G.J. van Bork
Dit jaar is het twintig jaar geleden dat Louis Paul Boon overleed. Tegelijk met Guido Gezelle, die in 1899 stierf, wordt Boon in Vlaanderen met tal van manifestaties herdacht: tentoonstellingen, boekuitgaven, lezingen, een nummer van het tijdschrift Maatstaf waarin ongepubliceerde dagboekaantekeningen zijn opgenomen en zelfs een treinreis tussen Aalst en Gent, op welk traject Boon dagelijks heen en weer reisde naar zijn werk bij het dagblad Vooruit. Eindelijk de grote erkenning waarop Boon in Vlaanderen recht heeft, zou je zeggen, hoewel...?
Er blijkt in Vlaanderen toch nog strijd te zijn geleverd over de subsidie. Aanvankelijk kreeg Gezelle tweemaal zoveel als Boon, maar na protesten van de socialistische vakbonden wordt de geldelijke steun nu gelijk verdeeld. Daarbij kwam nog een argument om de hoek kijken dat tekenend is voor wat lange tijd de receptie van Boon heeft beheerst. Boon was naar het oordeel van de subsidieverstrekkers kennelijk een teveel in Nederland uitgegeven auteur en minder Vlaams dan Gezelle. En inderdaad, vanaf De Kapellekensbaan is Boon in Nederland meer gelezen en uitgegeven dan in Vlaanderen en, zeker aanvankelijk, meer bejubeld. Daar staat tegenover dat Boon zich wat zijn taalgebruik betreft niet op de Nederlandse markt gericht heeft. Hij schreef Vlaams, om preciezer te zijn Oost-Vlaams en nog preciezer Aalsters-Vlaams. Hij schreef in de volkstaal die hij kende en deed wat dat betreft geen concessies aan zijn lezers, anders dan veel andere Vlaamse auteurs. Wie daar meer over wil weten moet er maar eens Jeroen Brouwers' herinneringen in Mijn Vlaamse jaren (1978) op nalezen, met name zijn terugblik op de tijd dat hij als bewerker van kopij werkzaam was bij Manteau.
Over zijn vroege werk oordeelde het katholieke Lectuurrepertorium dat Boon schreef
‘in een vermoeiend, gemoedsdeprimerend proza “miserabilistische romans”, waaruit een ongewone visie op het onderwerp en een sterk, hoewel ziekelijk-eenzelvig psychologisch analysevermogen naar voren treden.’
Die romans kregen dan ook een I (= verboden lectuur) en een II (= streng voorbehouden lectuur) toegekend. Dat betekende dat Boons boeken de katholieke Vlamingen nauwelijks bereikten, in elk geval niet via de bibliotheken, want die schaften zijn werk na dit advies nog nauwelijks aan.
Angèle Manteau, die aanvankelijk Boons Vlaamse uitgeefster was, zag dan ook weinig omzet van diens werk en toen Boon met de vuistdikke en experimentele roman De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren op de proppen kwam, vond ze de uitgave daarvan te duur en onhaalbaar.

Collectie Letterkundig Museum
Inmiddels was Boon via het experimentele tijdschrift Podium in Nederland al geen onbekende meer en na enige aarzeling durfde De Arbeiderspers de uitgave van deze roman wel aan, zij het dat het nog tot 1953 duurde voor het boek echt verscheen en tot 1969 alvorens het definitief zijn weg naar het grote publiek vond.
Toen er een standbeeld voor Boon zou komen in Aalst, werd dat door de Christene Volkspartij van Aalst weggestemd; het staat nu in Antwerpen. Boon was te rood, te nihilistisch en te anti-paaps. Jeroen Brouwers schreef in 1979 over Boon:
‘Twee genieën heeft de Vlaamse literatuur opgeleverd: Guido Gezelle en Louis Paul Boon. Beiden zijn door hun land- en tijdgenoten gehoond, gesard en al te lang over het hoofd gezien, om pas in hun laatste levensjaren en na hun dood de erkenning te krijgen die hun toekwam.’
Daarom moest volgens Brouwers dat standbeeld voor Boon ‘precies op de Belgisch-Nederlandse grens gezet worden’, ‘met zijn gezicht naar Amsterdam gekeerd en met zijn kont naar Vlaanderen’.
Toen Boons Pieter Daens in 1971 verscheen, zag de katholieke kerk daarin een terugkeer van haar verloren zoon, maar prompt schreef Boon zijn pornografische roman Mieke Maaike (1972) en was hij weer gewoon de ‘viezentist’ die hij steeds voor hen was geweest.
Toch werd deze ‘viezentist’ vlak voor zijn dood in 1979 uitgenodigd op de Zweedse ambassade, waar hij te horen zou hebben gekregen dat hij in aanmerking kwam voor de Nobelprijs. Boon was door Nederland en Vlaanderen voor die prijs voorgedragen en sommigen wijten zelfs zijn dood aan deze nominatie: Boon zou zo geweldig hebben opgezien tegen alles wat hem te wachten stond, dat hij de grote dag niet afgewacht zou hebben.
Boon zou de Nobelprijs vooral verdiend hebben voor wat algemeen als zijn belangrijkste werk wordt gezien:

Stofomslag van de Zweedse vertaling van De Kapellekensbaan. Ontwerp Christer Jonson.
De Kapellekensbaan uit 1953 en Zomer te Ter-Muren van 1956. Het al in 1944 begonnen tweeluik is zijn meest opvallende en experimentele werk. Het maakte bij verschijnen reacties los, die lopen van ‘chaotisch’, ‘miserabilistisch’, ‘nihilistisch’, tot aan hoge waardering, afhankelijk van het kamp waaruit de recensies afkomstig waren. Die controversiële reacties riepen de romans op omdat Boon erin brak met de traditionele romanvorm, een roman met een duidelijk begin, een climax en een positieve of negatieve ontknoping. Geen romans dus met een duidelijke en eenduidige verhaallijn. In zijn artikel ‘Wapenbroeders: satire en zelfportret’, opgenomen in Restant 17 (1989) geeft Paul de Wispelaere van Boons romanopvatting de volgende kenmerken:
‘ten eerste moest de romanschrijver een werkelijkheidsgetrouw en genadeloos beeld ophangen van zijn eigen tijd en maatschappij, en bij uitbreiding een beeld van de gehele wereld, dat zodoende universeel werd;
ten tweede moest hij zijn geïntendeerde lezers, dat is het volk, met dat beeld een kritische spiegel voorhouden waarin ze hun evenbeeld zouden herkennen;
ten derde moest hij, de schrijver, volledig zichzelf geven, dat wil zeggen het maatschappijbeeld moest tevens een zelfportret van de schrijver opleveren.
In ideologisch of levensbeschouwelijk opzicht tenslotte zijn het illusieloze romans waarin de droom van een betere wereld onafwendbaar ten onder gaat, om de zo eenvoudige als fatale reden dat de mensen die die droom zouden moeten realiseren daarvoor te dom, te egoïstisch en te kortzichtig zijn.’
Boon had zijn lezers van te voren gewaarschuwd: de roman zou de op- en neergang van het socialisme beschrijven, meldde hij in de inleiding, maar:
‘de hemel beware er ons voor moest het niet méér zijn dan dat: het is een plas, een zee, een chaos: het is het boek van al wat er op de kapellekensbaan te horen en te zien viel, van tjaar 1800-en-zoveel tot op deze dag.’ Waarom schreef Boon zo'n ‘chaotische’ roman? Vóór De Kapellekensbaan had hij wel al wat geëxperimenteerd met het genre, maar nog niet zo vergaand als hier. In feite was Boon ontevreden over de conventionele romanproductie, waarin doorgaans alleen maar een verhaal verteld wordt en waarin personages worden opgevoerd die zich ter wille van die traditionele romanstructuur hebben te ontwikkelen volgens een vast patroon, ongeacht wat de schepper van die personages intussen overkomt of voelt. Een dergelijke werkwijze vond Boon onwaarachtig en gekunsteld. Daarom verkoos hij een vorm waarin de auteur niet alleen zijn personages laat zien als de poppen waarvan hijzelf de touwtjes in handen heeft, maar waarin hij zich tevens als schrijver rechtstreeks kan uiten over die personages, over de roman die hij aan het schrijven is, en over zichzelf als personage. In De Kapellekensbaan laat hij zijn alter ego Johan Janssens die doelstelling als volgt formuleren:
‘als gij het door de kantieke schoolmeester opgesomde wilt opnieuw zeggen, dan zult ge een andere vorm moeten zoeken, maar dewelke? b.v.b. een roman waarin ge alles holderdebolder uitkeert, kwak, gelijk een kuip mortel die van een stalling valt, + ernaast en erbij uw aarzelingen en twijfels omtrent het doel en nut van de roman, + daarbij en daarenboven iets dat ge zoudt kunnen noemen de reis van nihilisme naar realisme - weg en weer, 3de klas - want vandaag is er nog hoop dat de wereld iets wordt maar morgen wordt die hoop terug de bodem ingeslagen en daarnaast zoudt ge nog kunnen randbemerkingen geven, plotse invallen, nutteloze omschrijvingen, gekapseerde erotische dromen en zelfs dagbladknipsels...
Het is te zeggen iets gelijk wij nu doen, zegt ge ... en johan janssens, de kantieke schoolmeester en mossieu colson van tminnesterie kijken u met open mond aan.’ In Johan Janssens en in het gij-personage is de auteur Boon in zijn beslommeringen en overdenkingen dan ook bijna van dag tot dag te volgen. Intussen wordt in het begin van De Kapellekensbaan bij monde van de kantieke schoolmeester nog een andere opvallende uitspraak gedaan over het schrijven van de roman:
‘naar het mij toeschijnt hebt ge daar boven op uw zolder over uw papieren gebogen gehangen om over onze wereld-van-vandaag te schrijven, en ik die al zoveel boeken mis-verstaan heb, weet dat al wat er te zeggen valt reeds gezegd is geweest [...].’
En ten bewijze daarvan draagt de kantieke schoolmeester de namen aan van een groot aantal figuren uit de wereld-literatuur die Boon hierin zouden zijn voorgegaan, zoals Prediker, Goethe, Shakespeare, Laotse, Dostojewski, Proust, Céline, Lenin, Zola, Thomas à Kempis, Miller en Boon zelf met zijn eerdere roman De voorstad groeit. Daarop reageert de schrijver met:
‘het is mogelijk dat het onmogelijk is om iets nieuwer en juister te zeggen, maar over al het geschrevene daalt het stof der tijden neer, en ik peins daarom dat het goed is als er om de 10 jaar een andere een kruis trekt over al die oude dingen, en de wereld-van-vandaag opnieuw uitspreekt met andere woorden.’

Boon aan zijn werktafel op de krant Vooruit.
Collectie Letterkundig Museum.
In hun boek Het modernisme in de Europese letterkunde (1984) schrijven Fokkema en Ibsch dat de dynamiek van de literatuurgeschiedenis nauw samenhangt met het besef bij lezers en bij schrijvers dat de reeds bestaande uitdrukkingsvormen telkens opnieuw niet adequaat blijken te zijn om de werkelijkheid tot uitdrukking te brengen, zeker wanneer die uitdrukkingsvormen steeds sterker gecodificeerd raken. Zij wijzen daar een aantal redenen voor aan. In de eerste plaats verandert de samenleving omdat zich historische veranderingen voltrekken. In de tweede plaats wijzigt zich het besef van de werkelijkheid bij lezer en bij schrijven. Het bestaande (conventionele) communicatiesysteem voldoet derhalve niet meer om de werkelijkheid tot uitdrukking te brengen.
Die redenering laat zich vlekkeloos op Boons literatuuropvatting toepassen en Boon plaatst zich daarmee duidelijk in het modernistisch patroon dat Fokkema en Ibsch in hun boek beschrijven.
Intussen veroorzaakt Boon met zijn werkwijze wel een probleem voor latere lezers. Ik moest daaraan denken toen ik het onlangs met mijn kinderen had over Wim Kan en een oude langspeelplaat van zijn oudejaarsconference uit 1979 liet horen. Ze keken me herhaaldelijk verbaasd aan wanneer ik in de lach schoot. Veel van de grappen uit Kans conference bleken zo tijdgebonden dat ze de humor ervan niet meer begrepen. Datzelfde geldt voor veel van Boons actualiteit in De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren. Uiteraard, elke tekst veroudert op den duur, al is het alleen al door het taalgebruik. Maar doordat Boon zo uitdrukkelijk gebruikmaakt van zijn eigen actualiteit en van de politiek-sociale actualiteit van zijn tijd, verdampt het begrip ervoor nog sneller. Wie weet nog, zoals Boons contemporaine lezer kon weten, dat met ‘kapitein eenoog’ de communist Lallemand werd bedoeld, de toenmalige hoofdredacteur van De Roode Vaan? Wie herkent in Johan van Boebaerde Rococo nog de schrijver Fernand-Victor Toussaint van Boelaere? Wie van Boons huidige lezers doorziet alle toespelingen op de verhoudingen binnen de Communistische Partij van destijds en die op de Congokwestie? Wie weet er nu nog precies welke rol de Belgische koning speelde in Congo of in de na de Tweede Wereldoorlog spelende ‘koningskwestie’ in België? En dat geldt dan nog in versterkte mate voor Boons Nederlandse lezers. Kan het daaraan liggen dat het juist De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren zijn die nu minder gretig gelezen worden, terwijl een roman als Menuet daar minder onder te lijden heeft?
Dat probleem doet zich overigens al langer voor bij een ander boek van Boon. Al vrij direct na het verschijnen ervan klaagde Boon dat zijn Reinaertbewerking in Wapenbroeders (1955) door het publiek zo slecht begrepen werd. Het boek, dat hijzelf tot zijn beste werken rekende, kreeg niet de ontvangst die hij daarvan had verwacht. In verschillende interviews (bijvoorbeeld in een interview met H.U. Jessurun d'Oliveira, opgenomen in Scheppen riep hij gaat van Au, 1965) klaagde hij dat men de talloze toespelingen op de actualiteit niet had doorzien.
Het is naar mijn oordeel dan ook de hoogste tijd dat zowel De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren als Wapenbroeders opnieuw wordt uitgegeven, maar dan nu in een zorgvuldig becommentarieerde editie. Boon hoort met deze werken tot onze grote en klassieke auteurs. Wat voor Beets, Multatuli, Nijhoff, Bloem en al die andere grote Nederlandstalige auteurs lean, zou ook voor Boon moeten kunnen. Dat zou pas een echte herdenkingsdaad zijn, want het gaat toch in de allereerste plaats om het werk zelf en daarvan dan weer om het belangrijkste werk. Gelukkig is er voor zo'n uitgave al veel voorwerk verricht door Jos Muyres, die met zijn proefschrift en zijn bibliografisch werk de basis heeft gelegd voor een goede historisch-kritische uitgave van Boons hoofdwerk. Nu de commentaar nog.