
Foto: Gerrit Serne & Partner
Sinds twintig jaar roepen de romans van Leon de Winter een vloed van reacties op. Nederlandse critici zijn verdeeld: voor de ene is De Winter een romanschrijver van wereldformaat, voor de ander behoren zijn geschriften tot een bouquetreeks-genre dat seks niet schuwt. Intussen hebben de lezers een duidelijk oordeel geveld: de boeken van De Winter hebben de plank ‘W’ van particuliere en openbare bibliotheken met een halve meter verlengd. Vertalingen in het Duits en in het Frans oogsten veel succes.
In uw tiende roman Zionoco (1995) speelt u op een verbluffende manier met ironie en ernst. Ten opzichte van uw eerdere romans heeft dit boek het sérieux van een Witze. Wordt u, al dan niet bewust, steeds joodser?
Zionoco heeft veel weg van een uitgesponnen mop, dat is zo, maar of ikzelf veel joodser aan het worden ben, is een andere zaak. Het oer-idee voor dit boek was de pointe van de mop. In het laatste deel gaat rabbijn Sol op zoek naar zijn vader in de jungle van Suriname. Hij vindt hem terug in een spelonk op de mythische berg Zionoco en wordt uiteindelijk de geestelijke leider van een tot het jodendom bekeerde indianenstam. Ik wilde, spelend met allerlei joodse motieven, de worsteling van vader en zoon met hun religieuze erfenis tot een hilarisch hoogtepunt brengen. Bovendien wordt een roman over een rabbijn vanzelfsprekend joodser dan een boek over een joodse schrijver (Kaplan, 1986, CB-S) of een joodse natuurkundige (De ruimte van Sokolov, 1992, CB-S).
Je kunt de vraag ook anders stellen: hoe ‘joods’ is de queeste van rabbijn Sol? In welke werkelijkheid speelt het relaas zich af?
Sol is afkomstig uit het westerse jodendom. Hij heeft een eigen beloofde land, in zijn hoofd. Op zoek naar een mythische verzoening met zijn verdwenen vader moet hij allerlei gevaren trotseren, een woeste rivier oversteken, een berg beklimmen, en drie dagen lang het lichaam van zijn vader dragen alvorens het te kunnen begraven. Het laatste deel van het boek begint en eindigt met de woorden ‘en zo gebeurde het dat’. Het zou ook ‘Er was een...’ kunnen zijn, of woorden van die strekking waarmee zowel sprookjes als openbaringen beginnen. Of wat hij beleeft wel of niet echt is, is niet van belang. Schrijvend en prekend vraagt Sol zich voortdurend af: wat is echt? Wat is vals? Wanneer ben ik niet meer oprecht en word ik theatraal? In een fel stuk trekt hij van leer tegen het feit dat in de loop der tijden een deel van de joodse traditie in het labyrint van de werkelijkheid verdwaald is geraakt. Sol worstelt met zichzelf langs een joodse verbeeldingsweg.
Wat is uw betrokkenheid bij de hoofdfiguur?
Sol is één van mijn personages, maar ik kan niet ontkennen dat ik tot dezelfde traditie behoor. Wat in mijn leven op dat punt veel veranderd heeft, is de geboorte van mijn zoon. Wellicht is dat de reden waarom ik aarzelend met een liberale joodse gemeente contact heb gezocht. Vorige week hebben wij voor het eerst een seider thuis gehouden. Je bent als gezin bij elkaar, je eet en drinkt en vertelt tussendoor een tijdloos beschavingsverhaal over mensen die zich aan onrecht en knechting onttrekken. Ik kreeg hetzelfde magische gevoel als bij de britmila (besnijdenis, CB-S) van mijn zoon een paar maanden geleden. Dit soort rituelen heeft het wachten op het wonder vervangen: zij zijn op zichzelf het wonder geworden.
Uw romans zijn uiterst zorgvuldig geconstrueerd, maar elke keer op een andere leest geschoeid. Volgt Kaplan (1986) de plaatsen en Hoffman's honger (1990) de tijden van handelingen, De ruimte van Sokolov (1992) daarentegen toont de relativiteit van tijd en ruimte en Zionoco (1995) de mogelijkheid tot overtreding van deze conventionele elementen. Kan men zeggen dat de thema's in uw boeken de ontwikkeling van uw persoonlijke spiritualiteit aangeven?
Ik denk dat het inderdaad zo is. Maar daar doorheen speelt natuurlijk het ambacht van de schrijver. Helemaal aan het begin bij het verzinnen van mijn boeken probeer ik dit soort grote lijnen onder woorden te brengen. Vervolgens heb ik een aantal jaren nodig om tot het schrijven van een boek te komen. Het vereist veel: onderzoek naar de plaatsen en tijden waar de roman zich
afspeelt, het karakter van de personages vaststellen, enzovoort. Dat alles behoort tot het métier en gaat aan het schrijven vooraf. Spirituele ontwikkeling vind ik in dat kader een moeilijk begrip. Toch kan ik niet ontkennen dat een zekere acceptatie van een deel van mijn achtergrond mij gaandeweg dwingt tot het herwaarderen van een aantal rituelen waar ik tot voor kort met een grote boog omheen liep. Verzoening met de joodse traditie is hiervoor een te groot woord. Verzoening veronderstelt een gevecht en dat is bij mij niet aan de orde. Het gaat om iets anders, het gaat om het grote verhaal. Om terug te komen op de seideravond: je moet de uittocht uit Egypte vertellen alsof het voor jou ook geldt. De bedoeling is dat je je er totaal mee identificeert. Wat mij betreft kan dat grote verhaal van bevrijding stoppen op het moment waar Mozes in het zicht van het ‘beloofde land’ sterft. Dat vond ik als kind al. Daarna vervalt men weer in onrecht en geweld. Dat kolossale bevrijdingsverhaal wil ik in deze tijd lezen als een oproep tot beschaving, beheersing en verfijning. Wat levend moet blijven is de mogelijkheid om het beloofde land te abstraheren tot iets waar je je naar richt, waar je naar streeft. Er aankomen is niet noodzakelijk.
Wat vindt u van de wijze waarop de Nederlandse literaire kritiek uw boeken ontvangt?
Wat ik bij de Nederlandse critici vaak constateer, is een oppervlakkigheid die mij verwondert. Ik voel mij een soort parabelschrijver, een moderne gelijkenisverteller. Ik probeer in verhalen te vangen dat wat ik van breed belang acht. Dat doe ik door klassiek opgebouwde, heel gedocumenteerde verhalen op te schrijven, met beelden van deze tijd. Maar al ga ik steeds conventioneler te werk, al wordt het gelijkeniskarakter van mijn romans steeds duidelijker, dat zie ik zelden terug bij de literaire kritiek. Het is net alsof men het niet ziet of niet wil zien.
Christiane Berkvens-Stevelinck