terug  begin  verderprepost
[p. 54]

De verschuivende roem van Heine



illustratie

Zoals de geschiedenis nu eenmaal in elkaar zit, plegen wij ons meer of minder zinnig oordeel over de overledenen te spuien zonder dat er uit de diepte een weerwoord kan komen. Er zijn weinigen, waarvan ik het bij tijd en wijle zo betreur dat zij geen commentaar meer kunnen leveren op onze eeuw, het belangrijke evenals de infantiliteiten die onze kranten vullen, als de man die tweehonderd jaar geleden werd geboren: Heine.

Bij die naam komt wereldwijd het beeld naar boven van de geest tussen alle fronten: de Duitser die geen Duitser, de jood die geen jood, de romanticus die een revolutionair, de spotvogel die een profeet, de dichter die een schrijver, de journalist die een dichter was, de man die doorlopend zijn tranen in pijlen omsmolt en die kortom in geen enkel hok van onze gebruikelijke schema's kan worden thuisgebracht en onze categorieën door elkaar gooit. Heine kan in velerlei opzicht aanspraak maken op het epitheton ‘de eerste’. De eerste grote feuilletonist, de eerste moderne ontmaskeraar en psycholoog, de eerste moderne Europeaan. Dat laatste, omdat juist in zijn tijd het oude Europa, waarin alle grote geesten nog min of meer vanzelfsprekend Europeanen waren geweest, van Rousseau tot Locke, van Voltaire tot Goethe, overging in het Europa der nationaliteiten, waarin de intellectuelen zich allereerst vertegenwoordigers van hun natie voelden. Heine was daarom eerder een post- dan een prenationalist, zoals de genoemden. Hij doorzag de grote vervalsing die ontstaat zodra de vanzelfsprekende natuurlijke gevoelsbinding aan het eigen land tot een publiekelijke geloofsbelijdenis wordt uitgeroepen. Hij doorzag de leugen die bij elke ideologisering samen met de waarheid naar binnen glipt en hij zag in dat opzicht ook verder en dieper dan Marx; hoe zeer hij ook sympathiseerde met de revolutie die de verstotenen en uitgebuiten zou bevrijden. Hij was kosmopoliet en Frans burger, maar geen Duitser heeft voor het heimwee brandender en tevens eenvoudiger woorden gevonden dan hij. De regel ‘Denk ich an Deutschland in der Nacht’ is na wat zich in onze eeuw heeft voltrokken de meest geciteerde Duitse versregel geworden, zeker in Nederland. Ze kreeg al bijna de status van een openingsformule en keert bij het fantasieloze epigonendom dat onze journalistieke en wetenschappelijke rubrieken beheerst als titel in talrijke varianten terug. ‘Denkend aan...’ is een cliché geworden. Als weinig andere schrijvers en dichters heeft Heine het door de wijze waarop hij zich aan gebruikelijke scheidslijnen onttrok, als overtreder van taboes en grenzen, tijdgenoten en nageslacht lastig gemaakt. Niets immers is zo irriterend als wanneer geen stempel op iemand blijft kleven, wanneer hij telkens weer net een andere identiteit blijkt te bezitten dan we zoëven dachten. Dat begon al op zeer triviaal-ambtelijk vlak met zijn geboortedatum. Als we op zijn eigen woord zouden afgaan dan valt de herdenking twee jaar te vroeg. Was die postdatering een poging om zijn geboorte te zuiveren van een smet van onwettelijkheid, omdat het huwelijk van zijn joodse maar niet erg orthodoxe ouders pas later formeel werd erkend? Het vermoeden is geuit, maar bewijzen ontbreken en het nemen van enige dichterlijke vrijheid omtrent zijn eigen persoon en leven kan bij hem ook heel andere redenen hebben gehad. En dan zijn naam... moet het zijn Harry, Heinrich of Henri? Het is als om te demonstreren dat de geest in diverse ambtelijk geregistreerde lichamen kan huizen. Om ook jegens zijn tijdgenoten billijk te blijven, moet gezegd dat hij hen echter vooral op ander plan geregeld tegen de haren instreek. Als polemist hanteerde hij het meest dodelijke wapen dat bestaat, de geestige karikatuur, en hij hanteerde het zoals geen tweede voor hem en na hem in de hele Duitse literatuur. In een van zijn meest schitterende passages schrijft hij over Lessing, dat deze andere, ook als polemist zeer andere maar niet minder trefzekere jager zijn kleine tegenstanders, zoals de predikant Götze, onsterfelijk heeft gemaakt. Als dode insecten in barnsteen blijven zij nu in het doorzichtige goud van zijn proza geconserveerd. Heine zal daarbij aan zijn eigen slachtoffers hebben gedacht. Het kost ons moeite om de platgeslagen malloten in zijn berichten niet helemaal te identificeren met de historische personages. Hij bereikt het optimum dat een portrettist, in dit geval een boosaardige, kan bereiken: We vinden het jammer dat ze in werkelijkheid misschien toch niet helemaal zo waren als hij ons verzekert. De schilder Max Liebermann zei eens tegen een kritikaster van zijn portret: ‘Das ist änlicher als Sie selbst!’

[p. 55]

Heines roem vertoont daarbij in de loop der tijden een opmerkelijke verschuiving. Beroemd en populair werd hij op jeugdige leeftijd al snel als dichter met zijn Buch der Lieder. En hij zelf is zich allereerst als dichter in de zin van poëet, van lyricus, blijven beschouwen. Wanneer hij met de hem eigen onnavolgbaar charmante lef ergens opmerkt dat Goethe, in weerwil van diens weinig vriendelijke oordeel toch niet kan verhinderen dat zijn, Heines, naam eens naast zijn eigen grote naam zal worden genoemd, dan dacht hij daarbij aan zijn gedichten. En zoals zo vaak kreeg hij zelfs gedeeltelijk gelijk, want in de vorige eeuw gold hij bij velen als de grootste lyricus na Goethe. Zijn uitgebreid journalistiek en essayistisch werk betekende, zoals voor zo veel dichters en schrijvers, toch allereerst broodwinning. Het stond lager genoteerd dan de zuivere poëzie op de index van de Parnassus. Als een van zijn belangrijkste dichters heeft Duitsland, heeft het Duitse burgerdom hem vanaf het verschijnen van zijn jeugdwerken ook erkend - moeten erkennen. Grommend soms en met het gezicht van een boer die kiespijn heeft, in verband met zijn latere en andere publicaties als politieke vijand, literair criticus, emigrant, anti-nationalist, anti-klerikaal en afvallige jood. Maar zijn gedichten vonden hun weg onweerstaanbaar naar de harten, niet in de laatste plaats via de componisten. Het Loreley-lied op de melodie van Franz Silcher, dat misschien meest gezongen en gespeelde volkslied dat geen volkslied was maar wel de topper bij het ontdooien van veel tranenklieren, kon zelfs door de nazi's niet uit de gezangbundels en anthologieën worden geweerd en het verscheen van 1933-1945 (of nog langer?) met de toevoeging ‘Dichter unbekannt’.

Het is al lang niet meer die jeugdlyriek, die tot in elke regel haar geboorte in en uit de Romantiek verraadt, die voor ons Heines genialiteit uitmaakt. Het Buch der Lieder leeft alleen nog dankzij Schubert en vooral Schumann, Mendelssohn en Brahms. Het zijn de politieke gedichten, het is zijn proza, het zijn de essayistische feuilletons met hun virtuoze wisseling van toonhoogte, hun meesterlijke formuleringen en observaties en hun geniale, haast beangstigend profetische inzichten, die een onverwoestbare authenticiteit uitstralen en een frisheid alsof ze gisteren uit de pen waren gevloeid - een uitdrukking die zelden zo van toepassing lijkt als bij Heine, want bij de meesten komt dat ‘uit de pen vloeien’ toch neer op een geduldig en hardnekkig ‘uit de pen persen’. Net als de kleuren op de olieverfschilderijen van oude meesters glanst en leeft dit proza, de tand des tijds trotserend, en hier vooral wordt Heine voor ons gevoel ook volop dichter.

Onder zijn postume critici is er één, de meest snijdende en principiële, die ik hier toch wil noemen; ook omdat hij niet tot het voetvolk van bekrompen moralisten of van antisemitische nationalisten kan worden gerekend, waar het gros van Heines heimelijke of openlijke verguizers zat. Het gaat om Karl Kraus en zijn stuk ‘Heine und die Folgen’. Kraus, geassimileerde jood net als Heine, Oostenrijks felste, onverbiddelijkste criticus en de literaire opperscherprechter in de eerste helft van deze eeuw, zag in Heine de grote taalcorrumpeerder en daarmee corrumpeerder van de geest, juist omdat hij de grenzen doorbrak die voor Kraus de heilige scheidsmuur vormen tussen literatuur en journalistieke blaaskakerij, tussen waarheid en zwendel, taal en verbaal schuim. Aan de verdediging van die duidelijke scheidslijnen tussen hoog en laag, echt en onecht, was Kraus' levenswerk gewijd, zijn hele in menig opzicht heroïsche strijd tegen de cultuurvervuiling van zijn tijd en speciaal tegen de journalistiek, die zich als prostituee van mode en waan van de dag gedraagt. Die immorele vermenging, aldus Kraus, was het gevolg van Heines verleidelijke sirenegezang dat inmiddels allerwegen werd geïmiteerd en wel op een nog veel geraffineerder, verfijnder wijze. Zijn voorbeeld droeg ertoe bij dat het woord als het ware zijn strenge kuisheid verloor (deze typering is overigens niet van Kraus maar de mijne) en nu bezit is geworden van elke intellectuele oplichter, van heel dat schaamteloze journalistieke geteisem, dat de dagbladen en tijdschriften vult na van Heine die verraderlijke indecente mengtechniek te hebben afgekeken.

Van al de aanvallen op Heine was deze ongetwijfeld het meest de moeite waard want de meest substantiële, die op het hart van Heines schrijver- en dichterschap was gericht. Kraus had namelijk gelijk. Zijn venijnige pijl was raak. Maar het merkwaardige is dat hij vooral de dichter treft, terwijl het hem om de schrijver en feuilletonist te doen was. Ik noemde de liederen van Heine die hem in zijn tijd beroemd maakten, zijn liefdeslyriek, het zwakkere deel van zijn werk. Zij zijn met nét te veel gemak en flair in elkaar geflanst en staan dan ook vol van goedkope beelden, geparfumeerde sentimenten. Wie schrijft ‘Aus meinen Tranen sprießen viel blühende Blumen hervor und meine Seufzer werden ein Nachtigallenchor’, of wie ‘Die Rose, die Lilie, die Taube, die Sonne,’ op een rijtje opsomt als voorwerpen van zijn voormalige ‘Liebeswonne’, maskeert zich slechts als de verliefde dichter. Hij kan voor hetzelfde geld x andere dingen in verrukking aanbidden als ze maar rijmen. In het voorwoord voor een herdruk zegt Heine, na weer met verzen te hebben geopend, ‘Das hatte ich alles sehr gut in guter Prosa sagen kunnen...’ maar onwillekeurig vervalt men nu eenmaal in de gewoonte van het klingelende rijm! Het grote probleem bij Heine is dan ook dat hij zijn gevoelens persifleert op het moment dat hij ze uitspreekt. Maar niemand wist dat beter dan hij zelf en zo maait hij ook in deze passage al zijn critici al het gras voor de voeten weg. Bovendien... achter de gerijmde tingeltangel klopt een volbloedig immens kwetsbaar hart. Maar hij had door - ook hierbij de eerste moderne mens - dat we onze reflectie niet meer kunnen uitschakelen. Hij herkende het gevaar van de dichterlijke taal, die een bedwelmende terugwerking heeft, zodat we door onze eigen mooie woorden overtuigd worden. En dus vermomde hij zich in het doorzichtige klatergoud van de geroutineerde romantische poëet. Het was een dubbele vermomming. Möricke, die een waarachtig en echt lyricus was, had het over de leugen die Heines hele wezen doortrok en zo ongenietbaar maakte. Wat hij niet kon zien, was dat die vermomming, die de dichter Heine zo dikwijls aanneemt, een onfeilbaar en onomkoopbaar

[p. 56]

waarheidsgevoel bedekt. Bij de naïef-gelovige Möricke vult de intensiteit van het gevoel het woord tot in de uiterste vezel, geeft er de spankracht aan die het kenmerk van de ware dichter is. Die spankracht is er bij Heine pas volop in zijn late gedichten, geschreven vanuit zijn afschuwelijk ziekbed en in het aangezicht van de dood. Dan wordt hij ook als lyricus direct en ernstig. Zelfs Kraus erkent dat.

Maar zodra hij niet uitsluitend zijn gevoelens of stemmingen bezingt doch de politiek-sociale toestanden of zijn lot als balling, zodra zijn emoties via de sublieme filter van zijn intellect geobjectiveerd warden, krijgen zijn verzen juist door hun lichtvoetige nonchalance en ironische boventoon een onweerstaanbare en volstrekt ongeëvenaard kernachtige zeggingskracht. En hetzelfde geldt voor zijn proza. Kraus mag verontwaardigd briesen over de respectloze vermenging van sferen, van niveau, van het diepzinnige en het banale, de wisseling van ernst en spot, die soms zo snel is dat beide over elkaar heen lijken te vallen. Hij mag gelijk hebben dat velen - of dat gebeurt onder invloed van Heine of door andere oorzaken laat ik nu in het midden - taal en waarheid omlaag trekken, trivialiseren en hun goedkope kloffie zo dragen alsof het uit de duurste modezaak stamt. Als Heine zich in het goedkope proza van de straat kleedt, dan barst voortdurend door de scheuren van dat alledaagse werkkostuum het lichaam dat de koninklijke herkomst verraadt; een Haroen-al-Rashid van de literatuur, terwijl al die journalisten, columnisten, feuilletonisten, waar Kraus op mikt en die sedertdien in aantal en aanzien alleen maar zijn toegenomen, eerder de valse prinsen zijn die zich voor Lodewijk XVII of de Tsarewits uitgeven. Heines vermenging van grondtonen vloeide misschien voort uit het besef dat juist die oude scheidslijnen in het tijdperk van democratie en emancipatie even hopeloos tot ondergang waren gedoemd als de standen en dat de koningen slechts een overlevenskans hadden door zich onder het volk te mengen. Ook de dichter-koning, die op zijn verheven taal-Olympus bleef, zou weleens een deerniswekkende mummie en een doelwit van spot voor de menigte kunnen worden. Kraus, nogmaals, had gelijk: Heine heeft de zuivere tonaliteit in de taal doorbroken en sedertdien werd dat legitiem. Maar tevens blijkt daarbij het verschil tussen het origineel en de kopieën. Het origineel heeft zijn eigen onvergelijkelijke authenticiteit die door geen legioenen van navolgers ooit kan worden uitgevlakt En het authentieke bezit zijn eigen geheime rechtvaardiging zoals een ster zijn eigen licht, in tegenstelling tot de planeten. Dat staat los van de eventuele schadelijke invloed of gevolgen die wij, de lateren, willen zien. En daarom had Kraus ongelijk - ongelijk op een heel ander plan.

Heeft die agressiefste cultuur-criticus van zijn tijd, ook en in de allereerste plaats in Heine het superieure talent gehaat, de spotter die op zijn beurt als hij nog leefde, hem en zijn verbeten strijd voor zuiverheid over de hekel zou hebben gehaald zoals hij dat met Ludwig Börne had gedaan? Börne, de rigoureuze moralist, principieel, strijdvaardig en bijterig, met wie Kraus wel enige verwantschap kon voelen. Heeft hij met zijn scherpe reinigingsactie

illustratie

Heines wapen onschadelijk willen maken, omdat hij begreep dat hij het te vrezen had, als de eigenaar het nog zou kunnen hanteren? Ook hier alweer lijkt Heine vooruitziend wanneer hij schrijft dat A.W. von Schlegel - een van zijn meest gehavende slachtoffers - Molière niet mocht, omdat hij instinctief voelde dat hij zelf een prooi van de grote Franse dichter zou zijn geweest, als die toen had geleefd. Geestelijke verwantschap en dus ook diep gelegen beduchtheid of antipathie reiken ver over de graven heen in een boventijdelijke commune. Kraus was een ontmaskeraar van formaat en zijn persiflages waren even geestig als dodelijk. En toch... hoe stroef, tandenknarsend, diep serieus en bitter blijft zijn polemiek en hoe zwaar gaat zijn proza gebukt onder de wil van de auteur om liefst in elke zin een briljante moord te plegen, met een flitsende inval te verrassen, als we dat leggen naast het proza van Heine, zijn natuurlijke ontwapenende lichtheid en de rijkdom van zijn spontane invalskracht. Bij Kraus druipt het zweet eraf van de intellectuele inspanning. Heine is na afloop even fris en ontspannen als toen hij begon. Hier smelt alle kritische gelijk voor het hogere gelijk van het geniale.

Zoals bekend lag hij Duitsland en de Duitse literatuurwetenschap een eeuw lang zwaar op de maag. Pogingen om voor hem een standbeeld op te richten liepen telkens vast op zichtbare of onzichtbare gevoelens van onbehagen en ressentiment. Te trefzeker en tevens te subliem had hij waarheden onthuld. Zijn ironie werd echter ten slotte door de geschiedenis zelf overgenomen: dankzij Hitler had de anti-Heine-traditie na 1945 geen been meer om op te staan. De universiteit van zijn geboortestad Düsseldorf draagt thans zijn naam. Maar uitgekeken op het fenomeen zijn we ook na tweehonderd jaar nog niet.

 

H.W. von der Dunk

prepostterug  begin  verder