De bibliotheek van de Maatschappij bevat veel dat nog niet of nauwelijks onderzocht is. Een van die zaken is een boekje dat op de titelpagina Proeve van steendruk, lithographie en autographie tot uitbreiding der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen heet, maar volgens het op het voorplat van de band opgeplakte (oorspronkelijke?) vooromslag Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen. Departement Voorburg. Het bandje (signatuur 1211 B 4) bevat enkele bijdragen, die grotendeels betrekking hebben op het Voorburgse departement en waarvan niet meer is vast te stellen of het hier gaat om een gelijktijdige uitgave, of dat het afzonderlijke stukken zijn die later bijeengebonden werden. We vinden erin de Verhandeling bij gelegenheid van de inwijding van het Voorburgsch Departement der Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen op den 10 December 1824 (door H.J. Caan, blijkens een aantekening van H.W. Tydeman, die het bundeltje in 1838 aan de Maatschappij schonk), een verhandeling uitgesproken op de gewone vergadering van 27 oktober 1825, een alfabetische naamlijst der leden van 1826 en een ongedateerde ‘Aanwijzing der spreekbeurten’, waaruit blijkt dat er op iedere vergadering een verhandeling
en een bijdrage te beluisteren viel. Verder is er nog een ‘Tabelle ter opgave van edelmoedige bedrijven’ en een getuigschrift ‘als een regtmatige hulde’ voor dergelijke daden.
Deze twee laatstgenoemde stukken krijgen een extrabetekenis in samenhang met een eveneens in de bundel meegebonden ‘Bijdrage’, het gedicht dat Gerrit van de Linde voordroeg ‘bij gelegenheid van de uitreiking van eermedailles aan Arij Bal en Gerrit Kleijnis’ op 1 november 1827. Dat Van de Linde toen daar opgetreden was is sinds 1987 bekend door de vondst van Marita Mathijsen1 van de notulen van de ledenvergaderingen van het Departement Voorburg van het ‘Nut’, bewaard in het Amsterdamse gemeentearchief (Archief 211/1873). In die voor de genoemde datum staat: ‘De voorzitter, overgaande tot het bijzondere doel dezer vergadering overhandigt plechtig en met gepaste aanspraken en dankbetuigingen in naam der Maatschappij aan Ari Bal van Scheveningen het hem toegewezen getuigschrift en tien guldens, en aan Gerrit Klijnis van Voorburg het voor hem bestemd getuigschrift en zilvere medaille, waarna door den Heer Van der Linde, student aan de Hooge School te Leijden, een op den aard der edelmoedigheid, en op de bedrijven der menschenvrienden bovengenoemd, toepasselijk dichtstuk word voorgedragen.’2 Wat niet uit deze notulen blijkt is de reden van deze beloningen, maar een toespeling in het gedicht doet vermoeden dat het om de reddingen van te water geraakte personen gaat. Het gedicht wordt hierbij afgedrukt, zij het niet als voorbeeld van grootse poëzie.
R. Breugelmans
Bijdrage
bij gelegenheid van de uitreiking van
Eermedailles
aan
Arij Bal en Gerrit Kleijnis,
tot belooning van menschlievende daden
in de Vergadering van het
Departement der Maatschappij
tot Nut van 't Algemeen
te Voorburg
den 1sten November 1827
door
G: van de Linde Jz:
Student aan de Hooge School te Leijden.3
Mijn landgenooten gij gevoelt
De Zaligheid die 't hart doorwoelt
van hem, wien d' ed' le taak van weldoen is beschoren!
Helmers.
G. van de Linde Jz.