J.H. Scholten (1811-1885), lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, was een richtinggevende figuur in de Nederlandse theologie van de negentiende eeuw. Maar zijn denkbeelden reikten verder dan het domein van de godgeleerdheid: zij inspireerden ook letterkundigen. A. Kuenen, die zich inspande Scholtens levensbericht, bijlage bij de Handelingen van de Maatschappij van 1886, ook voor niet-theologen lezenswaard te maken, had dan ook kunnen wijzen op de literaire verwerking van Scholtens leerstuk van het determinisme, bijvoorbeeld in een verhaal van P. Brooshooft.
Mr. Pieter Brooshooft (1845-1921) heeft enige bekendheid verworven als Indisch journalist van de zogenaamde ‘ethische richting’, die zich inzette voor verbetering van de leefomstandigheden van de Indische bevolking. Hij was van 1877 tot 1904 hoofdredacteur van enkele belangrijke Indische dagbladen, de Semarangsche Courant, de Soerabaja Courant en De Locomotief. Van 1874 tot 1877 publiceerde hij bij uitgeverij A.W. Sijthoff te Leiden in afleveringen Academische dissolving-views, taferelen uit het studentenleven (er zijn boekuitgaven bekend uit 1875 en 1878; de uitgave uit 1875 waarschijnlijk met de titelpagina van een van de losse afleveringen). In dat boek is een lang verhaal, eigenlijk een roman, van 250 pagina's opgenomen, getiteld O geest van 't goede, bescherm hem! In een kort voorwoord laat de schrijver weten dat hij ‘een strijd om behoud van een armen schipbreukeling op de woelige golven des academielevens’ heeft willen uitbeelden. Het studentenleven kent veel verlokkingen, waaraan soms gevolgen voor het latere leven zijn verbonden. Het vermogen van de student om daaraan weerstand te bieden, is gevormd in zijn kinderjaren. Wie dat overweegt, moet volgens de auteur tot het inzicht komen dat ‘de student-jongeling niet alleen de vader is van den man, maar ook de zoon van het kind’. De student van dit verhaal, Lodewijk van Rhoon, is de kleinzoon van een man die zijn karakter onherstelbare schade had toegebracht door overmatig (drank)genot in zijn jeugd, waardoor hij alle zelfrespect verloren had. Dat gemis wreekte zich bij de opvoeding van zijn kleinkinderen Lodewijk en Lize, over wie hij zich ontfermde nadat zijn dochter en haar man kort na elkaar gestorven waren. Het ontbrak de oude heer Van Rhoon aan vertrouwen in eigen beoordelingsvermogen om de kinderen het juiste pad te wijzen. Vooral de jongen moest daaronder lijden. Als dan het moment is gekomen dat Lodewijk het volle leven in stapt, blijkt hoe verwoestend de grootvaderlijke genotzucht uitwerkt op het leven van de kleinzoon. Ook hij kan met feestvieren geen maat houden en raakt steeds verder in de versukkeling: de cirkel is rond. Op een goede afloop hoeft niet te worden gerekend, want in het voorwoord stond al te lezen dat de schrijver was afgeweken ‘van de vrij algemeene gewoonte, om romantische verhalen tot geluk en genoegen en voldaanheid van de helden, van de lezers, van den schrijver, kortom van alle partijen te doen eindigen’. De terugkeer naar een meer geregeld bestaan valt de jongeman die zich als student te buiten is gegaan aan vertier moeilijk, en onder de aangegeven condities is zo'n terugkeer zelfs onmogelijk. De noodzakelijkheid waarmee de gebeurtenissen zich voltrekken, tot de zelfmoord van Lodewijk aan toe, doet denken aan het stramien van een naturalistische roman. Alleen schuilt het noodlot hier niet in een erfelijke belasting, maar in een gebrekkige opvoeding, die het gevolg is van voorvaderlijk wangedrag. Daarom kan in het verhaal van Brooshooft tevens een ‘tendensroman’ worden herkend, een boek waarin de handeling is ingericht naar de eisen van een vooraf bepaalde boodschap: wie matigheid betracht in zijn jeugd, verspeelt daarmee niet het bestuur over zijn eigen leven en dat van zijn (klein)kinderen. Maar voor het kind in kwestie, Lodewijk, is het noodlot even onafwendbaar als voor de erfelijk aangetaste personages uit het naturalisme.
Wat deze roman tot een bijzonder boek maakt, is de wijze waarop Lodewijk van Rhoon inzicht verkrijgt in zijn leven: door met zijn vriend Pim Storm van Noord de inhoud te bespreken van J.H. Scholtens De vrije wil (Leiden, 1859). Daardoor krijgt het determinisme in Brooshoofts roman een theologische achtergrond: een soort proto-naturalisme van calvinistische origine.
Scholten, die de ‘moderne theologie’ in Nederland introduceerde, had met zijn boek veel stof doen opwaaien. Determinisme en monisme (het geestelijke, God, wordt als enig uitgangspunt genomen; het stoffelijke vertegenwoordigt geen zelfstandig beginsel) zijn kenmerkend voor zijn theologie. De grote invloed van zijn denken blijkt bijvoorbeeld uit een van P.A. de Genestets Leekedichtjes, nr. XXIV:
Met een schier onuitputtelijk geduld, dat doet twijfelen aan de ernst van Lodewijks ‘landerigheid’ en ongedurigheid, beluistert de boemelaar in kwestie de uiteenzettingen van zijn vriend, die 62 pagina's in beslag nemen. Lodewijk wil zijn hart eens uitstorten en Pim vragen wat hem te doen staat. Pim begint met Scholtens stelling te weerleggen dat de mens zich empirisch kan overtuigen van het bestaan van God. Ook het dualisme van een andere denker, A.J. Vitringa (de schrijver Jan Holland), die in zijn studie De mensch beschouwd als dierlijk en geestelijk wezen (Leiden, 1873), een spirituele wereld van vrijheid postuleerde naast de stoffelijke wereld waarin de natuurwetten heersen, voldoet hem niet. Hij

Mr. Pieter Brooshooft (1845-1921)
Foto: Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Leiden
stelt zich op het standpunt van de agnost en maakt Lodewijk duidelijk dat hij van hogerhand geen hulp hoeft te verwachten. Wel betoont hij zich een aanhanger van Scholtens determinisme, maar in plaats van zijn vriend daarom de onvermijdelijkheid van zijn ondergang voor ogen te stellen, weet hij hem op te beuren met het inzicht dat alleen de determinist tot op het laatst kan blijven geloven aan de mogelijkheid van een ingreep die het noodlot nog kan afwenden, de beslissende handeling die de eindafrekening van bepalende factoren, positieve en negatieve, juist positief kan maken. In de gloed van zijn betoog bestrijdt Pim de opvatting dat het determinisme alleen tot fataliteit en pessimisme kan leiden:
‘Eene andere vraag die men kan stellen is of de determinist, die zich al dieper en dieper in den poel der zonde ziet wegzinken, geen reden heeft om wanhopend te worden. Immers, het moet hem dan wel gaan schijnen alsof zijne antecedenten hem onherroepelijk tot zulk een ellendig lot hadden veroordeeld. De vrije-wils-man zou hier, niettegenstaande hij zich door dien vrijen wil dagelijks tot zondigen zag aangespoord, steeds kunnen blijven hopen dat hij hem op een goeden dag eene betere richting zou uitdrijven.
Inderdaad, tegen dit laatste is niets te zeggen. Maar even waar is het dat de vrije-wils-man niet den minsten waarborg kan hebben voor de duurzaamheid van zulk eene verandering. Drijft de wil hem te eeniger tijd in de goede richting heen, het volgende oogenblik kan hij hem weer slecht doen handelen en hem zoo voortdurend tot zijn speelbal maken. Daarentegen kan de determinist altijd nog blijven hopen op eene duurzame verandering. Immers, dat hij zonder ophouden zondigt is geen afdoende reden om te besluiten dat zijne antecedenten hem tot een onfeilbaren val hebben gedoemd. De factoren, die op iemands handelingen werken, zijn, hoewel er nooit een enkele ontbreekt, dikwijls zoo verborgen, zoo ver met het verleden samenhangende, zich een tijd lang verschuilende om dan weder te voorschijn te komen, dat het in werking treden van factoren die men nieuw waant omdat men ze tot nu toe niet kende, aan iemands bestaan plotseling eene geheel andere wending kan geven. [...] Maar behalve nog deze gunstige wending, die uit de diepte zijner antecedenten kan opdoemen, mag de determinist ook steeds blijven hopen, dat inwerking van buiten gunstig op hem zal werken. Bij het systeem van den vrijen wil zijn “opvoeding”, “raadgevingen”, “goede voorbeelden”, enz. eigenlijk ondingen. De wil zal - is hij wezenlijk vrij - eigenmachtig beslissen of en hoe lang hij er van gediend wil zijn. Volgens het determinisme daarentegen worden, zooals ik vroeger aantoonde, iemands handelingen bepaald niet alleen door inwendige, maar ook voor een groot gedeelte door uitwendige factoren. Geen stelsel dat zoozeer liefde tot den naaste, ijver om zoo mogelijk tot zijn geluk mede te werken, tot plicht maakt als het zedelijk determinisme’ (Academische dissolving-views, pp. 345-346.)
Dat het met de lijder toch soms fout afloopt, komt volgens Pim omdat de inspanningen om zijn gebreken te boven te komen, veelal worden tegengewerkt door lagere aandriften. Zijn geweten (de ‘geest van het goede’ uit de titel) wijst hem de weg naar het geluk, door af te zien van egoïsme en idealen na te streven, maar de natuurkracht die op een lager plan in ons lichaam werkt, roept om onmiddellijke genietingen. Waar het geweten zich niet goed heeft kunnen ontwikkelen, door een gebrekkige opvoeding of slechte omstandigheden, krijgt het ruwere egoïsme van de zinnelijkheid de bovenhand. Een verandering ten goede blijft uit en de noodlottige afloop staat vast.
Lijken deze laatste overwegingen ontsproten aan Pims eigen geest, de opvatting dat alleen het determinisme ‘ware zedelijkheid’ mogelijk maakt en geenszins tot berusting leidt, kan worden teruggevonden in het boek van Scholten:
‘Het in determinisme is gewoon tegen het determinisme in te brengen, dat het den mensch tot zorgeloosheid leidt ten aanzien der bekeering. Dit bezwaar [...] drukt op het ethisch determinisme niet. De ethische determinist, in wien de zedelijke bewustheid ontwaakt, is niet zorgeloos, want, uit kracht van zijne zedelijke natuur, kan hij evenmin onverschillig blijven omtrent het goede en zijne hoogere belangen, als een hongerige determinist omtrent de spijs, die hem wordt voorgezet.’
(De vrije wil, p. 245.)
Van zelfmoord rept Scholten niet, wel Vitringa, die het in zijn studie De mensch beschouwd als dierlijk en geestelijk wezen in verband brengt met de roekeloosheid van de jeugd, die soms weinig aan het leven schijnt te hechten. Onverschilligheid, ontevredenheid en verveling noemt hij kenmerkend voor de geestesgesteldheid van de zelfmoordenaar. Zelfmoord komt volgens Vitringa voort uit de ‘neiging om tijd en ruimte benevens haar wet van oorzaak en gevolg te verbreken’. Hij onderkent deze neiging vooral bij jonge mensen en ziet er een spoor van vrijheid in, van ‘de mens als geestelijk wezen’. In Brooshoofts roman ontbreekt een dergelijke opvatting van de suïcide, wel is er een opvallende overeenkomst met Vitringa's beschrijving van de zelfvernietigingsdrang bij de jeugd.
‘Vooral opmerkelijk is het verschijnsel, dat jongelieden, die toch het meest te verliezen hebben, vaak roekeloos omgaan met het leven. Wij bedoelen hiermede niet alleen, dat de jonge mensch zich aan duizend genietingen en dwaasheden, welke het dier niet kent, overgeeft, die hij vooruit zeker weet, dat het leven verkorten en bederven, - maar 't is een erkend feit, dat jongelieden vaak zeer onverschillig zijn omtrent het leven [...].’
(De mensch beschouwd als dierlijk en geestelijk wezen, p. 203.)
Pim geeft zich intussen alle moeite het gedrag van zijn vriend te beïnvloeden. Samen trekken ze zich terug in een huisje bij Haarlem, waar ze studeren en lange wandelingen maken. Maar de duivel in Lodewijk blijft zich roeren: na een paar weken stort de jongen zich weer in het uitgaansleven. Pim overweegt zijn vriend onder curatele te laten stellen, gezien de ernstige fysieke en morele aftakeling waaraan deze ten prooi is gevallen, maar als Lodewijk behalve aan slechte vrouwen en drank ook aan het kaartspel verslaafd is geraakt, kan niets zijn ondergang meer tegenhouden. Op een ochtend, thuisgekomen van een braspartij, schiet hij zich een kogel door het hoofd.
Dan blijkt dat het determinisme deugd en plichtsbetrachting niet hoeft uit te sluiten, waardoor het boek toch nog een goede, zij het melancholieke afloop kent. Pim, die het eerst uitkomt bij het levenloze lichaam, besluit de ware toedracht van Lodewijks dood voor diens grootvader en zuster verborgen te houden. Hij verklaart zijn vriend per ongeluk met zijn pistool te hebben doodgeschoten.
Het aardige is dat deze daad van zelfopoffering niet als een verrassing komt, maar in het boek wordt voorbereid. Ook Pim wordt door de onverbiddelijke wet van oorzaak en gevolg tot zijn optreden gebracht. In zijn jeugd heeft hij gezorgd voor een jonger zusje, blind en idioot geboren door de schuld van haar vader, die een vriend in een duel had gedood en daarop zijn zwangere vrouw zo de stuipen op het lijf had gejaagd met zijn razernij dat hij zijn land ‘tot levenslang lijden’ had gedoemd. Plichtsbetrachting en verantwoordelijkheidsbesef waren Pim van kindsbeen af ingeslepen. Maar ook de omgang met Lodewijks familieleden is bepalend voor zijn optreden.

Prof. dr. Johannes Henricus Scholten (1811-1885)
Foto: Iconographisch Bureau, 's-Gravenhage
Tijdens een bezoek verneemt hij van Lodewijks zuster Lize dat zij griezelt bij de vele zelfmoorden die in de romans van Charles Dickens voorkomen. Ze verklaart haar afschuw als volgt: ‘ “Ik kan het niet beter duidelijk maken dan door het, gelukkig ondenkbare, geval te stellen dat iemand die mij na aan 't hart lag, eens zoo'n wanhopige daad beging; nu, dan geloof ik zeker, dat ik òf krankzinnig, òf zoo diep treurig zou worden, dat ik nooit meer een gelukkig oogenblik in mijn leven kon doorbrengen.” ’ (Academische dissolving-views, p. 247.) Deze waarschuwing van het meisje op wie hij verliefd wordt en dat hij zich tot vrouw wenst, kan niet anders dan van doorslaggevende betekenis zijn voor zijn latere optreden.
Lodewijks kennismaking met Pim heet in het boek ‘een schakel in de serie van oorzaken en gevolgen, die het menschelijk leven daarstelt’ (p. 223). De een is gedisponeerd tot stuurloos gedrag, de ander tot verantwoordelijkheidsbesef. De confrontatie van deze beide naturen, onder het gesternte van oorzaak en gevolg, lijkt op de ‘experimenten’ van de naturalisten, maar is ontleend aan het determinisme van Scholten.
Rob van de Schoor
