
In het het eerste nummer van de negende jaargang van het Nieuw Letterkundig Magazijn werd aandacht besteed aan drie poëzie-albums van de familie Bohn-Beets die de Maatschappij op 30 mei 1991 verwierf. De nadruk viel daarbij op de albums van twee van de dochters des huizes, Franciska en Dorothea Bohn, dat van de moeder, Dorothea Petronella Bohn-Beets, werd slechts summier belicht. De belangrijkste reden om nog eens apart op dit album terug te komen, is een literair curiosum dat daarin de eerste bladzijden vult. Het is een afschrift van het vers dat Nicolaas Beets schreef toen zijn zuster op 16 juli 1835 in het huwelijk trad met de Haarlemse uitgever Pieter François Bohn. De eerste gedateerde bijdrage in het album stamt uit 1853 en gezien het uiterlijk van het boek (een fors staand formaat, groene leren band met overvloedige ornamenten in blinddruk en het woord ‘Poésie’ in goud op het voorplat) zal het niet veel eerder dan dat jaar in Dorothea's bezit zijn gekomen. Dat een gedicht van Beets het album opent mag passend genoemd worden. Uiteindelijk was Serena - zoals zij bij voorkeur door hem werd genoemd - zijn ‘lievelingszuster’, en van zijn broederlijke liefde voor haar heeft hij in zijn Dichtwerken op meerdere plaatsen getuigenis afgelegd. De sterkste getuigenis ervan heeft echter nimmer een plaats in een van die vijf dikke delen gekregen; daarvoor was het bruiloftsvers toch iets te intiem van aard.
In het dagboek uit Beets studententijd1 zijn een paar opmerkelijke passages aan het huwelijk van Dorothea gewijd, waaruit blijkt dat deze op zich toch zo normale gebeurtenis op Beets een verpletterende indruk heeft gemaakt. Zo beschrijft hij haar op 2 juli 1835, de dag van de ondertrouw, als volgt: ‘Serena frappeert mij door haar aanvalligheid, door de gracie van haar optreden en voorkomen, meer dan ooit. Zij is in 't wit, en doodsbleek van ontroering; zij buigt het hoofd onder 't gewicht van het oogenblik. Al haar zachtmoedigheid, al haar beminnelijkheid, lacht in hare trekken. Een beeld van maagdelijken schroom, staat zij daar aan de hand van hare moeder. Allen zijn wij hevig aangedaan. Tranen en hoorbare snikken.’
Kon Beets zich als ceremoniemeester op het partijtje (‘ 't feest begon te 4 ure, en eindigde des morgens te 5 zonder een oogenblik verflaauwing’) dat door de bruidegom op 10 juli werd georganiseerd nog onbekommerd uitleven in het voordragen van een op middeleeuwse leest geschoeid lied, naarmate de trouwdag naderde kreeg de ernst weer de overhand. Op 15 juli tekende hij aan: ‘Mij van 10 tot 3 afgezonderd. Verzen geschreven voor Serena's Trouwdag die morgen is. Ik weet niet of ze goed zijn, maar wel dat mijne geheele hart, en, indien mogelijk meer dan dat er in uitgestort is. Ze zijn zoo sterk, dat ik er tegen opzie ze voor te lezen. 't Gewicht der gebeurtenis écraseert mij. Serena dezelfde te zien in kalmte van geest is alleen in staat mij op te beuren. God geve dat dit zoo blijve! [...] Laatste avond van Serena in 't Ouderlijk huis. Wij zijn niet recht op de hoogte om dit te begrijpen’.
Van het op de huwelijksdag zelve ‘beleefde, doorleefde, gevoelde’ deed Beets uitvoerig verslag in een brief aan zijn vriend Bernard Gewin. Deze brief is helaas nog niet teruggevonden. Wel citeert Beets in het dagboek fragmenten uit zijn bruiloftsgedicht en tekent daarbij aan: ‘De ontroering na de voorlezing algemeen, eigenlijk grooter en anders, dan bij een bruiloftsfeest past. Ik zelf overstelpt en bevende als een blad.’
Er zit natuurlijk inmiddels bijna 160 jaar tussen, maar de wijze waarop Beets uiting geeft aan zijn liefde voor zijn zuster maakt wel een wat erg exuberante indruk. En dat een broer de bruid meent te moeten ‘weggeven’ terwijl de vader in blakende gezondheid op de plechtigheid figureert, mag uniek heten. Deze indruk wordt door de complete tekst - zoals die in het album van Dorothea is overgeleverd - eerder versterkt dan verzwakt. Curieus genoeg schreef ik die tekst af met een balpen waarop gedrukt is ‘Men uw pen’, iets dat beter op de ganzeveer van Beets had kunnen zijn aangebracht. Overigens is het -alle emoties van de jonge poëet in aanmerking genomen - een vakkundig produkt en dat het circa achttien jaar na dato zo'n prominente plaats in haar album heeft gekregen, bewijst dat aan de integriteit van het geheel niet getwijfeld hoeft te worden. Men oordele echter zelf.

16 juli 1835
N. Beets

Kees Thomassen