terug  begin  verderprepost
[p. 57]

Lieve Moeder

Een rijmbrief van N. Beets uit 1833

In maart 1942 bereikte de KB een pakketje waarbij een schrijven was gevoegd van de Firma W.J. Thieme en Cie. uit Zutphen: ‘Hiernevens doen wij U toekomen eenige jeugdgedichten van Nicolaas Beets, waarvoor U vermoedelijk wel belangstelling zult hebben. Wij bieden ze U gaarne aan.’ Een prompte reactie van de kant van de KB bleef kennelijk even uit, want op 23 maart informeerde Thieme ongerust of de ‘autografiën van Nic. Beets (Jeugdgedichten)’ wel waren aangekomen. Op 25 maart kon bibliothecaris L. Brummel de firma gerust stellen: ‘Doordat de Nationale Bibliotheek wegens kolengebrek al van einde Januari af gesloten is, ondervindt ook de behandeling van de brieven belangrijke vertraging. Daardoor heb ik tot mijn spijt ook niet dadelijk gezien, welk interessant geschenk de Nationale Bibliotheek bij Uw brief van 11 dezer mocht ontvangen’.1

Interessant was het geschenk zeker. Het pakketje bevatte allereerst negen gedichten in Beets' handschrift en twee in afschrift uit de periode 1825 tot circa 1844. Deels gaat het om gelegenheidsverzen, zoals het 2 juli 1825 gedateerde gedicht ‘Aan mijne moeder op haar acht-en-dertigste verjaardag’, waaruit men nog niet de indruk krijgt dat er in de toen elfjarige Nicolaas een echte dichter school:

 
Lieve moeder uw verjaren
 
Moet ons allen vreugde baren,
 
Maakt ons allen regt verheugd.
 
Zou ik dan mijn zangen sparen?
 
Neen, ik stem thans blij de snaren,
 
Op deez' dag van heil en vreugd.

Waarop nog drie even brave coupletten volgen. Andere gedichten in dit genre zijn onder meer ‘Het Tuiltjen. Aan mijne geliefde Tante op heuren verjaardag’ uit 1829 en een vertederend gedichtje voor grootmoeder Maria Elisabeth, dat Beets haar op 2 juli 1841 namens zijn op 1 juni geboren zoontje Martinus Nicolaas aanbood.2 Onder de niet aan een bepaalde gelegenheid verbonden verzen bevinden zich er twee die het tot publicatie hebben gebracht: ‘De Goede Herder Ps. 23’ en ‘Cores’.3 Dit geldt niet voor het van een dramatisch motto uit De Lamartine's ‘Premier amour’ (‘Elle avait seize ans; c'est bien tôt pour mourir’) voorziene gedicht ‘De ouderlooze’ uit 1830.4 De setting wordt in het eerste couplet gegeven:

 
Het was een gure voorjaarsnacht
 
Daar zat, aan d' oever van een stroom,
 
Een wees, met uitgeputte kracht,
 
Te leunen tegen d' eikenboom,
 
Die haar voor 't nedervallend vocht
 
Niet eens geheel beschutten mocht.

Een geoefend lezer weet al dat dit nooit goed kan aflopen en inderdaad, zeventien coupletten later is het fini:

 
Dáár lag de bloem van zestien jaar,
 
Dáár lag het zielloos lichaam neêr;
 
Geheel 't gehucht beweende haar,
 
Nooit zag het zulk een Engel weer,
 
Stort Vrienden! bij 't verhaal een traan
 
Zoo is 't een arme Wees' vergaan.

Kortom, meer curieus dan een literaire herontdekking van importantie. Ditzelfde geldt trouwens voor een ook tot de collectie behorend cahier met de titel: ‘Versjes en gedichten door N: Beets (niet in den handel). van 1825 - 18..’. In dit cahier heeft - op het schrift af te gaan rond 1850 - iemand vijf gedichten van Beets afgeschreven. Buiten een drietal dat ook al in autograaf aanwezig is, levert dit cahier dus nog twee ‘nieuwe’ verzen. Het eerste is ‘Zang-Coupletten. (ter gelegenheid der zilveren bruiloft mijner ouders.)’, een ambitieus gedicht waarin samenzang wordt afgewisseld met partijen voor ‘Eéne Vrouwenstem’, dan wel ‘Eéne mannenstem’. Een aardig detail is dat bij de solo's keurig aangetekend staat wie der gasten op het partijtje dat rond 20 juli 1831 gehouden werd, geacht werd in jubelzang uit te barsten en dat hier en daar ook de zangwijze is aangegeven. Het tweede is het eenentwintig coupletten tellend ‘ 't Lied voor den Brave’ naar Gottfried August Bürger, waarop Beets in november 1832 zijn tanden stukbeet.5 Ook deze bewerking bleef ongepubliceerd, maar laten we wel zijn, er zijn veel saaiere methoden om pas verworven kennis van moderne talen te oefenen.

Raadselachtig is wie deze collectie heeft aangelegd. In ieder geval niet Beets zelf, maar dat het iemand uit zijn onmiddellijke omgeving geweest moet zijn, lijdt geen twijfel. Niet alleen het familiekarakter van veel van de gedichten pleit hiervoor, maar ook een eveneens tot de collectie behorend, door Beets' broer Willem geschreven gedicht dat hij - getuige het poststempel - op 18 april 1846 vanuit Delft naar zijn jarige vader M.N. Beets te Haarlem verstuurde. Wie het ook geweest moge zijn,6 hij of zij verrichtte daarmee een goede daad. Uit Beets' dagboek is namelijk bekend dat hij een grote opruiming niet uit de weg ging. Op 4 september 1835 tekende hij aan: ‘Groot auto da fe van prullaria. Aanteekeningen, opstellen, opmerkingen en verzen van mijn 5de tot mijn 15de levensjaar verbrand: de waarde van anderhalf riem papier. Ik verheug mij dat de nesten uit de wereld zijn, al kwamen al mijn huisgenooten er tegenop.’7

Op zich zal men geneigd zijn over de hierboven gememoreerde poëtische voortbrengselen de schouders op te halen, maar dat geldt hopelijk niet voor het nog niet genoemde en dus leukste item uit de collectie: een rijmbrief die Beets op 10 december 1833 vanuit Leiden aan zijn moeder schreef. Een document waarvan ook de eerdere bezitter, de Fa. Thieme, al de waarde in zag, want zij publiceerde de brief in facsimile in het door haar uitgegeven periodiek De Vacature, Nieuws en Advertentieblad voor het Onderwijs 55 (1939), no. 17 d.d. 21 nov. Voordat op hun beurt de lezers van het Nieuw Letterkundig Magazijn van deze brief mogen smullen, nog enige woorden ter toelichting. Beets was op 11 september 1833 in Leiden gearriveerd. Aanvankelijk lo-

[p. 58]

geerde hij bij zijn neef Abraham Scholl van Egmond8 aan de Turfmarkt. Op 17 september kwam zijn moeder over en werd er een eigen stek voor Nicolaas gevonden aan de Beestenmarkt. Zijn eerste belangrijke missie als student was natuurlijk heelhuids door de groentijd heenkomen, die een week later begon en op 19 oktober succesvol kon worden afgesloten (‘slechts op zes bestellingen gefigureerd; geexamineerd, zotheden moeten doen; maar tot geen laagheden gedwongen’, tekent hij opgelucht aan). Nu kon er serieus gestudeerd worden, maar tegelijkertijd moest natuurlijk optimaal van de pas veroverde vrijheid worden geprofiteerd. Nieuwe vriendjes maken, theaterbezoek, bijeenkomsten van het ‘Hollandsch Letterkundig Dispuut Utilitatis Ergo’ bijwonen, en wat de academiestad een kersverse student verder allemaal te bieden had. Vooruitlopend op de nadere kerstvakantie plofte in Haarlem de volgende bepaald jolige brief op de deurmat:9



illustratie

 
Leijden 10 Dec. 1833.
 
 
 
Lieve Moeder,
 
 
 
Hartlijk dank in de eerste plaats
 
Voor den haas
 
Mij zoo liefdrijk toegezonden,
 
Gistren delicieus bevonden
 
En verslonden
 
Tot op 't been.
 
Door een vrolijk drietal vraten op Chabots locaal bijeen.
 
Abram had hem laten braden
 
En den disch nog bovendien
 
Mild met appelmoes voorzien
 
En pataters overladen,
 
En mijn rijke buurman had,
 
Ruim gezorgd voor druivennat
 
Uit een meer dan daaglijks vat,
 
Om de beeten naar de magen,
 
Met een gladder vaart te jagen,
 
En - uw zoontjen - dronk en at!
 
 
 
Van wat anders zal 'k gewagen:
 
 
 
'k Laat naar Haarlems schoone stad,
 
Door de zachtbewogen baren,
 
Weer de vuile plunje varen
 
Deze reis, een heele schat!
 
'k Heb met een der onderbroekjens
 
(Zie ik wind het in geen doekjens!)
 
Onlangs een malheur gehad,
 
Daarvan is hij wat beklad;
 
Want het kleine schrijfinktvat
 
('k Zal een ander moeten kopen!)
 
Dat ik [in] mijn broekzak had,
 
Toen 'k naar de Akademie trad,
 
Ging er (schoon mijns ondanks) open;
 
Liet zijn zwarten inhoud lopen......
 
En ik merkte 't niet voor dàt
 
Ik des avonds nederzat
 
Om mijn kousen aftestroopen;
 
Op den eiken houten rand
 
Van mijn needrig ledekant,
 
Ach! hoe heeft mij in mijn droomen deze ramp op 't hart gebrand;
 
En hoe gaapte weer de wonde
 
Door dien zwavelzuren straal
 
Me in een driemaal helsche stonde
 
Toegebracht, ten tweede maal!
 
 
 
'k Wenschte dat gij deze mand
 
Door des Schippers trouwe hand
 
Mij dees week liet retourneren,
 
Ik behoef geen verdre kleêren,
 
Maar ik heb de mand van doen
 
Als ik Haarlemwaart kom spoên;
 
't Eenigst wat ik schijn te ontberen,
 
Is een overhemd of twee,
 
Want daar zit ik deerlijk mee:
 
Voeg daarbij een paar servietten
 
Om ontbijt, souper, diner,
 
Successif op klaar te zetten
 
Of te rusten op mijn kniên,
 
Bovendien,
 
Wensch 'k een luttel hoekjen kaas
 
Klaar is Klaas!
 
 
 
Verder heb ik niets te melden: -
 
Van der Velden,
 
Of een ander van zijn soort,
 
Ziet mij weldra weêr aan boord,
 
Als de Zijl (of Leydsche poort)
 
Die vast uitziet met verlangen,
 
Mij weer vrolijk zal ontfangen,
 
En ik aan des Sparens boord,
 
Met de mijnen weer den tijd,
 
Voor een week of vier verslijt,
 
- 'k Gis na tien of twalef dagen raakt de Sleutel stad mij kwijt!
 
 
 
Wees zoo goed om ondertusschen
 
Allen eens voor mij te kussen,
 
Wat de plaats hou voor een groet,
 
Die 'k mij slechts verbeelden moet.
 
In den eersten plaats mijn vader,
 
Voorts de kindren al te gader:
 
Door, wier mond nooit stille staat,
 
Trui die trouw te naaien gaat,
 
Monsieur Janus volgt daarop
 
Duivenmelker op een top,
 
Betjen met de blonde hairen,
 
Diepe denkster voor heur jaren,
 
Willem enkel drift en moed,
 
Allen, allen zij mijn groet!
 
Maar het mollige Jeannetjen
 
Moet gij zoenen in haar bedtjen,
 
Als ik meer dan eenmaal plach,
 
Wen ze met haar rozenwangen
 
Sluimrend op haar kussen lag,
 
Om den stoel 't gordijn gehangen
 
Die 't gerangschikt speelgoed draagt,
[p. 59]
 
Waar zij als de Morgen daagt
 
Weêr den dag meê aan zal vangen.
 
 
 
Groet ook Malief! in den winkel
 
Onzen opgekleeden kinkel,
 
(Maar met dezen tytel niet,
 
Die wellevenheid verbiedt)
 
Verder Sientjen en Kato
 
En den lijfknecht even zoo.
 
Voorts nog elken van mijn vrinden,
 
Dien gij op uw weg mocht vinden
 
En verwacht mij binnenkort
 
Als de poort der Akademie voor een maand gesloten wordt.

Uw Klaas

 
P.S. Nog is bij het overlezen,
 
Van dit beuzlend rijmgeraas,
 
't Denkbeeld bij mij opgerezen
 
Of 't niet beter nog zou wezen,
 
Zoo gij me in des sluitmands plaats
 
't Roode kistjen toe liet komen
 
'k Had min plaatsgebrek te schroomen
 
Dan, voor 't geen er meêgenomen
 
Dient te worden door uw
 
 
 
Klaas

Kees Thomassen



illustratie
Geboortehuis van Nicolaas Beets in de Koningstraat te Haarlem.

1Archief KB, ingekomen correspondentie 1942 no. 165 en 164, uitgaande nr. 147. De collectie heeft signatuur 133 M 34.
2Het geslacht Beets wordt behandeld in het Nederlands patriciaat 50 (1964), p. 33-52.
3N. Beets, Gedichten. 2e herz. en verm. dr. Haarlem 1847, resp. in de rubriek ‘Psalmgezangen’, op p. 10-11, en de rubriek ‘Oosterlingen’ als ‘Kores’ op p. 53.
4Hier was Beets snel bij, want Lamartine's gedicht werd voor het eerst op 12 juni 1830 gepubliceerd in La Mode, XIe livraison, t. III, p. 283-287. Vermoedelijk had de familie een abonnement. Het gedicht is als ‘Le premier regret’ te vinden in de Pléiade-uitgave van Lamartine Ĺ’uvres poétiques complètes. Paris 1963, p. 468-472. Zelfs Beets-fanaten zullen moeten toegeven dat de jonge dichter wel heel weinig overlaat van het Franse origineel.
5Een bewerking van ‘Das Lied vom braven Manne’. Zie G.A. Bürger, Sämmtliche Gedichte. Hrsg. E. Grisebach. 2 bdn. Berlin 1889. Bd. 1, p. 201-205. Wat Bürger in 120 regels af kan, kost Beets nog 147 regels.
6Als ik een kandidaat naar voren zou moeten schuiven, viel mijn keus op de genoemde broer Willem. Hoewel beide handschriften een sterk ‘schools’ karakter hebben, is de strikte overeenkomst tussen de poot van het gelegenheidsgedicht en die uit het cahier opvallend.
7Het dagboek van de student Nicolaas Beets. Ed. P. van Zonneveld. 's-Gravenhage 1983. (Achter het boek, 18, afl. 1-3), p. 190. De gegevens over Beets' studententijd ontleen ik eveneens aan deze publicatie.
8Zie over hem: Dick Welsink, ‘Camera Obscura annotata VI’, elders in dit Magazijn.
9Ik heb er van afgezien de brief met allerlei geleerde noten op te zadelen. Voor de juistheid van de transcriptie sta ik evenwel in.
prepostterug  begin  verder