terug  begin  verderprepost

‘Vader moest zo vaak wenen’

Het artikel over ‘Een bruiloftsgedicht uit 1835’ in uw Magazijn van december 1994 roept door de ‘tranen en hoorbare snikken’ bij mij allerlei jeugdherinneringen op. Staat u mij toe hierover iets te vertellen.

 

Wij woonden in de jaren twintig aan de Hillegomse Van den Endelaan, toenmaals nog een rustige wandelweg met drie rijen kastanjes en iepen en daartussen een breed, bebloemd gazon. Schuin tegenover ons stond het huis ‘Albion’ van burgemeester Wentholt. Een wat kleinere woning. Later heb ik gehoord, dat de burgemeester zuinig moest financieren, ‘dit in verband met zijn kinderen’. Bij mooi weer kwam soms mevrouw Wentholt geb. Beets de Laan oversteken en stapte dan door de geopende serredeuren bij ons binnen. Een voorname, heel vriendelijke dame met zachte, roze wangen en rijk, zilverwit haar. Nu moge volgen hetgeen ik schreef bij de tekening van Chris Schut, ‘Het Hildebrandmonument in De Hout’ (Gezichten in Zuid-Kennemerland, 1990).

 

Daar zat zij dan in de fauteuil: ‘Vader heeft zo vaak moeten wenen’ ... Dan boog zij voorover, het grote hoofd in de schoot, de handen voor de ogen. Als kleine jongen begreep ik het niet; ik vond het een beetje angstig. Wenen, ja Wenen wist ik wel. Daar ging Vader ieder jaar naar toe en soms ging Moeder ook mee. Dan kwam Juffrouw Gildemeier, de baker, oppassen en dat waren best leuke weken. Maar dan weer die Mevrouw Wentholt... Later heb ik het begrepen. ‘Vader heeft een kast vol mooie preken geschreven, Mijnheer Hulkenberg, zúlke mooie preken, en ze werden níét gelezen. Hij moest steeds maar bezig zijn met dat éne boek, een

[p. 19]



illustratie

studentengrap. Vader heeft zo vaak geweend...’ Als ik nu voor bet beeld van Hildebrand sta moet ik telkens aan Mevrouw Wentholt denken. ‘Vader moest zo vaak wenen’...

 

Er was nog meer reden tot verdriet waarover zij telkens weer praatte. Als kind ben ik daar ook wel eens getuige van geweest. Mevrouw Wentholt was getrouwd met haar volle neef. Hun moeders waren zusters, dochters van Jhr. Mr. Dirk van Foreest te Heiloo, waar P.L. Wentholt burgemeester en N. Beets predikant was. ‘Vader heeft ons nog zó gewaarschuwd, maar we hebben niet willen luisteren’. (Wenen.) Hij had voor al zijn kinderen mooie bruiloftsgedichten gemaakt, ‘zúlke mooie verzen’ (opnieuw langdurig wenen), ‘maar voor óns heeft hij het níét willen doen... Ik heb nog om een heel klein gedichtje gevraagd, maar Vader heeft het zijn kind geweigerd! (Weer wenen.) En dan: ‘Vader heeft gelijk gehad’. Daarna een hele poos snikken. Niet gewoon snikken, maar deftig snikken, voornaam snikken. En dan telkens dat hoofd weer diep voorover. Misschien wel niet zo diep als de profeet Elia toen hij ‘zijn aangezicht tussen zijn knieën legde’ (Kon. 18:20), maar toch wel dieper dan op de tekening van Jo Spier in de Camera van 1940, blz. 265.

 

Inderdaad, ‘Vader heeft gelijk gehad’. Over de kinderen van de burgemeester werd nimmer gesproken, dat was te pijnlijk. Bij het zilveren burgemeestersjubileum in 1920 begon het ‘Feestlied’ met de volgende woorden:

 
U, die trots eigen leed, gedragen in 't verborgen,
 
Reeds vijf en twintig jaar droeg de Gemeentezorgen.

Het is wel heel erg als een feestzang zo moet beginnen. De dochter Koosje - in mijn jeugd al niet zo jong meer - is altijd bij haar ouders thuis gebleven.

 
Kom Koosje, lief roosje, reciteer eens een poosje.

Of Koosje kon reciteren, weet ik niet, maar ze kon wel heel mooi zingen. Althans, dat meende ze. Dan stond ze in de geopende deur met een groot muziekblad in de hand heel schel en luid te galmen. Soms ook op de stoep voor het huis of aan het hek. Vader verbood ons met nadruk erom te lachen. Ik heb het als kleine jongen niet begrepen; ik was erg onder de indruk en heb er met open mond naar staan kijken. Als ik aan Mevrouw Wentholt terugdenk, denk ik steeds aan ‘wenen’. ‘Vader heeft het zijn kind geweigerd’ en ‘Vader heeft gelijk gehad’. Het moet voor haar toch wel heel erg zijn geweest.

 

A.M. Hulkenberg

prepostterug  begin  verder