Hendrik de Vries noemde Elisabeth Eybers zonder meer ‘de grootste dichteres in ons taalgebied’. En al weten wij dat er geen feilloze maatstaven bestaan om de hoegrootheid van een kunstenaarschap te meten, het staat buiten twijfel dat de erkenning van haar formaat in de literatuur van ons taalgebied onomwonden en eenstemmig is.
Ik stel dat hier als een feit voorop, dames en heren, niet om het te beamen, wat ik al vaker heb mogen doen, maar om toe te lichten dat dit niet zo vanzelfsprekend is als het zou kunnen lijken.
In de eerste plaats is er dat taalgebied. De gedichten van Elisabeth Eybers zijn niet geschreven in het Nederlands maar in het Afrikaans. Nu is dat een taal die zonder de wortels van het Nederlands niet in deze vorm zou bestaan, maar evenmin zonder andere taalinjecties, met name van het Engels en van diverse inheemse elementen, die het Nederlands niet kent. Dat maakt het Afrikaans tot een taal waarmee de verwantschap weliswaar groter is dan met andere talen, maar vaak ook groter lijkt dan zij werkelijk is. Wanneer wij met zoveel graagte en bewondering erkennen dat Elisabeth Eybers onze grootste dichteres is, dienen wij ons toch bewust te zijn van de gecompliceerde relatie die er bestaat tussen haar en haar vaderland van adoptie, tussen háár poëzie en de Nederlandse, - een relatie die grote tegenstellingen te zien geeft en een spanningsveld openbaart dat overigens tot een ongewoon persoonlijke poëzie heeft geleid. Dat is geen eenvoudige en in elk geval geen vanzelfsprekende situatie.
Elisabeth Eybers - in 1915 in Transvaal geboren, op zestienjarige leeftijd met haar universitaire studies in Johannesburg begonnen, op 21-jarige leeftijd debuterend met een dichtbundel Belydenis uit die skemering, de eerste bundel in het Afrikaans van een dichteres - vertelt in een interview dat zij haar vroegste gedichten in het Engels schreef en net zo goed in die taal verder had kunnen schrijven. Maar zij ontdekte op de universiteit dat Afrikaans toch, meer dan het Engels, de taal van haar milieu, van haarzelf, was. Zij koos dus voor het Afrikaans. Tijdens haar studie maakte zij kennis met de Nederlandse poëzie, met name de dichtkunst van de tachtigers en de generaties daarna, van Bloem, Nijhoff, Roland Holst, Slauerhoff en Marsman. De invloed van deze dichters op de vernieuwing van de Afrikaanse poëzie in de dertiger jaren, en van de zo genoemde Dertigers, waartoe ook Elisabeth Eybers behoorde, is aanzienlijk geweest. Toch is zij van deze groep, die belangrijke figuren als Van Wyk Louw en Dirk Opperman telde, de enige die tot een groter poëzie-minnend publiek in Nederland is doorgedrongen. De ondernemende uitgever Van Oorschot heeft met deze drie dichters in de vijftiger jaren geprobeerd belangstelling te wekken voor de Afrikaanse dichtkunst, maar alleen met Elisabeth Eybers is het gelukt, zozeer zelfs dat sinds tientallen jaren haar werk gelijktijdig in Zuid-Afrika en Nederland verschijnt.
Daarvoor zijn verschillende verklaringen te geven en de gemakkelijkste is natuurlijk dat zij in Amsterdam woont en Nederlandse geworden is. Maar dat is weer té gemakkelijk, want het eerste is pas het geval sinds 1961, en het tweede zelfs pas sinds 1986. Die verklaring is dus onvoldoende en wie het werk van de dichteres kent, weet dat in al haar bundels verzen staan vol heimwee, vervreemding, afstandigheid, verzen van geprikkelde agressiviteit tegenover fenomenen van de alledaagse werkelijkheid of van een geestesgesteldheid die indruist tegen haar natuur. Daarin uit zich ook de ambivalentie die haar zolang heeft doen aarzelen om metterdaad de Nederlandse nationaliteit aan te nemen. Ik zeg dat natuurlijk niet om haar op te zadelen met een complex tegenover haar medeburgers. Integendeel zelfs: haar ontheemding, de gevoelens van onbehagen die haar deel zijn in de confrontatie met een soms warse samenleving, de beleving van de verschillen tussen haar oorspronkelijke en haar aangenomen vaderland, deelt zij ongetwijfeld met velen die daarvoor hun eigen motieven of afwegingen hebben. Het is juist de expressie van dat onbehagen, die de expressie is van een levensgevoel dat veel verder en dieper gaat, voorbij aan ergernis en teleurstelling en gegrond in het menselijk lot, waardoor haar gedichten zoveel mensen aanspreken. De kwaliteit is overtuigend, de eerlijkheid overrompelend.
Zij heeft zelf eens in treffende eenvoud geformuleerd dat zij schreef ‘over wat van algemeen belang is’. In het kort samengevat en goed begrepen, is dat haar thematiek. Maar er is veel meer in de gedichten van Elisabeth Eybers dan deze onmiddellijke inhoud. Dat men zich daarop verkijken kan, bewees een criticus die meende dat zij te menselijk is voor het grote dichterschap. Wat hij bedoelde, formuleerde hij expliciet, namelijk dat het grote dichterschap gestalte moet geven aan een persoonlijke mythe. Ik denk dat dit waar is, maar ik denk ook dat het oeuvre van Eybers dat op een buitengewoon subtiele, maar verborgen wijze heeft gedaan. De herkenbare ervaringen van zaken als ziekte, ouderdom, verlies en dood, ontmoetingen, vriendschap, liefde, verdriet, natuurbeleving, incidenten in de dagelijkse werkelijkheid van het leven, opstaan, zich kleden, ondergaan in haar poëzie een eigenaardige transformatie. Er worden verborgen lagen door onthuld, zij worden raadselachtig, hilarisch of onthutsend. Zij krijgen een dimensie die ze niet van hun menselijkheid ontdoet, maar er een onverwacht perspectief aan geeft. Ik noem dat een persoonlijke mythe.
Daar ligt ongetwijfeld ook de verklaring van de fascinatie die van haar werk uit blijft gaan en de bewondering codificeert die haar poëzie onverminderd wekt. Maar zij schrijft die poëzie in een taal die gevormd is door de bronnen van haar oorsprong en van haar leven. Opgegroeid in een andere maatschappijstructuur, in een ander klimaat, in andere landschappen, onder een andere hemel, spreekt het vanzelf dat dit alles in haar gedichten tot uiting komt. Er ligt een brede marge tussen een thematiek ‘die van algemeen belang is’ en een specifiek Afrikaanse achtergrond die niet rechtstreeks door haar poëzie verwoord wordt. Maar haar verbeelding en de taal die zij gebruikt boren door oorsprong en expansie bijzondere bronnen aan. In beschouwingen over haar werk treft men slechts zelden reacties aan die te kennen geven dat haar taal als een bijzondere moeilijkheid wordt ondervonden. Nu en dan wordt opgemerkt dat het Afrikaans geen Nederlands is en dus niet altijd direct te verstaan; maar de meeste lezers schijnen daar geen hinder van te ondervinden. Desondanks kan het voor wie niet dagelijks met deze taal omgaat raadzaam blijken soms een Afrikaans woordenboek te raadplegen, zoals we dat ook voor andere talen doen wanneer wij serieus lezen.
De bronnen van de creativiteit werken bij Elisabeth Eybers bovendien van twee kanten. Zij vindt ze niet alleen in het Afrikaans. Sinds lang behoort onvermijdelijk ook het Nederlands als taal en als literair klimaat daartoe. Dat wil zeggen dat haar taalgebruik en de allusies daarin een ondergrond hebben die niet altijd onmiddellijk doorzichtig is en veel gecompliceerder dan vaak op het eerste gezicht verondersteld wordt.
Wat ik met dit alles wil zeggen, is dat er vele gronden zijn die de gedichten van Elisabeth Eybers voor Nederlandse poëzielezers bewonderenswaardig, aantrekkelijk, aangrijpend en ontroerend maken, maar dat zij tegelijkertijd veeleisend zijn en een inspanning vergen. Ik kom daarmee als vanzelf tot het boek dat hier vanmiddag wordt gepresenteerd. Want wie gegrepen is door de poëzie van Elisabeth Eybers, is gegrepen door de wereld van voelen, denken en leven waaruit dat werk is voortgekomen. Hij wil daar zo ver en zo diep mogelijk in doordringen, die wereld kunnen verstaan zo ver dat vanuit de eigen gevoelswereld mogelijk is.
Dat is wat Ena Jansen heeft geprobeerd in haar boek Afstand en verbintenis: Elisabeth Eybers in Amsterdam. Zij is op dit onderwerp na haar studies in Stellenbosch, Utrecht en Amsterdam gepromoveerd en de uitgebreide Nederlandstalige uitgave van haar studie vormt een introductie op het eerste plan tot het oeuvre van de dichteres. Het is geen gemeenplaats te zeggen dat Ena Jansen daarvoor de geschikte persoon bij uitstek is. Zij kent Elisabeth Eybers als geen ander door een vriendschap van vele jaren; zij is Afrikaanse als zij en door haar werkzaamheid aan de universiteit van Johannesburg is de Zuid-Afrikaanse maatschappij en de evolutie daarvan haar vertrouwd; zij kent, evenals haar onderwerp, Nederland en Amsterdam en de mentaliteit van het land uit langdurige en veelvuldige verblijven door en door; de Nederlandstalige poëzie en de contemporaine literatuurkritiek is haar werkterrein en heeft voor haar geen geheimen.
Haar boek behandelt talrijke aspecten van de gedichten van Elisabeth Eybers, de receptie en het verstaan ervan zowel in Nederland als in Zuid-Afrika, en vooral wat Nederland betreft geeft zij een haast uitputtend verslag van de waardering die de dichteres in bundel na bundel te beurt viel. Op taal en op thematiek, op eenheid en tweedeling het begrippenpaar uit haar titel: ‘afstand’ en ‘verbintenis’ binnen dit dichterschap en op het merkwaardige fenomeen van een dichteres die in twee literaturen haar thuis heeft, gaat Ena Jansen met zoveel overtuigend materiaal en deskundigheid in dat haar werk niet anders dan verhelderend kan zijn voor de problemen die zich voor een Nederlandse lezer kunnen voordoen.
Wie het werk van Elisabeth Eybers weet te waarderen, zal Ena Jansen dankbaar zijn voor de manier waarop zij die waardering consolideert.
Den Haag, 4 november 1998
Pierre H. Dubois
