
Carla van der Poel
‘Versaameling’, ‘verzaemelinge’, ‘verzameling’: voor wie onderzoek doet in de Universiteitsbibliotheek Leiden zijn dit belangrijke woorden. Deze termen vormen, samen met nog enkele variaties hierop, een ‘geheime’ sleutel tot onvermoede collecties. In veel gevallen behoren zij tot het bezit van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die haar collectie in bruikleen heeft gegeven aan de bibliotheek.
In opdracht van de Maatschappij heb ik in 1998 de zeven ‘Leidse boekjes’ die met deze ingang begonnen (V170, V203-V208) doorgenomen en het materiaal zelf bekeken. De vragen waarop een antwoord werd gezocht, waren onder meer: Wat voor soort materiaal gaat achter de beschrijvingen schuil? Hoe belangrijk is het? En: is het in de Universiteitsbibliotheek of elders bekend en beschreven? De uitkomsten zouden dan tot een nieuwe oriëntatie op de verzamelingen kunnen leiden.
In onderstaand stuk ga ik in op de mogelijke redenen waarom documenten in het verleden werden gerubriceerd in verzamelingen. Daarna volgen overwegingen waarom het goed is om verzamelingen bijeen te houden. Vervolgens geef ik een korte signalering van een aantal verzamelingen, om ten slotte uit te komen bij de voor de hand liggende conclusie dat ontsluiting daarvan absoluut noodzakelijk is.
Naar de precieze redenen waarom men in het verleden een groep boeken, drukwerken of andere documenten de vrij algemene titel ‘verzameling’ meegaf, moeten we meestal gissen. Soms kwam het materiaal uit de nalatenschap van één persoon en was het zo divers van aard dat de vlag ‘verzameling’ de lading het best dekte. Dan betekende het iets in de trant van ‘wat door een en dezelfde persoon is verzameld’. In andere gevallen betekende het een reeks werken van dezelfde aard, of divers druksel dat allemaal op een onderwerp of auteur betrekking had, of van dezelfde drukker afkomstig was. Je krijgt ook wel eens de indruk dat een bibliograaf er gewoon geen raad mee wist en het dan maar de algemene term ‘verzameling’ meegaf. Dit gebeurde vermoedelijk vooral in de gevallen dat na rubricering van een schenking of aankoop een aantal stukken overbleef, waarvan men op dat moment niet wist hoe dit anders te beschrijven. Een voorbeeld: ‘Verzameling van rijmprenten’; in het onderhavige geval gaat het om slechts twee stukken! We moeten ons realiseren dat dit alles in een tijd gebeurde dat de bibliotheek nog overzichtelijk was. Er werd minder intensief gebruik gemaakt van de bibliotheek en conservatoren konden bezoekers wijzen op afwijkende ordeningsprincipes. (Uiteraard beginnen sommige verzamelingen in de Leidse boekjes ook met die term omdat die het eerste zelfstandig naamwoord van een boektitel is of een reekstitel, maar deze gevallen zijn hier buiten beschouwing gelaten.)
Is de term ‘verzameling’ op zich vaag als we ons richten naar de inhoud, nog rekbaarder is het begrip als we kijken naar de omvang die een verzameling kan hebben. Hierboven noemde ik al twee rijmprenten die samen een verzameling vormen. Dit kunnen we vergelijken met de verzameling van (slechts) drie rouwadvertenties (1144 A 17). Dit staat echter in geen verhouding tot 110 drukwerkjes van een en dezelfde drukker (1072 B 22-23) of honderden straatliedjes (1110 F 18), om maar enkele voorbeelden te noemen.
Veel stukken bevatten, omdat ze van verzamelaars afkomstig zijn, handschriftelijke aantekeningen (soms zelfs een complete brief), die vaak extra informatie verschaffen over de auteur van een geschrift, de maker van een illustratie of de herkomst uit een bepaalde verzameling. Dat betekent dat enkele documenten samen elkaar als het ware een zekere meerwaarde geven. Zo vond ik in 1371 C 7-15 een Verzameling van keur van poezie. Uit eene menigte Vaersen by een versamelt, en na den origineelen druk, van Gouverno perzikiano in het licht gegeeven. Nagedrukt door imand. Wie alleen beschikt over deze titel en de tekst, destilleert daaruit niet direct informatie over de auteur. Maar tussen een reeks geschriften van het achttiende-eeuwse Leidse genootschap ‘Veniam pro laude’ kom je snel in de richting van auteurs als Cornelis Hoogeveen, Hendrik Coster en anderen. Anders gezegd: het feit dat iets uit een bepaalde verzameling afkomstig is, verleent het soms informatie die niet uit het stuk zelf valt af te leiden. Dit pleit ervoor de verzamelingen bij elkaar te houden.
In het verleden is regelmatig gepubliceerd met gebruikmaking van boeken, manuscripten, plano's, prenten of kaarten uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek en die van de Maatschappij. Er zijn verzameld werkedities uitgekomen, bio- en bibliografieën verschenen over Nederlandse letterkunde, geschiedenis en onderwerpen op diverse andere terreinen. Het is jammer nu te moeten constateren dat er kansen gemist zijn waar het de ‘volledigheid’ betreft.
Laat ik eens een aantal voorbeelden noemen waarop de verzamelingen van de Maatschappij een belangrijke aanvulling vormen. In de portefeuille met signatuur Plano 1 2 Al 25, Verzameling portretten van en betreffende Willem Bilderdijk, trof ik een vroege ‘schijnbedrieger’ of ‘trompe-l'oeil’ aan van Willem Bilderdijk uit 1791. In J. Bosch, Speels vernuft. Willem Bilderdijk. Rebusbrieven en bedriegers, 's-Gravenhage 1981, zijn slechts twee trompe-l'oeils van Bilderdijk opgenomen, en niet deze. De twee die Bosch noemt, laat hij vergezeld gaan van een uitgebreide analyse. Bij de eerste meldt hij dat het gaat om de oudst bekende schijnbedrieger van Bilderdijk, die deze op vijftienjarige leeftijd vervaardigde. Het exemplaar uit de collectie van de Maatschappij komt uit datzelfde jaar. Bosch zou dit nooit op basis van de titelbeschrijving alleen hebben kunnen aanvragen, maar veel erger: hij kon niet eens weten dat hij ooit onder de algemene term ‘verzameling’ had moeten kijken. Bovendien zou hij, wanneer hij deze portefeuille in handen had gekregen, er nog een gedrukte transcriptie van een rebusbrief in hebben aangetroffen. Overigens is dit een variant van een versie die hij in Speels vernuft opnam, inclusief een gedrukte sleutel of oplossing.
Ook de vele portretten van Bilderdijk en diens talrijke (boek)illustraties en proefdrukken in deze verzameling moeten aan een nauwkeurig onderzoek worden onderworpen. Mogelijk is deze verzameling afkomstig van de Rotterdamse boekverkoper J. Hendrikse. Een aanwijzing hiervoor vond ik op de achterzijde van een proefdruk van een gegraveerd portret door M. Sallieth uit 1790. (Het zou ook kunnen dat J.J.F. Wap de schenker was; vergelijk de Handelingen over 1876 en 1877.) Is de potloodtekening (nr. 116) van Bilderdijk (?) ooit in gravure verschenen? Met welk doel maakte Bilderdijk in 1831 een bouwkundige schets in gewassen inkt? En was het al bekend dat Bilderdijk ook kaarten tekende? Betreft de ondertekening ‘N. Bilderdijk, Advocaat in Holland’ een gedicht van ónze Bilderdijk? Kortom, deze verzameling vraagt om nadere bestudering.
En laat degene die zich door deze opmerking gestimuleerd voelt, vooral niet vergeten om nog even te rade te gaan bij 1186 C 34, Verzameling van overdrukken betr. Willem Bilderdijk (uit de verzameling van A.C. Kruseman), waarin zich enkele afzonderlijk verschenen werkjes over Bilderdijk bevinden; dat geldt ook voor 1136 B 8, Verzameling van aankondigingen en beoordelingen van Bilderdijks complete Dichtwerken. Wie weet wat daaruit nog te voorschijn komt.
De grabbelton van de Maatschappij is ook goed voor een tot nog toe onbekend gedicht van Nicolaas Beets. Iets dergelijks verwacht je niet wanneer je 1168 A 38

Collectie UBLB.
aanvraagt: een Verzameling van stukken betreffende de onthulling van het Nationaal Gedenkteken voor november 1813 in het Willemspark te 's Gravenhage op 17 november 1869. Hierin zitten foto's, brieven, programma's, uitnodigingskaarten, prenten, een potloodtekening van een praalwagen, toespraken, gelegenheidsgedichten en krantenknipsels. Met andere woorden: heel divers materiaal. Wel heeft het allemaal op enigerlei wijze betrekking op de onthulling van het Nationaal Gedenkteken. Het handgeschreven gedicht van Nicolaas Beets, met portretfoto en lakzegel, dateert uit 1869. Beets schreef het naar aanleiding van een gedicht dat J.J.F. Wap aan hem had opgedragen, omdat Beets een feestcantate had gemaakt voor 17 november 1869. Wap was betrokken bij de organisatie van de feestelijkheden.
Jan J.F. Wap (1806-1880) was onder meer docent Nederlandse taal- en letterkunde aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Na zijn ontslag leefde hij werkloos tot zijn pensioen met een persoonlijke toelage van de koning. Hij kende Bilderdijk goed en verzorgde zelfs diens begrafenis. In de Handelingen over 1876 en 1877 is een overzicht opgenomen van zijn schenking aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Daaronder bevonden zich, naast boeken en plaatwerken, manuscripten en voorwerpen, zoals een haarlok van Bilderdijk, diens schrijfcassette en een gipsafdruk van zijn voet. Bibliothecaris H.C. Rogge kenschetste Wap ooit als ‘de milde gever van bijna alles wat op Bilderdijk betrekking heeft’.
Gezien de omvang van Waps gulle gift is men er vermoedelijk niet aan toegekomen de map goed te inventariseren. De beschrijving is dezelfde als op de lijst van schenkingen van Wap; men heeft vermoedelijk toen al het gedicht van Beets over het hoofd gezien. Een gedicht van Beets zoek je niet in een dergelijke verzameling.
Dat geldt, in een ander geval, evenzeer voor het dichtwerk van Willem Kloos: Portefeuille 1085 A 20, omschreven als een Verzameling van portretten van Nederlandse en Vlaamse letterkundigen, levert bijvoorbeeld een onbekend gedicht van deze dichter op. Deze collectie, geschonken door de weduwe van dr. G. van Rijnbach, bevat 215 prenten van Nederlandse en Vlaamse letterkundigen sinds de zestiende eeuw, ongeveer 125 opgeplakte foto's en nog enkele originele foto's van letterkundigen van na 1880. Verder zitten er enkele briefkaarten in. Onder de foto's zijn er twee van Willem Kloos. Op de achterkant van een daarvan staat een handgeschreven gedicht:

Collectie UBLB.

Collectie UBLB.
In de bundel Verzen trof ik dit gedichtje uit de familiesfeer niet aan.
Na raadpleging van convoluut 1858 B 13, Verzameling van billetten, publicaties [...] uitgeg. in Ned.-Indië, kan de vrij recent verschenen bibliografie van John Landwehr, VOC. A bibliography of publications relating to the Dutch East India Company, 1602-1800 (Utrecht 1991), met maar liefst bijna tachtig titels uit de jaren 1791-1793 worden aangevuld. Dat is zes keer zoveel als Landwehr voor die periode geeft (namelijk dertien) en een aanvulling van vijf procent op het gehele boek. Heeft de bibliograaf dan zijn werk niet goed gedaan? Nee, we kunnen hem in dezen niets aanrekenen; via de centrale catalogus was geen enkele publicatie uit deze collectie te traceren en al zou Landwehr systematisch hebben gezocht in de Leidse boekjes, dan had hij evenmin wat gevonden. Het is jammer dat een dergelijke bibliografie, waaraan zoveel aandacht is besteed (en die zoveel geld kost) zo'n groot percentage gemiste titels heeft. Bovendien zegt dit iets over de dekkingsgraad van de bibliografie. Als uit zo'n korte periode opeens bijna tachtig onbekende relevante publicaties opduiken, dan mag je gevoeglijk aannemen dat dat niet toevallig een heel actieve episode van de drukkers op 't Kasteel in Batavia is geweest. Het betekent veeleer dat er een veelvoud aan publicaties is geweest die aan de bibliograaf onbekend zijn gebleven. Mogelijk beschikken we voor de jaren 1791-1793 nu wel over een representatieve dwarsdoorsnede. Als aanvulling op Landwehrs bibliografie zou deze lijst in ieder geval ergens gepubliceerd moeten worden.
Nog een leuk voorbeeld van onbekend materiaal levert 1099 A 6, een Verzameling van aanplakbiljetten van Hollandse en Franse voorstellingen in de Schouwburg te Leiden in 1814-1819. Nadere beschouwing van deze portefeuille leert dat de bibliografische beschrijving al weer niet voldoet. Het gaat namelijk niet alleen om voorstellingen in Leiden, maar ook om twee affiches uit Amsterdam en twee uit Deventer. Bovendien betreffen de 140 aanplakbiljetten niet alleen voorstellingen in het Nederlands of Frans, maar zit er ook een Duitse bij (‘Die Entführung aus dem Serail’, Amsterdam 1808). In één geval gaat het om de aankondiging van een viering van het derde eeuwfeest van de Hervorming, natuurlijk in 1817. Herhaaldelijk worden meerdere voorstellingen op een affiche aangekondigd, soms ook informeert men de lezer over een te houden bal in lokaal ‘De Eendracht’ in de Leidse Haarlemmerstraat. Het woord ‘voorstelling’ dient men in dezen ruim op te vatten: dit varieert van opera, via toneel tot acrobatiek (balanceren met vogels of het inslikken van een degen), buikspreken, natuurkundige trucs en ‘chemische vertooningen’. Deze affiches uit 1796, 1814-1819 en 1834 vertonen als gebruikssporen bijna allemaal een kleine perforatie midden bovenaan. Dit doet veronderstellen dat ze van dezelfde plek afkomstig zijn - misschien hingen ze ooit in de Leidse Schouwburg! Het Gemeentearchief Leiden heeft geen enkel affiche uit deze periode en mist daarmee belangrijke informatie over het toneelleven in die tijd. Aangevuld met recensies van toneelvoorstellingen kan dit een boeiende studie opleveren over het soort voorstellingen, de frequentie (men had, behalve in de zomer, bijna wekelijks een voorstelling), de spelers enzovoort.
Het is slechts een greep uit het boeiende materiaal dat de verzamelingen van de Maatschappij (en van de bibliotheek zelf) ons kunnen leveren, maar het is duidelijk dat hier nog een heel terrein van onderzoek braakligt. Het toegankelijk maken van de verzamelingen zou op dit moment prioriteit moeten hebben; dit is immers een van de basisprincipes van elke bibliotheek. Daarnaast is ontsluiting noodzakelijk om doublurevorming te vermijden. Dit is op dit moment een punt van aandacht bij zowel de Maatschappij als de Universiteitsbibliotheek.
Tot die tijd zal iedereen die in Leiden onderzoek doet op het gebied van de humaniora altijd even de zeven genoemde Leidse boekjes moeten nalopen, om gebruik te kunnen maken van onbeschreven materiaal en om geen kansen te missen.
