terug  begin  verderprepost
[p. 13]

Dichter

 
Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?
 
Het nadert in onze kleren, in onze haren.
 
Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?
 
Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.
 
 
 
Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken
 
Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.
 
In de ochtendmist waarin hun beelden smelten
 
Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert.
 
 
 
Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren
 
Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,
 
Hun weduwen van lezers doen snikken.
 
 
 
‘O, ons ego was te duister!’ klagen zij.
 
‘Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!’
 
En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,
 
De mond vol kroket en gebed om genade
 
Voor hun prostaat, hun plagiaat.
 
 
 
Ei op sterven na ontdekken de dichters plots
 
De bedarende mirakels van goden, aforismen,
 
Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief
 
Iets van haar lief met haar lippen lezen.
 
 
 
En voordat de dichters, loze winterappels
 
Door de plukkers als ondermaats versmaad
 
Uiteindelijk ook vallen in november
 
Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar
 
Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.
 
Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel
 
Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen
 
En zij vullen hun kruiswoordraadsels in
 
Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.
 
 
 
Maar te laat, te doof, worden de dichters gewaar
 
Dat wat duister en bot was in hun verzen
 
Niet lichter wordt door sleet, door de duur,
 
Maar dat het blijft bederven. Ondoorgrondelijk
 
Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.
 
Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld
 
En als de dood zo vluchtig.
 
 
 
‘Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet
 
De splitsing, de gisting eerder dan het monument?
 
Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?
 
Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?
 
Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?’
 
 
 
- ‘Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.
 
Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,
 
Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen. Met
 
Tot op dit papier deze lijken van letters.’
 
 
 
Adieu schrijven de dichters een leven lang
 
En vergrijzend als lavendel in november
 
Blijven zij, gangreen en grap een raadsel,
 
Erbarmelijk bedelen om mededogen,
 
Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen
 
Die jou beminden, beminnen.

Hugo Claus

Hugo Claus, Gedichten 1948-1993. Amsterdam, Bezige Bij, 1994, pp. 1034-1035.

prepostterug  begin  verder