terug  begin  verderprepost

De neerlandistiek in Zuid-Afrika

De vakgroepen die aan de universiteiten van Zuid-Afrika Afrikaans onderwijzen, heten ‘Afrikaans en Nederlands’. Naast Afrikaans wordt er ook altijd aandacht besteed aan het Nederlands. Maar hoeveel? Wie de lijst van docenten in de neerlandistiek aan universiteiten buiten Nederland raadpleegt, ziet dat er op België na nergens zoveel docenten Nederlands zijn als in Zuid-Afrika. Dat wekt verwachtingen. Toen ik in juli van het afgelopen jaar als gastdocent naar Zuid-Afrika vertrok, had ik het idee dat daar volop Nederlands gegeven zou worden; natuurlijk niet zo intensief en uitgebreid als in Nederland zelf, maar wel had ik verwacht dat Zuid-Afrikaanse studenten Nederlands zouden leren spreken en schrijven, dat er colleges Nederlandse taalkunde zouden zijn, en ruim aandacht voor de Nederlandse literatuur in colleges die een overzicht zouden bieden van de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen tot heden.

Dat was een naïeve gedachte, of tenminste een ouderwetse. Want er is een tijd geweest, dat dit wel het geval was. In de inleiding van haar Hollandse skrywers uit Suid-Afrika (Pretoria/Kaapstad, 1934, p. XX-XXI) merkt Elisabeth Conradie op, dat het curriculum voor de studie Afrikaans en Nederlands in de jaren dertig bestond uit de bestudering van de Nederlandse canon (van de Middeleeuwen tot heden) en van de Afrikaanse canon (van 1875 tot heden). Maar die tijden zijn voorgoed voorbij. Er wordt nog heel wat aan Nederlands gedaan in Zuid-Afrika, maar de kennis van de taal is voornamelijk passief. Incidenteel wordt aan een enkele universiteit nog onderwijs gegeven in het spreken en schrijven van Nederlands. Aan de universiteit van Stellenbosch bestaat een cursus spreek-, schrijf- en luistervaardigheid waaraan studenten op vrijwillige basis deelnemen. Eerstejaars studenten die eraan meedoen kunnen hiervoor bonuspunten krijgen. Op die manier hebben in het studiejaar 1997 tien cursisten het Leuvense Certificaat gekregen (Uitgebreide Kennis). De universiteit van Port Elisabeth heeft voor een dergelijke cursus ruimte opgenomen in het bestaande curriculum. En de universiteit van Witwatersrand kent een tweedejaarscollege, waarin de studenten ‘praktiese Nederlands’ leren. In het voorwoord van het gelijknamige cursusboek schrijven de docenten Ena Jansen en Gerrit Olivier: ‘Ons boek is daarop gerig om aan voorgraadse studente die nodige elementêre kennis van Nederlands te gee, en ook om 'n bydrae te lewer tot die behoud van Nederlands aan Suid-Afrikaanse universiteite.’ Nederlands als bedreigde taal, zover is het dus al gekomen.

Voorlopig zal die situatie niet veranderen. Als één van de elf ‘amptelike talen’ staat het Afrikaans zelf onder druk, en meer en meer bezinnen de studierichtingen Afrikaans en Nederlands zich op de positie van het Afrikaans in het nieuwe Zuid-Afrika. Is het Afrikaans een Europese of een Afrika-taal? Om politieke redenen lijkt het verstandig om die vraag met de tweede mogelijkheid

[p. 4]

te beantwoorden. Maar de keuze voor Afrika en tegen Europa, heeft uiteraard gevolgen voor de status van het Nederlands in het onderwijs. In een artikel over de ‘toekomst van het Afrikaans aan de Zuid-Afrikaanse universiteiten’ vraagt de algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie, Greetje van den Bergh, zich zelfs af, of het nog wel verstandig is om uitgaande van deze situatie ‘krachtig aan te sturen op steun vanuit het Nederlandse taalgebied op grond van de taalverwantschap’. Zo'n reactie roept de vraag op of er een betere reden is dan de taalverwantschap om het onderwijs in het Nederlands op de departementen Afrikaans en Nederlands in Zuid-Afrika te rechtvaardigen. De algemeen secretaris denkt van wel: ‘Beter zou het zijn het belang van de band te benadrukken op grond van het profijt dat Zuid-Afrika daar voor de toekomst uit kan trekken: deskundigheid op het gebied van veeltalig bestuur (de Europese Unie), veeltalige rechtspraak (idem) en funderend onderwijs in een andere taal dan de thuistaal van (een deel van) de leerlingen.’ (Greetje van den Bergh, ‘Kompas: Afrika of Europa? De toekomst van het Afrikaans aan de Zuid-Afrikaanse universiteiten’, in: Ons Erfdeel 41 (1998) 1 (jan-feb), p. 93-98; citaat op p. 98) Het is een merkwaardige redenering, want er is geen enkele reden voor Zuid-Afrika om op grond van zulke overwegingen in het Nederlands geïnteresseerd te zijn: dan kan men beter meteen kiezen voor het Duits, Frans of Engels.

Het is bovendien een reactie die typerend is voor de Nederlandse houding ten aanzien van het Afrikaans. Nederland heeft zich nooit veel aan het Afrikaans gelegen laten liggen, en in het verlengde daarvan evenmin aan de positie van het Nederlands in Zuid-Afrika. Veelzeggend is dat het hoogtepunt van de Nederlandse belangstelling voor het onderwijs in Zuid-Afrika samenvalt met de tijd van de culturele boycot, toen Nederland om politieke redenen Zuid-Afrika het liefst verboden had om nog enige aandacht aan de Nederlandse taal en cultuur te besteden. W. van Zyl, hoogleraar Afrikaans en Nederlands aan de universiteit van Wes-Kaapland, herinnert zich een bezoek, eind jaren tachtig, van de directeur van het Bureau Zuidelijk Afrika van het Nederlandse Ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking: ‘Waarom deze man ons kwam opzoeken, is mij nooit duidelijk geworden. Hij begon mij en mijn collega's meteen al aan te spreken over het culturele onbenul van het Nederlands. Wat ik eruit concludeerde was dat het Nederlands vooral nooit een rol mag krijgen bij ontwikkelingssamenwerking én dat wij onze Afdeling Nederlands maar beter konden sluiten.’ (W. van Zyl, ‘Het Nederlandse boek in Zuid-Afrika’, in: Neerlandia 96 (1992), 1 (feb), p. 14-19; het citaat op p. 18) Gelukkig hebben dergelijke acties er niet toe geleid dat het Nederlands op de universiteiten geheel verdwenen is, maar aan het weinige onderwijs in het Nederlands op de middelbare school is voorgoed een einde gekomen. Tot de culturele boycot werd er voor het eindexamen Afrikaans nog altijd één Nederlands literair werk gelezen; die situatie komt nooit meer terug.

Trouwens ook na de opheffing van de apartheid is er nog regelmatig sprake van verregaande onverschilligheid van de kant van de Nederlandse overheid, als het gaat om het behoud van de Nederlandse taal en cultuur in Zuid-Afrika. Als er nog onderwijs in het Nederlands in Zuid-Afrika gegeven wordt, dan is dat niet dankzij, maar ondanks de steun die Nederland gegeven heeft. Gelukkig lijkt hier de laatste jaren enige verandering in te komen. De Nederlandse Taalunie is, zoals zij het noemt, een ‘inhaalslag’ begonnen om de leemtes en achterstanden in de kennis van de neerlandici in Zuid-Afrika weg te werken. Maar het is de vraag of dit grootscheepse programma de schadelijke gevolgen van de boycot nog ongedaan kan maken. En bovendien mag deze hulp wel met wat meer overtuiging gegeven worden dan spreekt uit de hierboven geciteerde woorden van de algemeen secretaris.

In elk geval is het nu nog niet te laat. Er is nog een groot aantal departementen Afrikaans en Nederlands; en nog steeds maakt het Nederlands deel uit van het curriculum, al is het soms maar voor een klein deel. Een vergelijking van de studieprogramma's van de betreffende departementen aan de universiteiten van Stellenbosch, Potchefstroom, Kaapstad, Wes-Kaapland en Witwatersrand leert dat er relatief weinig aandacht besteed wordt aan de Nederlandse taal- en letterkunde in vergelijking met de hoeveelheid tijd besteed aan de Afrikaanse taal- en letterkunde. Vaak is het Nederlands niet meer dan een onderdeel van een cursus waarin een bepaalde theorie wordt gedemonstreerd aan de hand van Afrikaanse literatuur en een enkel Nederlands werk. Op die manier komt het Nederlandse toneel (Heijermans) en de Nederlandse jeugdliteratuur ter sprake aan de universiteit van Potchefstroom, en is er aan verschillende universiteiten aandacht voor Nederlandstalige koloniale teksten (Nederlands-Indische, Surinaamse en Caraïbische literatuur).

Slechts een handvol colleges is exclusief gewijd aan de Nederlandse literatuur. Bijna al die colleges beperken zich tot de klassiekers uit de moderne Nederlandse letterkunde (na 1880). Colleges over historische letterkunde zijn een uitzondering en gaan vooral over de zestiende en zeventiende eeuw; de Middelnederlandse literatuur is grotendeels terra incognita in Zuid-Afrika, en aandacht voor de achttiende- en de negentiende-eeuwse letterkunde (tot 1880) is er niet of nauwelijks. Geen enkele universiteit biedt een overzicht aan van de hele geschiedenis van de Nederlandse literatuur.

Afgezien van deze, overigens begrijpelijke, voorkeur voor de moderne Nederlandse letterkunde, valt op dat de keuze van de onderwerpen uit de Nederlandse literatuur in de eerste plaats bepaald wordt door de invloed die een Nederlandse auteur op de Afrikaanse literatuur heeft gehad, en in de tweede plaats afhangt van de persoonlijke interesse van de betrokken docenten. Om met het eerste te beginnen: er is veel aandacht voor een dichter als Martinus Nijhoff, omdat zijn poëzie aantoonbaar sporen heeft nagelaten in het werk van vooraanstaande Afrikaanse dichters als N.P. van Wijk Louw, Ernst van Heerden en D.J. Opperman. Terwijl er omgekeerd weinig aandacht is voor schrijvers als Emants en Couperus, omdat het Afrikaanse verhalend proza nu een-

[p. 5]

maal een heel andere traditie en ontwikkeling kent dan het genre in Nederland.

De persoonlijke voorkeur van de docenten laat zich in de verschillende studieprogramma's gemakkelijk herkennen. Wie de docenten kent en weet op welk gebied zij uitblinken, zal het niet verbazen dat er aan de universiteit van Wes-Kaapland veel aandacht is voor Willem Frederik Hermans, dat aan de universiteit van Kaapstad colleges gegeven worden over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse literatuur, en dat aan de universiteit van Witwatersrand Multatuli's Max Havelaar voor derdejaars studenten verplichte lectuur is.

Niet minder fragmentarisch is het onderwijs in de Nederlandse taalkunde. Afgezien van het grammaticaonderwijs in de hiervoor genoemde taalverwervingscolleges komt de Nederlandse taalkunde alleen zijdelings ter sprake en dan vooral in de colleges historische taalkunde, waar zij beschouwd wordt vanuit Afrikaans perspectief. Het belang van de Nederlandse taalkunde wordt in hoge mate afgemeten aan de rol die zij gespeeld heeft in de ontwikkeling van het Afrikaans.

Het kan niet anders dan dat deze situatie bij de studenten in Zuid-Afrika leidt tot het ontstaan van grote leemtes in hun kennis van de Nederlandse taal- en letterkunde. Toch kan men daar de verschillende studierichtingen niet zonder meer verantwoordelijk voor stellen. Dat er zo weinig ruimte is voor het Nederlands hangt nauw samen met de opzet van de studie in Zuid-Afrika, waarin studenten in het eerste jaar vijf, in het tweede drie en in het derde jaar twee vakken gelijktijdig studeren. Pas vanaf de honneurscursus (het vierde jaar) kan men zich aan één vak wijden. Bovendien is de tijd die men in Zuid-Afrika aan het Nederlands besteedt, veel en veel groter is. Aan de Nederlandse universiteiten neemt het onderwijs en onderzoek in het Afrikaans een wel zeer ondergeschikte plaats in. Het zou stellig ook een gunstig effect hebben op de neerlandistiek in Zuid-Afrika als er bij de opleidingen Nederlands hier meer aandacht zou bestaan voor het Afrikaans.

Veel meer dan tot nu toe gedaan is, zal er tussen beide landen moeten worden samengewerkt. Vooral in Nederland zal het besef moeten doordringen dat hier sprake is van een unieke situatie: een land aan de andere kant van de wereld, waar ongeveer zes miljoen mensen een taal spreken die nauw verwant is aan het Nederlands. Wat dat aangaat is het eigenlijk absurd dat er aan geen enkele universiteit in Nederland een leerstoel Afrikaanse taal- en letterkunde bestaat. De bekende literatuurhistoricus Jan te Winkel zag begin deze eeuw in het louter bestaan van het Afrikaans een mogelijkheid om het Nederlands alsnog de status te verschaffen van wereldtaal. Zulke verwachtingen zal nu niemand meer koesteren, maar waar de neerlandistiek vanuit een historisch ontstane situatie een belangrijke rol krijgt opgedrongen - en dat geldt natuurlijk ook voor het Caraïbisch gebied, Suriname en in mindere mate Indonesië - mag zij natuurlijk nooit verstek laten gaan.

 

Olf Praamstra

prepostterug  begin  verder