Adèle Nieuweboer
Weinigen kennen Maria van Schie; wie haar naam wel iets zegt, heeft haar ontmoet als schaduw van haar echtgenoot, de Delftse patriotse auteur Gerrit Paape (1752-1803). In 1997 werd in Met en zonder lauwerkrans voor net eerst aandacht aan Maria besteed om haar eigen dichtwerk.1 Helaas was nog veel onbekend en bleef zij daardoor passen in het beeld dat we van haar kennen: het door Gerrit getekende silhouet dat prijkt op de titelpagina van zijn autobiografie Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap.
In het hier volgende zal haar zon Gerrit even worden verduisterd en Maria zelf naar de voorgrond gehaald. Het zal geen totale eclips worden, maar de toeschouwers zijn mogelijk ook al blij met een partiële.
Op 13 december 1803 troffen de lezers van de Binnenlandsche Bataafsche, nu Delftsche Courant een advertentie aan die in de categorie ‘personalia’ zijn gelijke niet kende. De tekst was niet alleen buitengewoon omvangrijk, maar kenmerkte zich bovendien door een toonzetting die volstrekt afweek van de gebruikelijke standaardformules. Het was vooral deze kennisgeving van het overlijden van Gerrit Paape waarmee Maria van Schie zich liet kennen als een sterke, zelfstandige persoonlijkheid en een liefhebbende echtgenote en moeder door dik en dun. Wonend in de Boekhorststraat te Den Haag, waar Paape zich de laatste jaren van zijn leven als anoniem ambtenaar in de tijdgeest had gevoegd, had zij er geen behoefte aan om deze - bepaald niet altijd welwillende - omgeving openbaar te maken welke ramp haar was overkomen. Het was haar voldoende om hem daar zelf de eer te geven die hem toekwam en hem eerste klas te laten begraven in de nieuwe kelder van de Kloosterkerk. Slechts naar de oude vrienden en bekenden in Delft gingen haar volgende gedachten uit:
*** Heden, in den vroegen morgen, wierd ik in den bittersten Rouw gedompeld, door het afsterven van myn waardigen Egtgenoot GERRIT PAAPE, in den Ouderdom van byna 52, en na eene Egtverbintenis van ruim 27. Jaaren. De gevolgen van Waterzugt en zwaare Verstoppingen, die hem den tyd van 12. weeken aan zyn legersteede gebonden hielden, maakten een einde aan zyn by yder bekend nuttig en werkzaam leeven. Ik gevoele dit verlies te meer, daar hy een Zoon nalaat, die in zyn vak den raad, hulp en ondersteuning van een welmeenenden Vader nog zo nodig had. Dan, berustende in Gods wil, verzoeke aan Vrienden en Bekenden, om verdere smertelyke denkbeelden niet te vermeerderen, my van Brieven en Rouwbeklag te verschoonen.
Den Haag
8. December 1803.
MARIA VAN SCHIE,
Wed. GERRIT PAAPE.
Controversieel als hij was, zou het voor de hand hebben gelegen als er op Paapes overlijden zo niet lijkdichten van vrienden, dan toch schimpverzen van vijanden zouden zijn verschenen. Tot op heden echter is er van geen van beide een exemplaar getraceerd. Het is alsof Maria de regie heeft overgenomen en niemand haar strenge woorden heeft durven negeren. Waarschijnlijk is het ook aan haar toe te schrijven dat haar echtgenoot sinds het van kracht worden van zijn nieuwe maatschappelijke positie weinig tot niets meer van zich heeft laten horen, waardoor nog tot 1953 als jaar van overlijden 1798 werd aangehouden, wat overigens ook daarna nog decennialang uit de biografische woordenboeken werd overgenomen.2
Maria kwam in 1774 met Gerrit in contact dankzij haar vader, Roelandus van Schie. De inmiddels bejaarde Van Schie had zich vol enthousiasme in de kringen van dichtende burgers begeven en legde grote belangstelling aan de dag voor het debuut van zijn jonge stadgenoot: Vrugten der eenzaamheid. Door toedoen van Van Schie werd Paape opgenomen in het Haagse dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen vlijt’. Ook Maria vond kennelijk in haar vaders enthousiaste dichterschap aanleiding om haar pen te slijpen; van haar hand werd althans door Gerrit een dichtstuk onder de aandacht gebracht van het dichtgenootschap: Boetzang aan Nederland; ter gelegenheid van Gods oordeelen over het zelve, waarvan helaas geen exemplaar is overgeleverd. De warme vriendschap die er dankzij het - merendeels religieus getinte - dichtwerk ontstond, leidde in 1776 tot een huwelijk, waarvan kameraadschap en trouw de belangrijkste pijlers zouden blijken te zijn, gevoed door en zich uitend in beider literaire productie. Maria's werk volgde vooral de keuzes die Gerrit in het leven maakte; Gerrit op zijn beurt heeft een aanzienlijk deel van hun huwelijk al schrijvend in stand gehouden.3
Het jonge paar legde zich meteen gezamenlijk toe op de dichtkunst. Gerrit publiceerde in 1777 Bijbel- en Zededichten, waarvoor Maria een drempeldicht schreef. Maar daarbij bleef het niet: in het tweede deel, getiteld Bijbel- Zede- en Mengeldichten (1778), werden twee gedichten van haar hand in het hoofdwerk opgenomen: ‘De dischgenoot aan 's Heeren avondmaal’ en ‘Dankbetuiging aan God voor de herstelling mijner gezondheid’, beide ondertekend: M.V.S. Gerrit doet er - goedbedoeld - in zijn voorwoord wat bevoogdend over: ‘De vaarzen, getekend M.V.S. zijn van mijn Echtgenoote en door mij nagezien; ze waaren van te lieve hand omze der vergeetelheid opteöfferen; ook schijnt mij toe datze het licht wel waardig zijn.’4
In 1778 pakten donkere wolken zich samen boven de Delftse echtelieden, zoals ook al blijkt uit de titel van
de laatstgenoemde tekst van Maria. Het ging hier kennelijk niet om een eenvoudige verkoudheid. Zelf schrijft ze over haar ziekte in dit gedicht:
Dat zij uiteindelijk niet overleed, was de verdienste van de jonge Delftse arts Jacob Verbrugge, die tot hun ontsteltenis zelf in februari van dat jaar plotseling kwam te sterven. Gerrit en Maria konden niet anders dan in grote droefheid een gelegenheidswerkje uitgeven, met een gedicht van Gerrit en een grafschrift van Maria. Dat laatste is in slechts enkele, krachtige regels volkomen duidelijk over de betekenis van het verlies van zo'n veelbelovend jong leven:
Kort daarna kwamen Maria en Gerrit voor nieuwe tegenslagen te staan. Gerrit werd ontslagen bij de Delftse plateelbakkerij waar hij de kost verdiende, waardoor de armoede op de loer kwam te liggen. Maria's grootvader Johannes Mommaal werd ten grave gedragen. Gerrit zelf werd door een ernstige ziekte geveld, wat uiteraard een aantasting van hun financiële armslag betekende. En tot overmaat van ramp overleed ook Gerrits geliefde vader. Ongetwijfeld hebben Maria en Gerrit in deze rampjaren verlangd naar een teken van een beter toekomend leven: een jonge twijg aan hun huwelijkse stam. Maria - zeven jaar ouder dan haar echtgenoot - was in 1779 al 34. Behalve een kennelijk heersende trend, en de hoop op enige inkomsten, zal ook het verlangen naar kinderen hebben meegespeeld bij het schrijven van hun bundel kindergedichtjes in het genre van Van Alphen: Kinderpligten, gebeden en samenspraken, die nu, voor zover te achterhalen via reconstructiewerk door Anne de Vries, opnieuw beschikbaar is, maar waarin de gedichten van Maria helaas niet zijn te onderscheiden van die van haar man. Wellicht bood dit gezamenlijke werkstuk enig houvast toen in 1781 hun dochtertje Adriana Maria kwam en ging.
In 1783 ten slotte overleed Maria's inmiddels vijfentachtigjarige vader. Op beide zeer nabije persoonlijke verliezen lieten de bedroefde echtelieden gelegenheidsbundeltjes drukken, waarin behalve eigen dichtwerk ook dat van vrienden was opgenomen.6
Teveel onheil kan een omslag in een mensenleven teweegbrengen. Gerrit, die inmiddels weer werk had gevonden bij de Delftse Kamer van Charitaten, transformeerde zich van braaf dichtende christen tot een verdienstelijk patriots politicus en chroniqueur, die geleidelijk aan een centrale figuur werd aan de linker flank van de beweging. Het ging van overtuiging naar fanatisme, dat uiteindelijk zou eindigen in verbittering, een proces dat van het begin tot het einde werd begeleid door beider literaire producten, variërend van gelegenheidsverzen, republikeinse liederen, dito toneelstukken, spotbiografieën, autobiografisch werk en bewerkte vertalingen tot geschiedschrijving in brieven. Maria beperkte zich daarbij hoofdzakelijk tot gedichten en liederen.
Zij deed in de nog kinderloze Delftse jaren in haar activiteiten niet veel onder voor haar man. In de Delftse Hollandsche Historische Courant van 15 september 1784 vinden we het verslag van een grootscheepse manifestatie op het exercitieveld van het Genootschap van Wapenoefening, waarbij alle leden en hun echtgenotes aanwezig waren. De bijeenkomst gold de plechtige overhandiging van de Bardezaan, met bijbehorende versierselen, aan de voor de gelegenheid gekozen hopman van het genootschap. Het betrof een oud stuk wapentuig uit de tijd van Philips II. In 1674, toen het Spaanse gevaar dankzij de Oranjes was geweken, werden de bardezanen door de toenmalige schutterijen ingeleverd, en gingen deze een slapend bestaan leiden. Nu echter niet de Spanjaarden maar de Oranjes in de ogen van de patriotten de vijand van het volk bleken, diende de schutterij in ere te worden hersteld, met als inspirerend symbool de bardezaan. Gerrit Paape, directeur van het genootschap van wapenoefening, hield een opzwepende toespraak ‘als zynde niet gewoon te veinzen, maar in 't geheim of openbaar recht voor de vuist te spreeken’, aldus de krant. In het verslag lezen we ook dat na de overhandiging drie kinderen te voorschijn kwamen, ‘met een fraayen Koperen Trommel [...] gevolgd door eenige Vrouwen, die de Echtgenoote van de eerst gem. Directeur aan 't hoofd hadden, welke Dichteres, uit naam der Vrouwen, den Trommel met eene Dichterlyke aanspraak, het Genootschap ten geschenke aanbood’. Dit gedicht van Maria is na de diverse toespraken, en gevolgd door een dankgedicht van Gerrit, opgenomen in de bundel De Bardezaan der voorige delfsche schutterlyke Hopmannen.
De Delftse patriottenjaren waren niet de slechtste in hun huwelijk, te meer daar in 1786 eindelijk Johannes Roelandus werd geboren, die op 25 april werd gedoopt.7
De patriottische euforie zou echter niet lang duren. Toen in 1787 het tij keerde, verbleef Gerrit voor een vergadering in Amsterdam, vanwaar hij niet meer thuis kon komen. Vrouw en kind hebben menig spannend ogenblik meegemaakt, telkens als het Oranjegepeupel de woning dreigde te plunderen en zij over de daken moesten vluchten, zoals Gerrit beschrijft in zijn autobiografie Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap. Magdalena
Constantia Verhaast verdiende Gerrits eeuwige dank door hen te helpen om uit de klauwen van de woedende menigte te blijven. Uiteindelijk kon Maria zich in Amsterdam bij haar man voegen. Het verblijf daar duurde echter kort. Met de grote stroom der vluchtende patriotten verlieten zij het land. Na een verblijf in Antwerpen en Brussel vestigde Gerrit zich in december 1789 in Duinkerken; Maria en Johannes Roelandus volgden kort daarna. Ondertussen werd in de Republiek gewerkt aan Paapes verbanning en vermaakten de nieuwe machthebbers zich met spotteksten waarin zowel Gerrit als Marie het mikpunt waren.
Ogenschijnlijk leidde de familie in Duinkerken een teruggetrokken leven. Gerrit ijverde voor geldelijke ondersteuning, maar viel door het late tijdstip waarop hij in Duinkerken arriveerde buiten de uitkeringsregelingen. Er zat niets anders op dan te schrijven en te publiceren om zijn gezin niet van honger te laten omkomen. Pieter van Schelle, die in Duinkerken een vluchtelingenuitgeverij had opgezet, bracht delen van zijn werk uit, waarbij mogelijk het eerste contact werd gelegd tussen Johannes Roelandus Paape en de enkele jaren oudere dochter van Pieter: Sara van Schelle. Ondanks het vrijwel onafgebroken schrijfwerk slaagde Gerrit erin om op het voorste plan van de revolutie te blijven, waardoor hij ten slotte werd uitverkozen om als Daendels' secretaris en prfunctionaris avant la lettre het vaderland te helpen bevrijden.8
Gerrit Paape functioneerde kennelijk goed in zijn nieuwe rol van propagandajournalist. Terwijl de revolutie verder trok, werd hij in Den Bosch achtergelaten om er van de 's Hertogenbossche Vaderlandsche Courant een papieren patriottisch wapen te maken. Waarschijnlijk zijn vrouw en kind hem daarna spoedig gevolgd. Uit 1794 althans is van Maria bekend: Republikeinsch Gebed door eene Vaderlandsche Vrouw. Het werk is blijkens een advertentie in Den Bosch uitgegeven; er is helaas geen exemplaar bekend.
Na verloop van tijd voelde Gerrit zich echter aan de zijlijn geraakt, waarop hij naar het westen vertrok en zich na een bezoek aan de familie in Delft in Dordrecht vestigde. Daar begon iets te gloren van de eer waarvan hij meende dat hem die rechtens toekwam. Alles had Gerrit ingezet voor het hogere doel: het ware, radicaal democratische patriottisme, en veel hadden hij en Maria erbij verloren. Hij verwachtte enige compensatie van de nieuwe machthebbers. Die leek hij te krijgen toen hij voor de burgers van Dordrecht lid werd van een commissie die de wandaden van het vorige bestuur moest onderzoeken. Voor deze commissie vestigde hij zich samen met Fadde en Weynckens, twee andere commissieleden, op een kamer in de Venestraat in Den Haag. Centraler had deze spin niet in zijn web kunnen zitten. De wel zeer korte afstand tot het Binnenhof moet mede hebben bijgedragen tot intensivering van zijn activisme als president van de nogal radicale Centrale Vergadering die

Foto: UB Leiden.
voorafgaand aan de gekozen Nationale Vergadering in 1795 en 1796 in Den Haag bijeenkwam. Ook hier echter leerde Paape zijn tegenstanders kennen. De commissie werd ontbonden en met het in werking treden van de Nationale Vergadering verloor de Centrale Vergadering zijn betekenis. In mei 1796 schreef hij zich in op de Lange Beestenmarkt, een adres dat ligt in het Lutherse Hofje van Wouw. Mogelijk was die handeling vooral bedoeld om Marie en zoon in Den Haag een ordentelijk onderdak te verlenen. Wanneer zij naar Den Haag zijn gekomen, is niet vast te stellen. Wel vinden we ook hier weer sporen van Maria's trouwe steun aan Gerrits goede zaak. In de Verzameling van Republikeinsche Volksliederen, geschikt om gezongen te worden by het planten van een nieuwen Vryheidsboom in den Haag, uitgegeven door Gerrit Paape bij J.C. Leeuwesteyn in 1796, treffen we ook een lied van haar hand aan, getiteld: ‘De Vryheid is het goed van alle burgers, zo wel armen als ryken’. Het was te zingen op een in de achttiende eeuw voor zeer veel gelegenheidsgedichten gebruikte melodie: ‘Gy die met my thans zyt ter Jagt, - adieu!’, en ondertekend: M.v.S.
In diezelfde maand mei 1796 trad Gerrit op verzoek van de Leeuwarder radicale democraten als een van de ongeschoolde juristen toe tot het Hof van Friesland. Wellicht zou zijn carrière als rechter beter zijn verlopen als hij zich ervan had onthouden om tegelijkertijd als journalist en parlementaire verslaggever van de Friesche Courant op te treden.
Blijkens Maria's lied (De ware burgervrienden in de ambten!) moet Gerrits benoeming voor haar een soort gebedsverhoring zijn geweest. Of, en zo ja wanneer, zij hem naar Leeuwarden is gevolgd is niet met zekerheid te zeggen. Wel is vast te stellen dat zij ook hier de denkbeelden van Gerrit trouwhartig kracht bijzette met haar eigen werk.9
In 1797 raakt Gerrit Paapes spel uitgespeeld. Wanneer, ongetwijfeld tot grote opluchting van Maria, in 1798 eindelijk een regelmatige en respectabele bron van in-

Boekhorststraat 123.
komsten wordt gevonden, droogt ook de patriotse inkt snel op, en begint er eindelijk iets van een normaal gezinsleven te ontstaan. Daarin deelden ook Maria's oudere, bij haar inwonende, ongehuwde zuster Neeltje en haar moeder. Beiden overleden kort na Gerrit, in 1804. Opmerkelijk is dat zij op Eikenduinen werden begraven, een particuliere onderneming waar vrijwel uitsluitend rooms- en oud-katholieken een laatste rustplaats vonden. Moeder Mommaal woonde bij overlijden in de Zuilingstraat, midden in de katholieke buurt rond de kapel van het Spaanse Hof op het Westeinde. Vanuit deze buurt werden de begrafenissen op Eikenduinen gecontroleerd en geregeld. Het is niet onmogelijk dat de vrouwen, en wellicht zelfs Maria van Schie, zich zo niet officieel, dan toch in de geest hebben aangesloten bij deze denominatie. Zo zou Gerrit nog postuum de climax hebben bereikt van zijn pogingen om een wijsgeer te worden als Thomas, het idool van zijn jeugd volgens zijn autobiografie. Thomas zou zijn ‘bekeerde’, van origine roomse vrouw hebben toegestaan om op haar sterfbed van een roomse priester de laatste sacramenten te ontvangen, want ‘het was een zaak tusschen Onzenlie-
venheer en mijn Vrouw, waar mede ik, zonder in eens anders rechten te treeden, mij in 't geheel niet bemoeijen mogt’.
Maria bleef nog enige tijd in Den Haag, waar zij in mei 1806 in de Wagenstraat is gaan wonen. Mogelijk is zij begin 1807 naar Delft vertrokken. Of Johannes Roelandus al die tijd bij haar woonde, is niet bekend. Ook zonder de hulp van zijn vader ontwikkelde hij zich tot ambtenaar derde klasse voor de koloniën, en vestigde zich, mogelijk dus pas na Maria's overlijden (Delft, 12 februari 1815) te Rijswijk. Hij trouwde op 19 juli 1820 te Leiden met Sara van Schelle (zijn wel zeer prille jeugdliefde?). Hij bracht het tot assistent-resident op Ambon en overleed op 52-jarige leeftijd, op 1 november 1838. Of hij ook de gedrevenheid van zijn vader had en als een Multatuli wantoestanden aan de kaak stelde, valt zeer te betwijfelen. Zijn moeder heeft hem - voor zijn eigen welzijn - vermoedelijk een andere weg gewezen.10
| 1776 | Boetzang aan Nederland; ter gelegenheid van Gods oordeelen over het zelve. Door M.V.S. (geen exemplaar bekend). |
| 1777 | ‘Op de Bijbel en Zededichten van mijnen echtgenoot Gerrit Paape’, ondertekend: Maria van Schie, in: Gerrit Paape, Bijbel-en Zededichten, p. XI-XII. |
| 1778 | ‘De Dischgenoot aan 's Heeren Avondmaal’, ondertekend: M.V.S., in: Gerrit Paape, Bijbel- Zede- en Mengeldichten, p. 103-106. |
| 1778 | ‘Dankbetuiging aan God voor de Herstelling mijner Gezondheid’, ondertekend M.V.S., in: Idem, p. 248-251. |
| 1778 | ‘Grafschrift’, ondertekend: M. van Schie, Nu Paape, in: Ter gedachtenisse van den zeer geleerden heere, Jacob Verbrugge, medicinae doctor binnen Delft, overleeden den xii van sprokkelmaand mdcclxxviii. In den ouderdom van bijna xxiv jaaren, p. 7. |
| 1779 | Bijdragen in Gerrit Paape en Maria van Schie, Kinderpligten, gebeden en samenspraken; geschikt naar de vatbaarheid der jeugd. (Geen exemplaar bekend. De bundel is (deels?) gereconstrueerd door A. de Vries, maar daarbij was niet vast te stellen welke bijdragen van Maria van Schie zijn.) |
| 1781 | ‘Op het overlijden van mijn dochtertje, Adriana Maria Paape’, in: Op het overlijden van mijn dochtertje, Adriana Maria Paape; gebooren den xxiii van Lentemaand, overleeden den xii van Slagtmaand, p. 10-14. (Overige gedichten van Gerrit Paape, Roeland van Schie en Carel Webbers; geen ex. in openbare collecties bekend.) |
| 1783 | ‘Op het overlijden van mijnen vader Roeland van Schie, den xxx van herfstmaand mdcclxxxiii’, in: Lijkzangen, p. 9-10. (Overige gedichten van Gerrit Paape, P. van Engelen, Gerardus Verbeek, Anna Lucretia Verbeek, geb. Oleay; geen ex. in openbare collecties bekend.) |
| 1784 | Herdruk van bijdragen uit Kinderpligten in: Verzameling van gedichtjens ten dienste der schoolen. |
| 1784 | ‘Ter Zilveren Bruilofte van den welëdelen gebooren heere, mr. Franc vander Burch, W: Z: Veertigraad en Oudpresident Schepen der Stad Delft, Hoogheemraad van Delfland, enz: enz: en de welëdele gebooren vrouwe, Anna Maria vander Goes’, ondertekend Maria Paape, Geb: van Schie, in: [Idem], Gevierd te Delft den xxiii van Grasmaand, mdcclxxxiv, p. 17-18. |
| 1784 | ‘Grafschrift, op den Overijsselschen ridder, Johan Derk baron van der Capellen tot den Pol’, ondertekend Maria Paape, Geb: van Schie, in: Gedenkzuil voor Johan Derk, baron van der Capellen tot den Pol, overleden te Zwolle, den 6den van wiedemaande, des jaars 1784, p. 56. |
| 1784 | ‘Ter gelegenheid van hel schenken van een Koperen Trommel; aan de Leden des Genootschaps’, ondertekend: M. Paape, geb: van Schie, in: De Bardezaan der voorige Delfsche Schutterlyke Hopmannen. Ingevoerd in het Genootschap van Wapenoeffening, opgericht te Delft, onder de Spreuk: Tot herstel der Delftsche Schuttery; Voor Vryheid en Vaderland [...], p. [33-34]. |
| 1794 | Republikeinsch Gebed door eene Vaderlandsche Vrouw, of de hartgrondige wensch van alle rechtgeäarte Patriotten, in de tegenwoordige omstandigheeden; als mede een vaarsje getyteld, Waar de Vryheid is, en niet is. Door Maria Paape, geb. van Schie. 's Bosch, Wed. C.A. Vieweg en Zoon. (Advertentie 's Hert. Vad. Crt. 94, 2 dec. 1794; geen exemplaar bekend.) |
| 1796 | ‘Aan de bedaarde en verstandige verdeedigers der Bataafsche volkszaak’, ondertekend: M.P., in: Friesche Courant, 79, 30 nov. 1796. |
| 1796 | ‘Getrouwe Raad aan de Friezen, By de aanstaande Verkiezing van Volk-vertegenwoordigers’, ondertekend: M.P., in: Friesche Courant, 87, 22 juli 1797. (Herdrukt in: Gerrit Paape, Onverbloemde Geschiedenis van het Bataafsch Patriottismus, 1798, p. 132.) |
| 1796 | ‘De Vryheid is het Goed van Alle Burgers, zo wel armen als ryken’, ondertekend: M.v.S., in: Gerrit Paape, Verzameling van Republikeinsche Volksliederen, geschikt om gezongen te worden by het planten van een nieuwen Vryheidsboom in den Haag, p. 15-16. |