terug  begin  verderprepost
[p. 28]

Belerende vinger hoort erbij

Op tafel ligt een oud kinderboekje uit 1840: De geschiedenis van een goed en van een kwaad kind in 12 afbeeldingen met toepasselijke versjes. Volgens het titelblad, dat geen auteur vermeldt, is het al de vierde druk, uitgegeven bij J. Zender te Dordrecht. Zekere Pieter Douw kreeg dit exemplaar als ‘prijs van aanmoediging’ bij het verlaten van de Stads Armen-School te Middelburg. Las hij het met plezier? Moeilijk te beantwoorden vraag. Maar het verkoopsucces van dit kinderboekje bewijst dat het om een of andere reden bij opvoeders en misschien ook bij de kinderen zelf in de smaak viel. Voor ons, hedendaagse beschouwers, ligt die aantrekkelijkheid grotendeels in de illustraties: vijf paren van tegenover elkaar geplaatste primitieve prentjes in steendruk, die de contrasterende levensgeschiedenis van Frans en Willem uitbeelden. Het begint er al mee dat Willem ongaarne naar school gaat: ‘Frans gaat met lust, maar Willem niet, / Die liever speelt dan boeken ziet’. In het verlengde hiervan gaat Frans braaf met zijn ouders ter kerke, terwijl Willem zich overgeeft aan ‘kwaadwilligheid’. Hij belandt dan ook al gauw in het cachot, maar Frans (hij zat vast niet op een armenschool) krijgt als beloning voor gedrag en vlijt van zijn ouders een mooie atlas. Nu nemen de dingen pas goed hun onvermijdelijke loop. Op het volgende prentje zien we Frans, om zijn kunde en vlijt geroemd, als koopmansklerk ten kantore van J. Zender te Dordt achter zijn bureau gezeten. Willem daarentegen komt van kwaad tot erger: ‘Pas was hij bij een baas verhuurd, / Of werd, met slagen, weggestuurd’. Treedt de eerste, ‘in goeden stand en ruimt gewin’ onder moeders zegen de grote wereld binnen, de ander vormt slechts een bron van verdriet voor zijn vader die alle moeite doet om Willem uit handen van de justitie te houden. Het laatste plaatje (‘Het Geregte Loon’) brengt dan de bittere climax, als beide schoolmakkers elkaar toevallig treffen:

 
O lieve kind'ren, staren wij
 
Getroffen, op deez' schilderij!
 
Frans zit hier op zijn buitegoed,
 
Wijl Willem, schamel, beedl' en moet.

Wat Pieter Douw in 1840 van deze historie gevonden heeft, nogmaals: dat weten we niet. Maar zeker is dat lezers van nu de neiging zullen hebben om met enig dédain neer te kijken op zulke zwaar aangezette moralisatie. Niks leuks aan!

De achttiende- en negentiende-eeuwse literatuur staat intussen bol van moraliseren en nergens wordt die belerende of waarschuwende vinger zo duidelijk zichtbaar als in het oude (of moet ik zeggen: ouderwetse?) kinderboek.

Daarmee is tegelijk een fundamenteel waarderings probleem aan de orde gesteld. Het lijkt immers alsof voor de hedendaagse lezer alle moralisatie in literaire vorm taboe is, zodat er op dit punt een brede kloof gaapt tussen het oude en het moderne kinderboek. Maar dat is maar

illustratie

schijn. Ook nu worden we (weliswaar niet door kerk of school maar dan toch van overheidswege) voortdurend bestookt met allerlei morele boodschappen: gij zult joggen, drink met mate, vrij veilig. En het is een grote vergissing te menen dat althans in het moderne kinderboek alle moralisme buitenspel is gezet. Het palet van deugden en ondeugden ziet er nu alleen wat anders uit. Zo moet ergens tussen 1800 en negentien-nu een moment zijn gekomen, waarop schrijvers èn lezers van kinderboeken het niet meer vanzelfsprekend gevonden hebben dat een brave Hendrik of een vlijtig Liesje in de prijzen viel. Wat eenmaal aanbevelenswaardig klonk - orde en netheid, zuinigheid, ijver, nederigheid - werd vanaf dat moment lichtelijk ridicuul bevonden. Natuurlijk niet over de hele lijn en zeker niet overal tegelijk. Want ‘brave’ kinderboeken worden ook nu nog geschreven, terwijl Annie M.G. Schmidt (wanneer we haar gemakshalve als representant van het moderne, anti-autoritaire kinderboek in Nederland mogen beschouwen) stellig haar achttiende- en negentiende-eeuwse voorgangers heeft. Maar waar het nu om gaat is dat tegenwoordig kinderboeken evenzeer een model van goed en fout gedrag tonen, ook al verschilt de aard van die morele boodschap met wat Hieronymus van Alphen zijn jonge lezers voorhield. En dat geeft ook helemaal niet, want literatuur zonder enig normbesef is zeldzamer dan je denkt. Gevaarlijk wordt het pas wanneer men oude kinderboeken gaat beoordelen met de morele maatstaven van nu, om dan vast te stellen dat ze racistisch, vrouwonvriendelijk enzovoort zijn. Een handelwijze waar zelfs de klassiekers (Robinson, Gulliver) niet tegen bestand zijn.

[p. 29]



illustratie

Kinderen vormen het meest kritische lezerspubliek. Zij zijn net zo ongedurig als jonge honden. Wat hun niet meteen bevalt leggen zij genadeloos opzij. Alleen de voorgeschreven stamppot van een schoolboek kan dan nog jaar in jaar uit op het menu blijven staan. Maar een boek dat je zonder dwang louter voor je plezier leest moet andere dan didactische kwaliteiten hebben. De toverformule voor zulk amusement is het geheim van de grote schrijvers die iets te melden hebben. Kortheid, directheid, spanning, horror, beeldend vermogen - door leuke plaatjes ondersteund -, lijken de voornaamste ingrediënten. En als je er op gaat letten, dan blijken er eigenlijk maar heel weinig kinderboeken te bestaan die het langer dan één generatie uithouden.

Wat altijd erg leuk blijft is griezelen om de pech of de rampen van anderen. Waar de brave Hendrik uit het gelijknamige kinderboek (1809, toch ook een bestseller eerste klas) door Nicolaas Anslijn feitelijk een aansprekelijk contrastmodel miste, verschoof opeens de aandacht van de deugd naar de ondeugd. En daarover valt altijd meer te vertellen. Het boek dat die omslag veroorzaakte was Heinrich Hoffmann's Struwelpeter (1844), in Nederland beter bekend als Piet de Smeerpoets. Het is op afstand het aardigste Duitse kinderboek dat anderhalve eeuw na verschijnen nog net zo vitaal oogt als bij zijn geboorte. Het is ook een boek dat zowel toen als nu bij pedagogen ernstige bezwaren heeft opgeroepen. Met de duimzuiger wiens beide duimen voor straf wreedweg worden afgeknipt als absurdistisch schrikbeeld. Maar de brave kinderen van alle leeftijden hebben er tot de huidige dag van gesmuld.

Ook in Nederland verschijnen er in de negentiende en twintigste eeuw diverse van zulke op ‘leedvermaak’ gebaseerde, kostelijk geïllustreerde kinderboeken, al dan niet volgens de succesformule van Hoffmann's Struwelpeter. Ik noem er drie, allemaal werkelijk stukgelezen en dus uiterst zeldzaam geworden. Allereerst De ondeugende kinderen. Een vermakelijk prentenboek met rijmen (ca. 1850) van onze negentiende-eeuwse topauteur J.J.A. Goeverneur. Hierin staat het verhaal van de Snoep-al die stiekem zich volstopt met zelfrijzend taartbeslag, zodat zijn buik na enige tijd gevaarlijk gaat opzwellen:

 
Zóó vinden hem zijn ouders staan.
 
Och, als geen doctor hem nog redt,
 
Dan is het wis met Hein gedaan
 
En barst hij morgen, naar ik wed.

Gruwelijker nog is Stoute kinderen voor zoete kinderen (ca. 1860), getekend en berijmd door J. Norweb, achter welk pseudoniem zich de Rotterdamse tekenaar-schrijver John Browne (1823-1901) verborg. Welk kind zou niet gehuiverd hebben op het zien alleen van de enorme klisteerspuit waarmee hier de chirurgijn een luistervink zijn oor cureert? Of van de bullenjood die koppige Klaas in zijn zak stopt?

Ten slotte noem ik Stoute Jongens en Meisjes, een prentenboek voor zoete kinderen (ca. 1860) door de nu vergeten L. van den Broek. Ook deze keer vinden we de geschiedenis van een snoepziek kind, dat zich in dit geval abusievelijk te goed doet aan een pot vliegenlijm. Weer met alle kwalijke gevolgen in woord en beeld. De adembenemend mooie, handgekleurde illustraties maken de stuntelige rijmen (waar geen kind zich aan gestoord zal hebben) meer dan goed. En de ook nu weer over duidelijke moraal? Die hoorde er gewoon bij, zeker in een griezelverhaal.

P.J. Buijnsters



illustratie

prepostterug  begin  verder