Weer is Leiden in de ban van de spoorwegwerken. Niets nieuws onder de zon, want al in 1949 lazen we in de kranten dat het (tweede) station zou verdwijnen om plaats te maken voor een nieuw gebouw. Ook het eeuwenoude stationskoffiehuis Zomerzorg, waar de heer Batenburg met zijn eeuwige anjer in het knoopsgat de scepter zwaaide, zou onder de slopershamer vallen.
Gelukkig verdween Zomerzorg niet voor lang uit het Leidse stadsbeeld, want al in mei 1950 werd een nieuw etablissement onder dezelfde naam geopend.
De geschiedenis van Zomerzorg gaat verder terug dan die van het eerste Leidse stationsgebouw, dat in 1843 door F.W. Conrad ontworpen was. In de zeventiende eeuw, toen nog op Oegstgeests grondgebied, lagen aan de toenmalige Rijnsburgerweg verscheidene hofsteden. Zo was er in 1696 sprake van een hofstede met huis, stal, schuur, plantages, enz. die voor 6.000 gulden door de Amsterdamse koopman Pieter le Pla verkocht werden aan Isaac Lespaul. Diverse malen werd deze hofstad doorverkocht, tot in 1764 de naam Bijstad voor het eerst opdook.
Er was toen sprake van een groot herenhuis, waarin twintig behangen en onbehangen kamers waren, met een koetshuis, speeltuin, visvijvers, karperkom, twee houten beschilderde tuinbeelden, stenen banken en tuinornamenten. Kopers van dit schoons waren Jan en Andries Warendorp en Pieter Bronkwaal voor de somma van 5.500 gulden.
Een illustere bewoner van dit complex was Adriaen Wittert, heer van Bloemendaal (bij Amersfoort), een Jansenistisch geestelijke die in 1791 uit de kerk trad om te kunnen trouwen. Zijn vrouw overleed hier, waarna hij weer tot de kerk terugkeerde.

Foto: Gemeentearchief Leiden.
Aan het eind van de achttiende eeuw was de buitenplaats gesloopt, een lot dat zij deelde met talloze lustplaatsen in de omgeving van Leiden. In 1797 werd het terrein door mr. Ysbrand van Dam verkocht aan een zekere Peltenburg. Als belendend perceel aan de zuidzijde werd daarbij het buiten Vijverlust genoemd, eigendom van twee weduwen. Deze dames deden hun bezit over aan de weduwe van mr. Johan Hendrik van Panhuys, die in 1808 overleed. Binnen een hoge singel van loofbomen werd de vijver omringd door tuinen in de ouderwetse stijl. Aan de weg, tegen de grens van Bijstad, stond een koepel, met daarachter een kolfbaan. Jonkheer Pieter van Panhuys verkocht Vijverlust in 1811 aan Hendrik Dewald, kastelein aan de Haarlemmerstraat. Deze droeg de buitenplaats in 1820 over aan Johan Jacob Selier, een Leidse tapper. Het woonhuis werd afgebroken en op de plaats van de gebouwen aan de weg verrees een koffiehuis.
De weduwe van Selier, Helena Reyken, hertrouwd met Ary Wassenaar, verkocht haar bezit op 15 mei 1838 aan Jacobus Couvée Sr. ten behoeve van diens zoon.
De zaak werd gelijk flink aangepakt. Niet alleen het gebouw werd gezelliger gemaakt, ook de tuin onderging een enorme verandering. De rechte stijve lanen werden vervangen door een Engels plantsoen, ontworpen door de tuinarchitect J.C. Rodbard, die een tijdje met Von Siebold had samengewerkt. De vijver, die een echte hengelvijver met baars en dergelijke was geweest, werd bevolkt door goudvissen. Iedereen prees deze aanleg ten zeerste.
Diezelfde zomer werd begonnen met concerten in deze sfeervolle tuin te organiseren, eerst onder leiding van muziekmeester Froschart, sinds 1841 door F. Dunkler met zijn grenadiers. Voor zes gulden kon men zich op acht concerten abonneren.
De spoorlijn Amsterdam-Haarlem werd in 1844 uifgebreid tot Leiden. Anderhalf jaar later kon ook Den Haag vanuit Amsterdam per spoor bereikt worden. Zo werd Zomerzorg, zoals Couvée zijn bezit had genoemd, vanzelf ‘Stationskoffyhuis’, in ons hele land en zelfs daarbuiten - vooral toen Noordwijk en Katwijk internationaal beroemde badplaatsen werden - bekend.
De grootste bloei beleefde Zomerzorg onder Abraham Couvée, die op 1 maart 1849 de zaak had overgenomen. Bijzondere zorgen werden steeds aan de tuin gewijd. Buiten de populaire concerten, sinds 1853 door H. Völlmar in plaats van Dunkler geleid, waren er nog tal van muziekuitvoeringen. In 1854 werd de oude kolfbaan vervangen door een ‘zeer ruime en nette zaal, geschikt voor concerten, bals, diners, enz.’. Daaraan grensde de gezellige koffiekamer, waar menig partijtje biljart gespeeld werd. De keuken was zo beroemd, dat allerlei festiviteiten van burgers en studenten vanzelf op Zomerzorg waren aangewezen.
Sinds 1855 hield de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde hier haar jaarlijkse diner.
In het convocaat voor de algemene ledenvergadering stond dan ook vermeld: ‘De Vergadering zal naar gewoonte met een' maaltijd worden besloten, te houden in het Locaal Zomerzorg, aan het Station van den Spoorweg. Daar er jaarlijks Leden zijn die, zonder deswege berigt te hebben gegeven, aan dien maaltijd verlangen deel te nemen, en het groote moeilijkheid veroorzaakt wanneer het getal tot op het laatste oogenblik onzeker blijft, worden de Leden ten vriendelijkste verzocht de goedheid te willen hebben, hun voornemen van deelneming aan den maaltijd vóór den 16den Junij schriftelijk te kennen te geven aan het adres van den Secretaris der Maatschappij. Op die wijze is het getal althans eeniger-
mate te bepalen. Eene opgave die in het belang der gasten zelve zoo noodzakelijk is, zal, vertrouwen wij, aan niemand hunner vergeefs verzocht worden.’
De leden, die niet in Leiden woonden, betaalden twee gulden voor de maaltijd, terwijl de Leidse leden het dubbele moesten betalen.
Aardig is het menu van het diner uit 1857 met een enorme lijst van in het Frans vermelde gerechten en het vierregelige gedichtje daaronder.
Bovenaan het menu stond lange tijd vermeld ‘Maaltijd van Heeren Leden’. Toen in 1892 het besluit genomen werd dat ook vrouwen tot leden van de Maatschappij konden worden gekozen en er in 1893 daadwerkelijk vrouwen als lid benoemd werden, verscheen er op het menu van 1895 de zinsnede ‘Maaltijd der Leden’, een jaar later oudergewoonte weer gevolgd door de betiteling ‘Maaltijd der Heeren Leden’.
Ook voor tentoonstellingen was Zomerzorg een uitgelezen plaats, maar de muziekuitvoeringen bleven de trekpleister. Half Leiden trok daarvoor naar Zomerzorg. Men zat dan familiegewijs dicht op elkaar in de tuin; elke huismoeder kreeg een volledig theegerei voor zich met stoof en kooltjes vuur, om thee te zetten en rond te delen. Na de pauze werd wijn besteld en werden bolussen verorberd. Voor de jeugd was de achtertuin favoriet. Daar vermaakte men zich op allerlei manieren ‘en in de bosjes werd door de jongelieden en jongedochters ook wel gescharreld’.
Ingrid W.L. Moerman

Collectie Gemeentearchief Leiden.