[p. 38]
Gesprek met de wandelaar
Wat ik wil, zegt hij, misschien
heb ik een vogel willen zijn, een zwaluw
die ik zag, daar, hoog in de bergen,
en zelf willen achterblijven
in de schaduw van het huis aan de rivier,
waarin hij nestelde, waaruit hij opvloog.
Ik herinner mij de terugkeer,
de warme schemer op het terras,
hoe ik daar zat, de wendingen volgde
van de rivier de velden in, de wazige lijnen
van de bergen in de verte omhoog,
een zwaluw, tot hij verdween.
Ik was moe en in gedachten
ging ik de bergen weer in, hoger en hoger,
naar die eenzame heldere wereld van steen,
zat daar weer in de wind en keek
in de diepte.
Misschien, zegt hij, wil ik iets
om voorgoed naar te kijken, dat huis
daar beneden, het nest dat ik zelf
heb verlaten,
en de wendingen van de rivier, de lijnen
van de bergen, eindelijk stilgelegd,
zoals het daar was, het moment dat ik
uit het zicht verdween, iets
dat er is buiten mij.
Rutger Kopland