nooit geschreven. Wel bestaan er enkele studies waarmee de toekomstige biograaf zijn voordeel kan doen. Het zal een moeilijke onderneming zijn. Enerzijds is er die enorme hoeveelheid ego-documenten (behalve de Particuliere aanteekeningen zijn er vele brieven bewaard). Daarop moet de biografie berusten. Anderzijds moet de biograaf afstand ervan weten te nemen, onafhankelijke getuigenissen zoeken en zijn eigen beeld van De Clercq ontwerpen. Gelukkig is er iemand die de moed bezit dit werk op zich te nemen, een nazaat van De Clercq, de heer W.A. de Clercq te

[p. 14]

Santpoort, die zich al vele jaren intensief in het dagboek heeft verdiept.6

De derde wens is de meest omvattende: de uitgave van alle delen Mémoires uit de Particuliere aanteekeningen. Een bronnenpublikatie, waaruit men niet alleen een allerbelangrijkste zielsgeschiedenis afleest (het woord is van Chantepie de la Saussaye in het NNWB), maar ook een beeld krijgt van het maatschappelijke, geestelijke en culturele leven van een stuk negentiende eeuw, zoals een scherp opmerkend, uiterst gevoelig en erudiet man als Willem de Clercq dat ervaren heeft. Erfgoed van de eerste orde!

Margaretha H. Schenkeveld

1In Piersons uitgave, deel II, pp. 321-394, vindt men de meeste bijzonderheden over De Clercq als improvisator bij elkaar.
2In 1889 verscheen nog een goedkope editie, eveneens in twee delen en eveneens bij Tjeenk Willink in Haarlem.
3Over zijn werk in dienst van de NHM heeft De Clercq afzonderlijke aantekeningen gemaakt, die Pierson niet mocht raadplegen en die later na ampel familieberaad vernietigd zijn. Op grond van eigen herinneringen en van hun correspondentie heeft De Clercqs vriend J. Bosscha in Willem de Clercq herdacht ('s-Gravenhage 1874) juist op die kant van De Clercq de aandacht gevestigd.
4F.C. Gerretson, Groen van Prinsterer Briefwisseling I 1808-1833. RGP 58. 's-Gravenhage 1925, p. XXVI.
5Brief van 22 oktober 1872. Réveil-Archief, Verz. Pierson. Universiteitsbibliotheek Amsterdam.
6Van zijn hand is verschenen Willem de Clercq, Woelige weken. November - december 1813. Toelichting W.A. de Clercq. Amsterdam 1988. Griffioen.
prepostterug  begin  verder