
Geen kaartenverzameling, wel een gering aantal van bijeengelegde losse kaarten en verspreid geplaatste atlassen en kaartwerken. Dit is het bescheiden resultaat van een speurtocht naar cartographica in de bibliotheek van de Maatschappij, die uiteindelijk toch de moeite waard bleek toen daarbij enkele bijzondere stukken aan het licht kwamen. Deze keer geef ik mijn bevindingen weer voor zover het kaarten en kaartwerken betreft, later komen de atlassen aan de beurt.
Omstreeks het midden van de vorige eeuw heeft een ordenende hand, vermoedelijk die van Bodel Nijenhuis, het kwetsbare bezit van plano bladmateriaal naar soort bij elkaar gelegd. Op de A-plank van kast 1086 lagen sindsdien portefeuilles met achtereenvolgens kaarten, historieprenten, plakkaten en tenslotte een collectie topografisch materiaal van Venetië. De herkomst van de 62 losse kaarten die uiteindelijk in de kaartenmap terecht kwamen, vertoont een grote diversiteit. Sommige zijn te danken aan afzonderlijke schenkingen, andere maakten eens deel uit van een grotere gift of legaat. In tegenstelling tot de tienduizenden kaarten uit de collectie die Bodel Nijenhuis in 1872 aan de Leidse universiteitsbibliotheek naliet en waarvan een afzonderlijke catalogus werd gemaakt, zijn de kaarten van de Maatschappij in de catalogi van 1847 en 1887 bij de boeken beschreven en opgenomen en daarna ook in de catalogus van de UB verwerkt. Het gevolg was dat ze gemakkelijker toegankelijk waren dan die uit de Collectie Bodel Nijenhuis. Het intensieve gebruik heeft zijn sporen dan ook nagelaten, bovendien zijn er elf zoekgeraakt.
Een duidelijk te onderscheiden component is een twintigtal vestingsplannen en stadsplattegronden uit de periode van 1650 tot 1750, waarvan het merendeel het karakter van nieuwskaarten hebben omdat ze belegeringen laten zien; er zijn kaarten van Amsterdam, Bergen op Zoom, Cadiz, Doornik, Gibraltar, Lille, de forten Lillo en Liefkenshoek, Ostende, Parijs, Praag, Rotterdam, St. Petersburg en Utrecht. Een alleraardigst, door Leonard Schenk in 1767 gegraveerd kaartje, getiteld Allemagne littéraire, verdient vanwege het thema op deze plaats bijzondere aandacht. Het toont volgens een notitie van Bodel Nijenhuis de ‘Hooge- en andere wetenschappelijke scholen in Duitschland omstreeks d.j. 1760’, die als kweekplaatsen van de letterkunde worden gezien. Als symbool van dichterlijke inspiratie is de gevleugelde Pegasus afgebeeld op het moment dat onder zijn hoefslag op de Helicon de aan de Muzen gewijde bron ontspringt. Maar ‘ook onze rivieren voeden de zwanen’ zegt de Latijnse spreuk, waarmee ze het thema van letterkundig Duitsland een bijzonder accent geeft. Dankzij een andere notitie van Bodel Nijenhuis in de catalogus van 1847 weten we dat het afkomstig is uit een bij S. en J. Luchtmans verschenen editie van Institutions politiques (1767) van de Duitse schrijver Jakob Friedrich von Bielfeld (1717-1770), die na zijn studie in Leiden in dienst van Friedrich II enkele diplomatieke posten vervulde.
Uit de vorige eeuw vermeld ik geschenken van C.G. Boonzajer en C.W.M. van de Velde. Van de eerste ontving de Maatschappij de door Jacob van der Ulft gegraveerde prent van het kasteel van Gorinchem met de zogenaamde Blauwe Toren, een uit circa 1850 daterende afdruk van de zeventiende-eeuwse koperplaat. Twee kaarten van uitzonderlijke kwaliteit, zowel wat kartografie als uitvoering betreft, zijn van de hand van de zeeofficier Van de Velde. De kaart van het eiland Java (Paris 1847) en The map of the Holy Land (Gotha 1858) zijn beide voorzien van een gedrukte toelichting op de gehanteerde kartografische bronnen. De vorige eeuw werd door de Maatschappij afgesloten met het genereuze geschenk van de erfgenamen van professor Fruin, waartoe ook een buitengewoon verzorgd exemplaar van de Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden op de schaal 1:50.000 behoorde. Het geldt als het hoogtepunt van de in steendruk uitgevoerde Nederlandse militaire kartografie. De 62 bladen zijn op wit linnen geplakt, afgezet met groene biezen en worden in drie fraaie dozen met rugtitel gevouwen bewaard. Ook verwierf de bibliotheek nog een exemplaar van een van de laatste meerbladige uitgaven van de kaart van het hoogheemraadschap Rijnland (1884). De zeekartografie, tenslotte, is vertegenwoordigd met drie laat achttiende-eeuwse produkten van Nederlandse hydrografen in Russische dienst: de Krim en de Zee van Marmora door Van Kinsbergen en de Zwarte Zee door Van Woensel.
Een tweede map met losse kaarten draagt het opschrift ‘Gezichten van Venetië’. Daarin treffen we achttien door Stefano Scolari in de zeventiende eeuw te Venetië uitgegeven plattegronden, prospecten en ander plaatmateriaal

van deze stad aan. Dit drukwerk van Scolari gaat zelden boven het peil van middelmatigheid uit en bovendien is een groot aantal ervan van oudere platen afgedrukt.
Een ander op Italië betrekking hebbend kaartwerk, maar dan ingebonden en van een titelblad voorzien, mag daarentegen tot de kleinoden worden gerekend. De Antiquae urbis Romae cum regionibus simulachrum is een verzameling van 21 in houtsnede uitgevoerde kaarten van het antieke Rome, vervaardigd door Marco Fabio Calvo (overleden in 1527 tijdens de Sacco di Roma) en uitgegeven te Basel door Froben in 1556. De eerste vier kaartjes tonen de stad als ‘Roma quadrata’, dus tijdens Romus en Remulus, vervolgens tijdens Servius Tullus en Augustus en tenslotte zoals Plinius het heeft beschreven ‘met 34 poorten’. Frutaz, de bibliograaf van de Piante di Roma (1962) kent alleen deze eerste vier kaarten, en dan nog in een vroege uitgave van 1527. Het vervolg van de atlas bevat kaarten van de Capitolinus en van 14 districten van ‘Roma antiqua’.
De benoeming in 1835 van de generaal-majoor Jan Egbert van Gorkum (1780-1862) tot lid van de Maatschappij, moet - zo zegt zijn Levensbericht - gezien worden als ‘een schoone hulde openlijk bewezen aan den krijgsman om zijne verdienste op het gebied der Nederlandsche cartographie’. Hij was daarmee de eerste beroepskartograaf die deze eer te beurt viel en is - naar mijn beste weten - de enige gebleven. De erkenning van zowel het beeldend vermogen als de technische prestatie van de kartografie en daarmee van haar bijdrage aan de Nederlandse cultuur klinkt nog door in deze waardering voor Van Gorkum's creativiteit. De reden waarom hem geen andere kartografen in deze benoeming gevolgd zijn, kan liggen aan de ontwikkeling van het vak in de richting van een puur technische wetenschap.
De bijzondere plaats van de kartograaf Van Gorkum in de ledenlijst van Letterkunde wordt weerspiegeld in de aanwezigheid van twee zeldzame kartografische publikaties van zijn hand in de overwegend letterkundige en historische bibliotheek. In het Extrait du traité de topographie en in zijn boekje over Topographische modellen zette hij zijn methode van reliëfarcering uiteen, zoals hij die ontwikkeld had toen hij aan het hoofd stond van het Bureau van de Militaire Verkenningen, eerst te Kortrijk en daarna te Gent. Volgens het Levensbericht kwamen officieren uit heel Europa de kunst van de terreintekening op het bureau van Van Gorkum afkijken.
Met de aandacht van de Maatschappij voor de vaderlandse kartografie was het daarmee wel gedaan. Het heeft in ieder geval niet geleid tot een weloverwogen acquisitie van kaarten of kartografische literatuur.
Dirk de Vries