terug  begin  verderprepost

Overbodige ophelderingen bij een nooit gedrukte prent met het onderschrift ‘De levende en stervende dichters van Nederland in 1844’

Rob van de Schoor

De inspanningen die de Haagse dichter J.L. van der Vliet, alias Boudewijn (1815-1851), zich getroostte om zijn tijdschrift De Tijd vol te schrijven, worden alleen nog herdacht met de bekende anekdote die Gerard Keller vertelde over Boudewijn en de ‘onschatbaar geestige’ W.J.A. Jonckbloet, beiden lid van het Haagse letterkundige genootschap Oefening Kweekt Kennis, in zijn bekende boek Het Servetje. Herinnering aan ‘Oefening Kweekt Kennis’ (Leiden 1878). Toen Boudewijns huwelijk onverwacht vervroegd was, verklaarde zijn genootschapsvriend Jonckbloet ‘dat dit het natuurlijk gevolg was van Boudewijns gewoonte om voor zijn tijd te werken’.

In het door Boudewijn geredigeerde interessante tijdschrift - de volledige titel luidt: De Tijd. Merkwaardigheden der Letterkunde en Geschiedenis van den dag voor de Beschaafde wereld; de eerste jaargang verscheen in 1845 - kan onderstaande schets van een nooit verschenen spotprent worden aangetroffen. Boudewijn gebruikte de beschrijving ervan om zijn bespreking van de almanak Vergeet mij niet van 1847 mee in te leiden; later zou de biograaf van Nicolaas Beets, de Rotterdamse bibliothecaris G. van Rijn, haar overnemen in het eerste deel van zijn Nicolaas Beets (Rotterdam 1910, p. 379-382), een rijk maar rommelig en registerloos boek dat na zijn overlijden zou worden voortgezet door J. Deetman. Van Rijn presenteerde de schets met het onderschrift ‘De levende en stervende dichters van Nederland in 1844’, als introductie van de auteurs met wie Beets verkeerd had.

Hieronder volgt de beschrijving, overgenomen uit De Tijd (1846), IVde deel, p. 275-277, met tal van wellicht overbodige ophelderingen. Dat de prent nooit verschenen zou zijn, is teleurstellend, maar dit euvel kan wellicht verholpen worden als het Nieuw Letterkundig Magazijn een prijsvraag uitschrijft die uitnodigt tot het tekenen van het vermiste kunstwerk. De plaat getuigt van de indruk

[p. 8]

die de Hippokreen-Ontzwaveling (1838) heeft gemaakt, en lijkt afkomstig uit Haagse kringen: van De Gids moet men niet veel hebben; Haagse schrijvers als Van Zeggelen en S.J. van den Bergh worden gunstig voorgesteld.

Of elk detail op de prent in 1910 herkend en begrepen werd, kan men betwijfelen. Van Rijn vond het in elk geval niet nodig wat toelichting te verschaffen. Thans wil niemand meer iets weten van de vele volstrekt vergeten schrijvers die op de prent voorkomen, terwijl de bekendere figuren voor de lezers van het Nieuw Letterkundig Magazijn nauwelijks

illustratie
C.P.E. Robidé van der Aa. Uit de Nederlandse muzenalmanak voor 1833. Foto UB Leiden.

introductie behoeven. Alle gegeven ophelderingen, die soms ook nog de gestelde perken te buiten gaan, zijn dus geheel overbodig.

 

Wij hebben een paar jaren geleden het ontwerp of veeleer de schets eener uitvoerige, geestige waarheid sprekende, maar hier en daar bijtende plaat gezien. Onder die schets stond geschreven: ‘De levende en stervende dichters van Nederland in 1844’. Die plaat heeft echter nooit het licht aanschouwd, welligt dewijl men vreesde dat haar voorstellingen wat al te duidelijk waren om genoegen te geven, en dat ze niet als scherts, maar als bittere satyre zouden worden beschouwd. Men duchtte onzen volksaard, die niet gelijk die der Franschen met karikaturen lacht. Op de linkerzijde dier plaat stond onze Parnassus, en daarop de hollandsche Muzen, met bolle wangen, trompetten, keteltrommen, rinkelbellen en andere holklinkende en geraas makende muziek-instrumenten. Aan den voet van den zangberg was een engelsche tuin, die verder naar de regterhand uitliep in een gewonen hollandschen weg.1 Bijna op den top des bergs reed op den gevleugelden Pegasus, de vurige Da Costa in het plegtgewaad van een oostersch profeet; maar de klanken, die hij op den zangberg hoort, doen hem de teugels wenden.2 Een weinig lager ligt de dichter Tollens in een zachten slaap, rustende op een bed van boeken- en lauwer-blaren.3

In zijn nabijheid klimt de nog krachtige Withuys naar boven, maar helaas, hij wordt in zijn vlugt verhinderd door een zwaar pak Avondbodes, die hem aan een der beenen hangen.4 Nu eindigt de voet des zangbergs in den engelschen tuin. Op den voorgrond staat de hemelhooge schim van Byron, met fraaie krullende lokken en een geplooide jabot. Tegen die schim is een kleine ladder geplaatst op welker bovenste toppen de wapens van Kuser en van het voormalig adelijk geslacht der Beetsen of De Beetsen.5 Het laddertje heeft drie sporten; op de bovenste staat geschreven: Jose. Op de tweede kuser. Op de derde Guy de Vlaming, en de vierde is een gebroken sport waarop de naam Ada van Holland terwijl de dichter Beets door die sport heen zakt en in den engelschen tuin nedervalt.6 Achter hem tracht de dichter greb hem met een springstok over de schouders te komen; uit zijn mond vloeijen zijn eigen woorden: ‘O, had ik nooit u op mijn pad ontmoet.‘7 - Nu volgt de dichter en prozaschrijver Hasebroek, gedekt met een rouwhoed of huilebalk en een aansprekersmantel; aan een lang touw geleidt hij een schaap met een bloedigen krans aan den hals en de dichter wordt verondersteld te zeggen: ‘Neen, 'k zal u niet met lachjes tegen treden.’8 De slippen van zijn treurmantel worden nederig gedragen door den Heer Hofdyk, die gelijk men weet, den voormaligen leeraar van Heilo, een goede dosis onhandige vleijerij heeft toegediend in zijn Meistreel van Kennemerland.9 - Op eenigen afstand van daar, maar nog altoos in den engelschen tuin treedt van lennep naar den zangberg. Hij is gekleed als een ridder uit de middeleeuwen met helm en harnas. Aan

[p. 9]

iedere hand houdt hij een pleegzoon en op zijn borst prijkt een frissche groote roos. Op zijn standert staat de inscriptie: Walter Scott.10 - Ongeveer boven deze figuren zweeft een vliegend schip, de wimpels, vlaggen en het roer hebben de gedaante van vleugels. In dit schip zit Jan de Rijmer, de auteur van het ‘Vliegend Schip’.11 Hij reikt uit de hoogte een exemplaar van zijn ‘Huisvriend’ toe aan een figuur, die onder hem op een kreupel paard rijdt. Deze figuur is gekleed als een Sint Nicolaas, met een bisschopsmyter en een bril. Uit een hoorn des overvloeds aan zijne zijde vallen een menigte kinderboekjes als Sint Nicolaas geschenken. Het is de heer Robidé van der Aa, die uit erkentelijkheid voor den ontvangen ‘Huisvriend’, aan den heer Gouverneur in het vliegend schip een nommer van den ‘Volksbode’ toereikt.12 Nu volgt de dichter Ten Kate, een doorschijnende, vlindervleugelige Peri, met de handen vol bladeren en bloemen.13 Achter hem rijdt in een kleine zegekar, de dichter S.J. van den Bergh. Op die soort van oorlogs-wagen staat met groote letters Eric XIV.14 Onmiddelijk in de nabijheid staat een monsterachtige groote kuip. Uit het bobbelend water, dat zij bevat steken eenige torentjes van zinkende dorpen en kerken en daar onder het hoofd van een man, die zich door zwemmen tracht te behoeden voor verzinken. Het is de dichter Van Someren. Op de waterkuip hangt een ridderorde en er staat op geschreven: ‘De Sint Elizabeths-nacht’.15 Niet verre van daar staat een ronzebons of poppenkast. De gevel daarvan is versierd met een apothekersvijzel, eenige chemische apparaten en slaapbollen. De schermpjes van de poppenkast verbeelden het Haagsche Bosch en midden daarin is boudewijn ijverig bezig om met een scherpe roede de ligtekooijen er uit te jagen. Eenige zieke, arme en geleerde jonge-jufvrouwen en oude vrijsters omringen dit tooneel met zigtbare teekenen van aandoening.16 Vervolgens zien wij een man, wiens gelaat tot aan de kin is bedekt met een grooten hoed. Zijn vuist is voorzien van een groote, zware handschoen en daarop rust een valk. Beide doelen op den ‘Pieter Spa’ en de ‘Valkenvangst’ van onzen Van Zeggelen.17 Ook zagen wij op de plaat de figuur van Dr. wap, een marsje met nieskruid dragende en lezende in een boek waarvan de titel luidt: ‘Mijn reis naar Oome’.18 Ook zagen wij een lange gedaante met een studenten-pet, Klikspaan verbeeldende met een kijkkast waarin een menigte studentengrappen worden vertoond.19 Achter hem volgt een man met een draaiorgel, de dichter Heije, die zelf zijn liedjes zingt. Hij wordt geäccompagneerd met een oud-hollandsche vedel, door den heer Potgieter, die als Tesselschade is verkleed.20 Eenige schreden van daar staat een man met rouwfloers om den hoed en een zakdoek in de hand, huilende met een spade in den arm, bij een geopend graf, waarin een lijkkist met het opschrift: ‘De Nichten’.21. - Verre op den achtergrond vliegt een oostersche sultan op een gans uit het gezigt van allen. Hij houdt zijn vijf uitgespreide vingers aan den neus als om de dichters en hun zangberg te begekken en uit zijn mond rollen de woorden: Ne ossa quidem mea patria ingrata habebis. Naar alle waarschijnlijkheid werd met deze voorstelling de heer Van 's Gravenweert bedoeld.22 Nog zagen wij eenige figuren en zinnebeelden van geringe beteekenis, en daar achter een olifant van een kerel met een bril op en een ontzaggelijke zweep in de hand, die over aller hoofden heen tot aan den top des zangbergs reikte. Vermoedelijk verbeeldde het de heer Bakhuyzen van den Brink; op de zweep althans stond geschreven: ‘De zweep van De Gids’.23

1De Engelse tuin is volgens de ‘romantische’ smaak ingericht en heeft het strakke ‘classicistische’ karakter van de Franse tuinen afgelegd. Het Algemeen Naodwendig Woordenboek der Zamenleving (Amsterdam 1856, vijfde aflevering, p. 3812) vermeldt: ‘De kunst van tuin aanlegging heeft in de laatste honderd jaren vele verandering ondergaan; de fransche smaak, waarin hun Le Notre zoozeer uitmuntte, en welke nevens de regelmatigheid der bouwkunst ook eene stijfheid had, die kwalijk strookre met de losse bevalligheid der natuur, heeft plaats moeten maken voor de engelsche manier, die zich ten doel stelt, bij de inrigting van eenen tuin, het aanlokkelijkste, dat natuurtooneelen kunnen aanbieden, te vereenigen en te beter te doen uitkomen [...].’ In overdrachtelijke zin wordt hier de Engelse Romantiek bedoeld, met Scott en vooral Byron, die uitloopt in Nederlandse navolging.
2Isaac da Costa (1798-1860), een tot het christendom bekeerde jood, was een van de belangrijkste woordvoerders van het Reveil. Met zijn gedicht Vijf-en-twintig jaren. Een lied in 1840 (Amsterdam 1840), maakte hij een indrukwekkende ‘comeback’ als dichter. Maar zijn kritiek op de eigentijdse literatuur in deze tijdzang was niet mals; vandaar dat de figuur op de prent vóór de top van de zangberg de teugels aanhaalt. Vooral in de passage over de Haarlemse Costerfeesten hekelt hij het oppermachtige schrikbewind van de drukpers, ‘verharde zondekweekster, / Verboden- lust- en- haat- en oproervlam-ontsteekster!’
3In 1844 was Hendrik Tollens 64 jaar, maar het zou nog tot 1856 duren voor hij overleed. De voorstelling van een sluimerende dichter kan zijn ingegeven door een gedicht in Tesselschade (1839), p. 225-227, ‘In de Mei van het jaar 1838’, waarin de volgende regels voorkomen:
 
Ik sluit het oor, ik keer het oog
 
Van wat er juicht en juublen moog';
 
Ik staar alleen op gindsche zoden:
 
Wat rondom jeugd en leven zij,
 
Ik treê de rustplaats in der dooden,
 
Den lusthof, die er bloeit voor mij,
Tollens had in januari 1838 zijn vrouw en oudste zoon verloren; zie ook: G.W. Huygens, Hendrik Tollens. De dichter van de burgerij, Rotterdam/'s-Gravenhage 1972, p. 231. Hij had weinig op met de jongere, ‘romantische’ dichters rond 1840.
4C.G. Withuys (1794-1865), bekend als dichter van citadelpoëzie, was van 1837 tot 1841 ukgever en directeur van het dagblad De Avondbode, waarin Withuys poëzie publiceerde, boekenrecensies en toneelkritieken. Door zijn werkzaamheden voor De Avondbode stond zijn literaire activiteit buiten deze courant in de periode 1837-1841 op een laag pitje. De Gids (1839), afl. 9, p. 436, klaagt: ‘De Hollandsche Poëzij heeft een beklagenswaardig verlies geleden, om den wille eens Redacteurs van de Avondbode.’
5Beets' ijver om ‘zijn adel aan het publiek te bewijzen’ werd onder meer bespot in Hippokreen-Ontzwaveling (Amsterdam 1838, p. 28; Aanteekeningen, p. 44), waar Geel wordt geciteerd uit Onderzoek en Phantasie. ‘Er zijn groote mannen geweest (misschien zijn zy er nog) die hun hoogen oorsprong en voorvaderlijken adel uit oude boeken en legenden, met kinderachtige combinatien, poogden op te krabbelen.’ Beets had aanleiding gegeven tot deze spot door in een verklarende noot achter in zijn gedicht Guy de Vlaming mededelingen te doen over het geslacht Beets of De Beets. Deze noot had betrekking op een passage die alleen voorkwam in de ‘private’ exemplaren van het gedicht, bestemd voor intimi, waarvan enkele regels als volgt luiden:
 
De tijd mijns vroegren bloeis is heen,
 
En 'k zou vergeefs nog eerbied bedelen
 
Voor luister, die sints lang verdween,
 
Sints beets, Heer van een wettig leen,
 
Zijn plaats vond by de Kenmersche Edelen;
De noot stond, anders dan deze passage, in alle exemplaren van Guy de Vlaming, ook in de voor de handel bestemde. Beets besprak de hilariteit die deze vermeende aanspraak op adel had gewekt, in een brief aan Potgieter van 6 december 1837: ‘Hebt gy 't al gezien? Beets heeft een bespottelijk idée om van adel te willen wezen! Het staat in de privaat-editiën van den Guy! wy zullen er in de publieke tijdschriften over lachen!’ Zie over deze kwestie, die hij ‘het mysterie van den Guy’ noemt: G. van Rijn, Nicolaas Beets. [Eerste deel.] Rotterdam [1910], p. 264-269:318.
6Ada van Holland. Een gedicht, Haarlem 1840, opgedragen aan H. Tollens Czn., is het vierde en laatste oorspronkelijke epische gedicht van de jonge Beets in Byroniaanse trant, na José, een Spaansch Verhaal (Amsterdam 1834), Kuser (Haarlem 1835) en Guy de Vlaming. Een Verhaal (Haarlem 1837). Ada van Holland is nog niet geheel van Byroniaanse smetten vrij, maar zou wel een wending betekenen in het dichterschap van Beets, die eveneens in 1840 in zijn bundel Proza en Poëzy het bekende opstel ‘De Zwarte Tijd’ had gepubliceerd, waarin hij zijn enthousiasme voor de poëzie van Byron zei te betreuren.
7F.H. Greb (1813-1868), verdienstelijk lid van Oefening Kweekt Kennis, dichter van het vers ‘Aan Maria’, in Nederlandsche Muzen-Almanak 20 (1838), p. 10-12, dat met deze regel opent. ‘Wie Beets aanbidt, zal Greb met schik niet vloeken kunnen’, schreef W. Hecker in zijn Hippokreen-Ontzwaveling (Amsterdam 1838, p. 29), waarmee hij wilde aanduiden dat beiden zich oefenden in het Romantische genre. Dat Greb (en Van Zeggelen) mislukte pogingen in het werk hadden gesteld om Beets na te volgen, was gesuggereerd in De Gids (1840), IV (Boekbeoordeelingen), p. 48, op grond van Grebs gedicht ‘Neen, waan toch niet, gij gezant van den Heer!’ in Nederlandsche Muzen-Almanak voor 1840, p. 24-25. Dit gedicht had de recensent doen denken aan ‘de geestige teekening van een onzer vrienden’, vermoedelijk ook al in portefeuille gebleven, die als volgt wordt beschreven: ‘Op een groot ijsvlak rijdt onze verdienstelijke dichter Beets schaatsen: aan een langen stok houden hem A. B. C. en anderen onzer jeugdige dichters vast: de voorman is zijne zaak ten volle meester; maar de Heeren A. B. C. [...] en de gansche reeks slingeren en dwalen en struikelen en buitelen zonder orde dooreen.’ Het onderschrift karakteriseert duidelijk de mislukte poging en de wijze, waarop zij hem trachten na te volgen, door de woorden: ‘neen, zeg niet, dat de schaats, die Klaas Beets slaat, zoo ligt is’. (Zie: G. van Rijn, Nicolaas Beets. [Tweede deel, voortgezet door J.J. Deetman.] Rotterdam z.j., p. 129.)
8De dichtregel ‘Neen! 'k zal u niet met lachjens tegentreden’ komt voor in het gedicht ‘Bruid’, derde zang van de verzenreeks ‘De vrouw’, in Poëzy door J.P. Hasebroek, Haarlem 1836, p. 46-51. De weigerachtigheid de bruid op lachjes en ‘wulpsche scherts’ te trakteren is ingegeven door de overtuiging dat zij die op het punt staat de huwelijkseed te zweren, een even heilige wijding ondergaat als de vrouw die de kloostereed aflegt. Deze dichtregel wordt ook aangehaald in de ‘Aanteekeningen’ bij Hippokreen-Ontzwaveling, p. 43: ‘Wat wanstaltige figuren Hasebroeks samenraapsel van gezochte, vreemdsoortige gedachten en uitdrukkingen slaat, valt ieder in 't oog, wie zijne “Poëzy” slechts doorbladerd heeft. Oorspronkelijk is 't zeker, dat men zich niet schaamt een bruid om 't ander woord toe te snaauwen: Ik zal u niet met lachjens tegentreden!!’ De uitvaartkledij waarin Hasebroek is gehuld, wordt wellicht verklaard door ‘Het legaat’ in Waarheid en droomen, over de dood van zijn vriend Rob. Het schaap met de bloedige krans treedt op in de schets ‘Het schaap’ in Waarheid en droomen (1840), waarin het treurige levenslot van het schaap wordt beschreven. Zelfs het lam dat als speelkameraadje werd vertroeteld en opgetuigd door rijkeluiskinderen, eindigt zijn bestaan op de markt waar het aan de slager wordt verkocht: ‘daar krijgt zij het noodlottige looden teeken in het oor, dat zoo menigen adellijken mond gekust heeft; en den hals, die met roode linten placht gesierd te worden, verft de bloedige krans des doods!’
9Willem Hofdijk (1816-1888) had Hasebroek, bij wie hij sinds 1839 meermalen te gast was geweest op diens pastorie te Heiloo, bezongen in De Bruidsdans. Een lied van den minstreel van Kennemerland, Alkmaar 1842, p. 37-38. Hofdijk, die een weinig benijdenswaardig bestaan leidde als kantoorklerk, zag erg op tegen schrijvers als Beets en Hasebroek. In de Nederlandsche Muzen-Almanak van 1842 publiceerde hij het gedicht ‘De Bakenesser verkensdrijver’, waarin hij zijn lot vergelijkt met dat van een varkensjongen (zie: A. Hendriks, Willem Hofdijk. De minstreel van Kennemerland. Amsterdam 1928, p. 75).
10Jacob van Lennep (1802-1868) heet in Hippokreen-Ontzwaveling (p. 33) ‘Neêrlands Scott’. De attributen verwijzen naar zijn historische romans De Roos van Dekama (Amsterdam 1836) en De pleegzoon (Amsterdam 1833).
11‘Het vliegend schip. Vaderlandsche Legende’ verscheen in de tweede jaargang van de Groninger Studenten Almanak (1830), p. 10-23, het orgaan waarin Jan de Rijmer, pseudoniem van J.J.A. Goeverneur (1809-1889), gedurende enkele jaren zijn gedichten publiceerde. ‘Het vliegend schip’ gaat over de legende van de Vliegende Hollander. Hij redigeerde van 1843 tot 1882 het populaire tijdschrift Huisvriend. Gemengde lectuur voor burgers in stad en land. Goeverneur werd om zijn ‘Vliegend Schip’ geprezen door zijn Groningse mede-student Hecker in Hippokreen-Ontzwaveling (p. 33, 45).
12C.P.E. Robidé van der Aa (1792-1851), wiens naam verbonden is aan de oprichring van De Gids, redigeerde samen met de predikant O.G. Heldring De Volks-bode (1839-1847), waarin Van der Aa regelmatig waarschuwde voor drankmisbruik. De betekenis van de uitwisseling van de tijdschriften tussen Goeverneur en Van der Aa is niet helemaal duidelijk: wellicht kon Goeverneur, die een stevige drinker was, zijn voordeel doen met lezing van De Volks-bode. Op de gravure in de Nederlandsche Muzen-Almanak (1833) draagt Van der Aa een bril. Het kreupele paard van de dichter verbeeldt zijn geringe dichterlijke vermogens. Robidé van der Aa publiceerde veel kinderboeken die met Sinterklaas aan de leesgrage jeugd ten geschenke werden gegeven; te denken valt aan titels als Geschenk aan gehoorzame knaapjes (Amsterdam 1839), Geschenk aan gehoorzame meisjes (Amsterdam 1839), Een handvol levensvreugd der Nederlandsche jeugd aangeboden (z.p. 1840) en - met A.B. van Meerten - Roosjes op de kinderlijke loopbaan gestrooid (z.p. 1841).
13J.J.L. ten Kate (1819-1889), publiceerde in 1839 Bladeren en bloemen, opgedragen aan O.G. Heldring, predikant te Hemmen, onder wiens leiding hij zich had voorbereid op het admissie-examen voor de hogeschool te Utrecht, waar hij van 1838 tot 1844 theologie studeerde. In de bundel Vertaalde poëzy, 's Gravenhage 1839, is opgenomen het vertaalde gedicht ‘Het Paradijs en de Peri, een verhaal van Thomas Moore (uit zijn “Lallarookh”)’, p. 1-38. De Peri, een ‘Kind der Lucht’, krijgt geen toegang tot het paradijs. De engel die de poort van Eden bewaakt, weet: ‘Die Peri wordt heur schuld vergeven, / Die God uit lager warelddreven / De schoonste gift heeft aangebracht’. Na een zoektocht door de mensenwereld ontdekt de Peri dat ‘tranendruppelen van ongehuicheld zielsberouw’ de hemelpoort ontsluiten.
14Eric XIV op Grijpsholm. Een gedicht door S.J. van den Bergh, 's-Gravenhage 1841. S.J. van den Bergh (1814-1868), oprichter en jarenlang voorzitter van het Haagse letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis, was geen slachtoffer geworden van Heckers Hippokreen-Ontzwaveling, waarschijnlijk door zijn goede verstandhouding met de Groningse jongeren. Hij correspondeerde rond 1840 regelmatig met Bennink Janssonius en Hecker. In een niet gedateerde brief aan Van den Bergh (uit 1841?) schreef Hecker: ‘Gij doet mij waarlijk een bijster hoog idee opvatten van uw Eric, dien ik dus ook verlangende ben, onder oogen te krijgen. De tytel doer mij vermoeden, dat het een Romantisch verhaal zal zijn; misschien wel in den tegenwoordigen smaak. Niet, als of er daarom niet wat voortreffelijks van kan gemaakt worden. In 's Hemels naam niet! En gij zult mij bij de uitgave, hoop ik, nog wel beter van dat vooroordeel louteren, waar ik door stukken van Beets, v.d. Hoop, Hofdijk niet te vergeten, op gebracht ben. De gebreken van 't genre zijn vele; die zóó dagelijks vermenigvuldigd worden. Maar chaque siècle son génie, zegt Victor Hugo, en dus ook al weêr vrede er meê.’
15Reijer Hendrik van Someren (1787-1851), dichter en burgemeester en schout van Kralingen, in 1831 benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, oogstte vier gouden en drie zilveren medailles voor prijsverzen, uitgeschreven door letterkundige maatschappijen. Het waterige gedicht waarvan hier sprake is, is De St. Elisabethsnacht, Ao. 1421. Dichtstuk in drie zangen, Utrecht 1841.
16Boudewijn, pseudoniem van J.L. van der Vliet (1815-1851), had in Het Leeskabinet voor 1843, III, p. 1-23, zijn schets ‘Het Haagsche Bosch’ gepubliceerd, die nadien zou worden opgenomen in het bundeltje Beelden en schaduwen, Arnhem 1847. Het stuk heeft de vorm van een fysiologie van deze wandelplaats, waar alle standen zich vertonen: vandaar vermoedelijk de poppenkast. Boudewijn had begrip gevraagd voor de ‘gevallen engelen’ die er zich ophouden, maar hen tevens prijsgegeven aan de publieke verachting: ‘want niets gaf haar het regt, om de schandvlekken harer sekse te worden’. In de Physiologie van den Haag, Den Haag 1843, p. 149-151, dient W.J.A. Jonckbloet Boudewijn van repliek: vrouwen die zich prostitueren zijn meer beklagenswaardig dan verachtelijk. Niemand, ook Boudewijn niet, is menslievend genoeg om deze vrouwen, die vaak buiten hun schuld door de maatschappij zijn uitgestoten, de helpende hand te reiken.
De apothekersattributen aan de buitenkant van de poppenkast verwijzen naar Boudewijns verleden als apothekersbediende in zijn geboorteplaats Zierikzee. Wellicht wordt ermee ook gezinspeeld op een gedicht in Braga (ed. 1883, p. 344-345), waarin wordt gesuggereerd dat de dichter Boudewijn, samen met enkele andere schrijvers, zijn verlangen naar lauwerkransen had opgesnoven in de apotheek van zijn vader.
17De Haagse dichter W.J. van Zeggelen (1811-1879) wordt in dezelfde deerniswekkende toestand voorgesteld waarin zijn held Pieter Spa kwam te verkeren toen hij, bij het bekijken van de kroningsplechtigheden van Victoria te Londen, geen gehoor gaf aan de oproep van de Engelse omstanders om zijn hoed af te nemen, omdat hij deze aansporingen, die niet in rond Hollands werden vertolkt, niet verstond. Dezelfde omstanders trokken daarop de heer Spa de hoed over het hoofd, zodat hij van de hele vertoning niets meer zag. Het gedicht ‘Pieter Spa naar Londen’ verscheen voor het eerst in Europa (1839), I, p. 65-80, en werd zo populair dat het een vervolg kreeg met ‘Pieter Spa naar Amsterdam’ (1841). De valkenvangst op de Noorweegsche kust dateert van 1840.
18Dr. Jan-J.F. Wap (1806-1880) publiceerde in 1839 bij F.P. Sterk te Breda zijn tweedelige boek Mijne reis naar Rome, in het voorjaar van 1837. De titel is hier verhaspeld met de naam van de priester die Wap in 1832 ‘bekeerd’ zou hebben van een irenisch, Noord-Nederlands, regeringsgezind soort katholicisme tot het ultramontanisme, waarvan Le Sage ten Broek de voornaamste woordvoerder was. Die priester was Willem Oomen (1783-1852), van 1818 tot 1852 pastoor te Breda.
Het ‘marsje met nieskruid’ verwijst naar het anoniem verschenen geschrift met de titel Nieskruid voor den Heer J.L. Nierstrasz, Jr., Amsterdam 1828, dat aan Wap werd toegeschreven. Er werd wel gezegd dat de vroege dood van Nierstrasz, die op 2 augustus 1828 was overleden, door het Nieskruid zou zijn veroorzaakt. In de ‘Aanteekeningen’ bij Hippokreen-Ontzwaveling (p. 38) wordt dit gerucht tegengesproken: ‘Of Nierstrasz aan eene moorddadige werkingskracht van 't giftige “Nieskruid” is bezweken, is nooit uitgemaakt, en zal 't wellicht nooit; ook zou 't nergens toe dienen, dan om den Dichter van den “Verlosser” om eene kinderachtige overgevoeligheid te beklagen, en zijn schim [...] een transeat cum ceteris na te geven; schoon misschien zijn mysterieus afsterven zijn goedhartige poëzy in de hand werkt.’
19Johannes Kneppelhout (1814-1885) liet van december 1839 toe mei 1841 in afleveringen zijn Studenten-typen verschijnen bij H.W. Hazenberg & Comp. te Leiden.
20Jan Pieter Heye (1809-1876), dichter en geneesheer, was vooral bekend om zijn dichterlijke (vaderlandse) volksliedjes; Potgieters Liedekens van Bontekoe (Amsterdam 1840); Tesselschade, Potgieters modelalmanak (Amsterdam 1838-1840), volgens Bakhuizen van den Brink ‘het jaarboekje van den vooruitgang’.
21P.T. Helvetius van den Bergh (1799-1873), schrijver van het succesvolle blijspel De Neven ('s-Gravenhage 1837), publiceerde in 1841 een stuk in dezelfde trant, maar ditmaal in proza geschreven, De Nichten (blijspel in vijf bedrijven, door de Schrijver van de Neven), Haarlem 1841, dat tijdens de première op 23 januari 1842 in de Amsterdamse Stadsschouwburg werd uitgefloten en in de pers werd neergesabeld. De geërgerde auteur verweerde zich onder meer met een antikritiek getiteld Gesprek over de Nichten, door de Schrijver van de Nichten (Haarlem 1842).
22Dat mr. Jan van 's Gravenweert (1790-1870) is uitgedost als oosterse sultan, moet wellicht worden toegeschreven aan zijn bewerking van het treurspel van Onno Zwier van Haren, Agon, sulthan van Bantam, Amsterdam 1825, maar het kan ook te maken hebben met zijn reizen door Scandinavië en het Midden-Oosten, ondernomen van 1837 tot 1839, waarvan hij verslag deed in zijn driedelige boek Het Noorden en het Oosten. Reisherinneringen van Mr. J. van 's Gravenweert, Amsterdam 1840-1841. Op de laatste bladzijde van het derde deel blijkt dat de schrijver Nederland geen warm hart toedraagt, als hij verbitterd spreekt van het ‘Vaderland, waar, van der jeugd af tot heden, onverschilligheid en miskenning mij veelal, in stede van deelneming en bemoedigende welwillendheid, zijn te beurt gevallen’ (Het Noorden en het Oosten, III, p. 302). Het Latijnse gezegde (‘ondankbaar vaderland, zelfs mijn beenderen zult ge niet bezitten’) verwoordt dezelfde verbittering. Het citaat wordt gegeven door Valerius Maximus in Facta et dicta memorabilia, lib. V, cap. III, par. 2b, wiens bron Titus Livius is geweest (Ab urbe condita, lib. XXXVIII, cap. LIII, par. 8). Deze woorden zouden zijn uitgesproken door P. Scipio Africanus Maior, de overwinnaar van Hannibal, die zich uit Rome terugtrok, nadat hij was beschuldigd van corruptie en machtsmisbruik, en te Livernum overleed. Deze uitspraak wordt aangehaald in de bespreking van Het Noorden en het Oosten, in De Gids (1842), (Boekbeoordeelingen), p. 49, waar de verklaring van 's Gravenweert over de Nederlandse miskenning wordt besproken.
Een vluchtige verkenning van het volledige dichtwerk van Van 's Gravenweert levert geen ganzen van betekenis op. Het dier zal hier optreden als vervoermiddel omdat sommige ganzen die in Nederland overwinteren, afkomstig zijn uit de noordelijke contreien waar de dichter naar op weg is.
In Hippokreen-Ontzwaveling (p. 34) wordt als volgt over Van 's Gravenweert gesproken:
 
Wie 's Gravenweert vergete of billijk te vergeten,
 
Vergrijpt zich aan de kroon van Neêrlands keurpoëeten.
 
In zijn akkoorden leef met onweêrstaanbre kracht
 
De gloed en stoutheid der Meoonsche Zwanenschacht.
23R.C. Bakhuizen van den Brink (1810-1865) werd in 1838 redacteur van De Gids. Samen met Potgieter was hij in de beginjaren van De Gids verantwoordelijk voor het merendeel van de letterkundige kritieken in dat tijdschrift.
prepostterug  begin  verder