In maart 1942 bereikte de KB een pakketje waarbij een schrijven was gevoegd van de Firma W.J. Thieme en Cie. uit Zutphen: ‘Hiernevens doen wij U toekomen eenige jeugdgedichten van Nicolaas Beets, waarvoor U vermoedelijk wel belangstelling zult hebben. Wij bieden ze U gaarne aan.’ Een prompte reactie van de kant van de KB bleef kennelijk even uit, want op 23 maart informeerde Thieme ongerust of de ‘autografiën van Nic. Beets (Jeugdgedichten)’ wel waren aangekomen. Op 25 maart kon bibliothecaris L. Brummel de firma gerust stellen: ‘Doordat de Nationale Bibliotheek wegens kolengebrek al van einde Januari af gesloten is, ondervindt ook de behandeling van de brieven belangrijke vertraging. Daardoor heb ik tot mijn spijt ook niet dadelijk gezien, welk interessant geschenk de Nationale Bibliotheek bij Uw brief van 11 dezer mocht ontvangen’.1
Interessant was het geschenk zeker. Het pakketje bevatte allereerst negen gedichten in Beets' handschrift en twee in afschrift uit de periode 1825 tot circa 1844. Deels gaat het om gelegenheidsverzen, zoals het 2 juli 1825 gedateerde gedicht ‘Aan mijne moeder op haar acht-en-dertigste verjaardag’, waaruit men nog niet de indruk krijgt dat er in de toen elfjarige Nicolaas een echte dichter school:
Waarop nog drie even brave coupletten volgen. Andere gedichten in dit genre zijn onder meer ‘Het Tuiltjen. Aan mijne geliefde Tante op heuren verjaardag’ uit 1829 en een vertederend gedichtje voor grootmoeder Maria Elisabeth, dat Beets haar op 2 juli 1841 namens zijn op 1 juni geboren zoontje Martinus Nicolaas aanbood.2 Onder de niet aan een bepaalde gelegenheid verbonden verzen bevinden zich er twee die het tot publicatie hebben gebracht: ‘De Goede Herder Ps. 23’ en ‘Cores’.3 Dit geldt niet voor het van een dramatisch motto uit De Lamartine's ‘Premier amour’ (‘Elle avait seize ans; c'est bien tôt pour mourir’) voorziene gedicht ‘De ouderlooze’ uit 1830.4 De setting wordt in het eerste couplet gegeven:
Een geoefend lezer weet al dat dit nooit goed kan aflopen en inderdaad, zeventien coupletten later is het fini:
Kortom, meer curieus dan een literaire herontdekking van importantie. Ditzelfde geldt trouwens voor een ook tot de collectie behorend cahier met de titel: ‘Versjes en gedichten door N: Beets (niet in den handel). van 1825 - 18..’. In dit cahier heeft - op het schrift af te gaan rond 1850 - iemand vijf gedichten van Beets afgeschreven. Buiten een drietal dat ook al in autograaf aanwezig is, levert dit cahier dus nog twee ‘nieuwe’ verzen. Het eerste is ‘Zang-Coupletten. (ter gelegenheid der zilveren bruiloft mijner ouders.)’, een ambitieus gedicht waarin samenzang wordt afgewisseld met partijen voor ‘Eéne Vrouwenstem’, dan wel ‘Eéne mannenstem’. Een aardig detail is dat bij de solo's keurig aangetekend staat wie der gasten op het partijtje dat rond 20 juli 1831 gehouden werd, geacht werd in jubelzang uit te barsten en dat hier en daar ook de zangwijze is aangegeven. Het tweede is het eenentwintig coupletten tellend ‘ 't Lied voor den Brave’ naar Gottfried August Bürger, waarop Beets in november 1832 zijn tanden stukbeet.5 Ook deze bewerking bleef ongepubliceerd, maar laten we wel zijn, er zijn veel saaiere methoden om pas verworven kennis van moderne talen te oefenen.
Raadselachtig is wie deze collectie heeft aangelegd. In ieder geval niet Beets zelf, maar dat het iemand uit zijn onmiddellijke omgeving geweest moet zijn, lijdt geen twijfel. Niet alleen het familiekarakter van veel van de gedichten pleit hiervoor, maar ook een eveneens tot de collectie behorend, door Beets' broer Willem geschreven gedicht dat hij - getuige het poststempel - op 18 april 1846 vanuit Delft naar zijn jarige vader M.N. Beets te Haarlem verstuurde. Wie het ook geweest moge zijn,6 hij of zij verrichtte daarmee een goede daad. Uit Beets' dagboek is namelijk bekend dat hij een grote opruiming niet uit de weg ging. Op 4 september 1835 tekende hij aan: ‘Groot auto da fe van prullaria. Aanteekeningen, opstellen, opmerkingen en verzen van mijn 5de tot mijn 15de levensjaar verbrand: de waarde van anderhalf riem papier. Ik verheug mij dat de nesten uit de wereld zijn, al kwamen al mijn huisgenooten er tegenop.’7
Op zich zal men geneigd zijn over de hierboven gememoreerde poëtische voortbrengselen de schouders op te halen, maar dat geldt hopelijk niet voor het nog niet genoemde en dus leukste item uit de collectie: een rijmbrief die Beets op 10 december 1833 vanuit Leiden aan zijn moeder schreef. Een document waarvan ook de eerdere bezitter, de Fa. Thieme, al de waarde in zag, want zij publiceerde de brief in facsimile in het door haar uitgegeven periodiek De Vacature, Nieuws en Advertentieblad voor het Onderwijs 55 (1939), no. 17 d.d. 21 nov. Voordat op hun beurt de lezers van het Nieuw Letterkundig Magazijn van deze brief mogen smullen, nog enige woorden ter toelichting. Beets was op 11 september 1833 in Leiden gearriveerd. Aanvankelijk lo-
geerde hij bij zijn neef Abraham Scholl van Egmond8 aan de Turfmarkt. Op 17 september kwam zijn moeder over en werd er een eigen stek voor Nicolaas gevonden aan de Beestenmarkt. Zijn eerste belangrijke missie als student was natuurlijk heelhuids door de groentijd heenkomen, die een week later begon en op 19 oktober succesvol kon worden afgesloten (‘slechts op zes bestellingen gefigureerd; geexamineerd, zotheden moeten doen; maar tot geen laagheden gedwongen’, tekent hij opgelucht aan). Nu kon er serieus gestudeerd worden, maar tegelijkertijd moest natuurlijk optimaal van de pas veroverde vrijheid worden geprofiteerd. Nieuwe vriendjes maken, theaterbezoek, bijeenkomsten van het ‘Hollandsch Letterkundig Dispuut Utilitatis Ergo’ bijwonen, en wat de academiestad een kersverse student verder allemaal te bieden had. Vooruitlopend op de nadere kerstvakantie plofte in Haarlem de volgende bepaald jolige brief op de deurmat:9

Uw Klaas
Kees Thomassen

Geboortehuis van Nicolaas Beets in de Koningstraat te Haarlem.