terug  begin  verderprepost

Laudatie bij de uitreiking van de Prijs voor Meesterschap 1999 aan dr. W.P. Gerritsen

M.E.H.N. Mout

 

Dames en Heren,

 

Als voorzitter van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is het mij een eer u welkom te heten op deze feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van de uitreiking van de Prijs voor Meesterschap 1999 aan dr. W.P. Gerritsen. Hem en zijn naasten roep ik in het bijzonder een woord van welkom toe.

Eens in de vijftien jaar heeft de Commissie voor taalen letterkunde tot taak de jaarvergadering van de Maatschappij een voorstel tot toekenning van de Prijs voor Meesterschap te doen. Het advies van de Commissie met betrekking tot de Prijs voor het jaar 1999, dat door de jaarvergadering werd gevolgd, werd, zoals gebruikelijk, toegevoegd aan de jaarstukken zodat de leden er kennis van konden nemen. Het dobbert tevens rond op de elektronische golven van Internet; wie dat wil, kan zijn bootje daar heen zeilen. Bij een prijs, en zeker bij deze Prijs voor Meesterschap, hoort het prijzen en ik doe hier en nu niets liever, dr. Gerritsen, dan uw roem en eer te verkondigen.

Met deze laatste twee substantiva, roem en eer, hebben we trouwens al een koers uitgezet naar kusten die u lief zijn: het land van koning Artur bijvoorbeeld, of de contextuele studie van de Middelnederlandse letterkunde. In uw artikel ‘Wat is hoofsheid? Contouren van een middeleeuws cultuurverschijnsel’ ging het onderzoek van de middeleeuwse letteren hand in hand met dat van de geschiedenis. Het advies van de Commissie vermeldt, dat deze bijdrage ‘tot het beste [behoort] wat over dit cultuurverschijnsel in het Nederlands is geschreven’. In de laatste zin van dat artikel plaatst u uw onderzoek in een historisch perspectief van zulke weidse verten, dat het slechts vanuit het kraaiennest kan worden waargenomen. Want wat schrijft u: ‘Dat is hoofsheid, een middeleeuws cultuurverschijnsel waarvan wij allen, via een ingewikkeld historisch proces, de erfgenamen zijn.’ Historisering, ja soms zelfs tot het heden toe, en internationalisering zijn de laatste halve eeuw de belangrijkste nieuwe richtingen in het onderzoek van de Middelnederlandse letterkunde geweest. Voor uw bijdrage aan beide richtingen wordt u vandaag gelauwerd.

Uw onderzoek omspant van die laatste halve eeuw bijna veertig jaar, een periode waarin de specialisering in het

[p. 23]



illustratie
Foto: Hans Hordijk.

vak gestaag voortschreed. U werd mediëvist, maar gaf een algemene oriëntatie op het vak neerlandistiek daarmee geenszins prijs. Daarvan getuigen niet alleen uw bijdragen over negentiende- en twintigste-eeuwse thema's, maar ook uw somtijds tot het algemeen publiek gerichte verdedigingen van het belang en de waarde van de neerlandistiek. Van een scherpe scheiding tussen de beoefening van taal- en letterkunde wilde u daarbij niets weten. Een volleerd, ja meesterlijk neerlandicus moet, net als de zeeman, in principe alles kunnen wil het schip, op hoop van zegen, op koers blijven: een sterretje schieten gaat u even goed af als aan het roer staan, en als het moet klimt u het want in.

In uw dissertatie vergeleek u een Middelnederlandse Arturroman met zijn Oudfranse voorbeeld. Het vernieuwende van uw aanpak school in het onderzoek naar de manier waarop door Middelnederlandse auteurs met dergelijke voorbeeldteksten werd omgesprongen: vertaling, correctie, bewerking en herschepping werden door u beschreven en geanalyseerd. Uiteraard richtte uw belangstelling zich daarbij tevens op het vakmanschap van de auteur: zijn kennis van poëtica en retorica bijvoorbeeld, als basis van zijn literaire arbeid. Door uw initiatief werd een heel corpus Arturromans onder de loep genomen: sinds 1981 verschijnt de reeks ‘Middelnederlandse Lancelotromans’. Het kloeke tweede deel, Lantsloot vander Haghedochte. Fragmenten van een Middelnederlandse bewerking van de Lancelot en prose, gaf u zelf uit, met inleiding en commentaar. Die inleiding is niet zonder belang voor de geschiedenis van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Daar verhaalt u namelijk van de ruim een eeuw lange en bij tijd en wijle dramatische voorgeschiedenis van de editie. U memoreert daarbij onder andere de vondsten van talrijke Middelnederlandse fragmenten door de jonge Duitse geleerde Friedrich Meuser, die pal na zijn promotie in 1939 het leger in moest, diens vruchteloze contacten met de Maatschappij in de late jaren veertig en vroege jaren vijftig, geknoopt door Meusers Doktorvater, de Marburgse germanist Helm, in de hoop, overigens spoedig vervlogen, dat de Maatschappij financieel zou kunnen bijdragen aan de editie. Die editie, waar vervolgens ook allerlei andere geleerden nog aan werkten, kon u, met medewerking van drie helpers, ten slotte in 1987 het licht doen zien. Uw werk voor de reeks ‘Middelnederlandse Lancelotromans’ en uw vele inspirerende publicaties hebben beslissend bijgedragen tot een grote en ook internationaal erkende bloei van de studie van het Middelnederlands in het algemeen en de arturistiek in het bijzonder. Door uw bemoeiingen met dat laatste bracht u een verbinding tussen het Nederlandse en het internationale onderzoek van deze Europese verhaaltraditie tot stand; een verhaaltraditie, die u en vele anderen, onder wie sommige van uw leerlingen, blijft fascineren. ‘Et touz ces lieux faés / Sont Artus de Bretagne’: elk toverland behoort Artur toe.

Al dat moois wilde u natuurlijk niet voor uzelf houden. De Prijs voor Meesterschap wordt u mede toegekend voor uw werk als leermeester en inspirator van velen. ‘Het is een groot geluk, zo'n leermeester als Gerritsen te hebben gehad’, hoorde ik een leerling van u eens zeggen. Van uw in geschrifte neergeslagen inspiratie geef

[p. 24]

ik hier slechts twee voorbeelden: uw samenwerking met Willem Wilmink, die onder andere resulteerde in een teksteditie van De reis van Sinte Brandaan met een dichterlijke vertaling of moet ik zeggen herdichting in modern Nederlands, in 1997 bekroond met de Kruyskamp-prijs. En als tweede voorbeeld noem ik de mede door u geredigeerde bundel over de tot dan toe door neerlandici én wetenschapshistorici zeer verwaarloosde middeleeuwse artes-literatuur. Hier werd de zeeman tot visser, die een spierinkje uitgooide om een kabeljauw te vangen. De bundel uit 1991, Een school spierinkjes geheten, zwemt nog immer welgemoed de kabeljauw in de bek.

Vandaag wordt uw gehele wetenschappelijke oeuvre bekroond, een oeuvre dat de Commissie voor taal- en letterkunde in haar advies aan de jaarvergadering van de Maatschappij als een meesterwerk waardeerde, veelzijdig als een geslepen edelsteen, flonkerend als de gouden penning die ik u nu als tastbaar teken van de Prijs voor Meesterschap 1999 ga overhandigen.

prepostterug  begin  verder