terug  begin  verderprepost
[p. 38]

Hoe het opent, en doorgaat te openen

Maria van Daalen

 
Aan de rand van het lichaam is de doorgang
 
in dat wat glanst, in het vertelde. Even
 
goed ken ik hoe het eeuwige verlangen
 
 
 
zich een weg baant in mijn lichaam en leven
 
en hoe het als vanzelf smelt random dit je
 
geslacht. Je brengt twee vingers in met beven-
 
 
 
de beweging, ik lig open en bezit
 
vrijwel alles dat ik ben, dat je opent
 
en eet, van mij is de adem, ik bid je
 
 
 
‘ga door’, ‘wie achter is moet doorgaan’, hopen
 
witte zwarte zwanen vliegen overlangs
 
het beeld in, de richting is waar we lopen,
 
 
 
is een gezang van veren, een sneeuw bijkans
 
van als je je ogen stijf dicht doet, je sluit
 
mij in, de warmte van je hand drukt dansend
 
 
 
het gat in mijn handpalm, gekruisigd, ik uit
 
klanken die van voor de spraak bestaan, cirkel
 
rondom betekenis als de twee duide-
 
 
 
lijk jagende valken, die, zeg ik eerlijk,
 
ons volgden van boomtop tot boomtop, altijd
 
schreeuwend tussen beide, vrouwtje en tersel,
 
 
 
maar de zandweg in Balloo boog af terwijl
 
wij elkaar aarzelend de woorden in de
 
mond legden en wezen, ‘weet je’, ‘afgeleid
 
 
 
door je geur boog ik me, om je te vinden,
 
over je lichaam, tegen de stam van een
 
droge boom’, pijnhout vol naalden, en de wind
 
 
[p. 39]
 
opende een deur in de nacht, de mannen-
 
geur die mij vult en in stoten niet vooruit
 
komt, maar breder wordt totdat alle wanden
 
 
 
wijken, in de kieren verschieten duizend
 
sterren, ‘doe een wens voordat het voorbij is’,
 
ik kan kussen wat aanwezig is, de huid
 
 
 
aanraken, je telkens opnieuw ‘die jij is’
 
benoemen, omdat ik inadem, alvast
 
een stem ben en mijn geur zich hecht, belijdenis
 
 
 
van een verbinding totdat je je wast en
 
mij vergeet, een dag lang, dagen, en nachten
 
later kom je mij tegen zoals je past
 
 
 
en je aantrekt - er is dit helder wachten,
 
tintelend tegen de sneeuw die onderweg
 
je zicht belemmert, je rijdt naar huis, zachter
 
 
 
worden de lijnen, de lichten schuiven weg
 
over je gezicht, de duisternis tussen
 
twee stiltes wordt groter, kijk maar, en slechter
 
 
 
zicht, zo raakt het vertrek vertraagd, de lussen
 
van het gesprek buigen naar buiten en gaan
 
voor elkaar opzij, als ik de laatste kus
 
 
 
met mijn vingers op je voorhoofd druk, de maan
 
verdwijnt in de mist en ik herken mijn stem
 
niet meer op je gsm, je dan toestaan
 
 
 
om in de verte te verdwijnen, bestemming
 
onbekend, de deur blijft open, ik ben
 
er bijna, als altijd zit verlangen klem.
Geschreven bij het bronzen beeld Poort van Noud de Wolf.
prepostterug  begin  verder