De inspanningen die de Haagse dichter J.L. van der Vliet, alias Boudewijn (1815-1851), zich getroostte om zijn tijdschrift De Tijd vol te schrijven, worden alleen nog herdacht met de bekende anekdote die Gerard Keller vertelde over Boudewijn en de ‘onschatbaar geestige’ W.J.A. Jonckbloet, beiden lid van het Haagse letterkundige genootschap Oefening Kweekt Kennis, in zijn bekende boek Het Servetje. Herinnering aan ‘Oefening Kweekt Kennis’ (Leiden 1878). Toen Boudewijns huwelijk onverwacht vervroegd was, verklaarde zijn genootschapsvriend Jonckbloet ‘dat dit het natuurlijk gevolg was van Boudewijns gewoonte om voor zijn tijd te werken’.
In het door Boudewijn geredigeerde interessante tijdschrift - de volledige titel luidt: De Tijd. Merkwaardigheden der Letterkunde en Geschiedenis van den dag voor de Beschaafde wereld; de eerste jaargang verscheen in 1845 - kan onderstaande schets van een nooit verschenen spotprent worden aangetroffen. Boudewijn gebruikte de beschrijving ervan om zijn bespreking van de almanak Vergeet mij niet van 1847 mee in te leiden; later zou de biograaf van Nicolaas Beets, de Rotterdamse bibliothecaris G. van Rijn, haar overnemen in het eerste deel van zijn Nicolaas Beets (Rotterdam 1910, p. 379-382), een rijk maar rommelig en registerloos boek dat na zijn overlijden zou worden voortgezet door J. Deetman. Van Rijn presenteerde de schets met het onderschrift ‘De levende en stervende dichters van Nederland in 1844’, als introductie van de auteurs met wie Beets verkeerd had.
Hieronder volgt de beschrijving, overgenomen uit De Tijd (1846), IVde deel, p. 275-277, met tal van wellicht overbodige ophelderingen. Dat de prent nooit verschenen zou zijn, is teleurstellend, maar dit euvel kan wellicht verholpen worden als het Nieuw Letterkundig Magazijn een prijsvraag uitschrijft die uitnodigt tot het tekenen van het vermiste kunstwerk. De plaat getuigt van de indruk
die de Hippokreen-Ontzwaveling (1838) heeft gemaakt, en lijkt afkomstig uit Haagse kringen: van De Gids moet men niet veel hebben; Haagse schrijvers als Van Zeggelen en S.J. van den Bergh worden gunstig voorgesteld.
Of elk detail op de prent in 1910 herkend en begrepen werd, kan men betwijfelen. Van Rijn vond het in elk geval niet nodig wat toelichting te verschaffen. Thans wil niemand meer iets weten van de vele volstrekt vergeten schrijvers die op de prent voorkomen, terwijl de bekendere figuren voor de lezers van het Nieuw Letterkundig Magazijn nauwelijks

C.P.E. Robidé van der Aa. Uit de Nederlandse muzenalmanak voor 1833. Foto UB Leiden.
introductie behoeven. Alle gegeven ophelderingen, die soms ook nog de gestelde perken te buiten gaan, zijn dus geheel overbodig.
Wij hebben een paar jaren geleden het ontwerp of veeleer de schets eener uitvoerige, geestige waarheid sprekende, maar hier en daar bijtende plaat gezien. Onder die schets stond geschreven: ‘De levende en stervende dichters van Nederland in 1844’. Die plaat heeft echter nooit het licht aanschouwd, welligt dewijl men vreesde dat haar voorstellingen wat al te duidelijk waren om genoegen te geven, en dat ze niet als scherts, maar als bittere satyre zouden worden beschouwd. Men duchtte onzen volksaard, die niet gelijk die der Franschen met karikaturen lacht. Op de linkerzijde dier plaat stond onze Parnassus, en daarop de hollandsche Muzen, met bolle wangen, trompetten, keteltrommen, rinkelbellen en andere holklinkende en geraas makende muziek-instrumenten. Aan den voet van den zangberg was een engelsche tuin, die verder naar de regterhand uitliep in een gewonen hollandschen weg.1 Bijna op den top des bergs reed op den gevleugelden Pegasus, de vurige Da Costa in het plegtgewaad van een oostersch profeet; maar de klanken, die hij op den zangberg hoort, doen hem de teugels wenden.2 Een weinig lager ligt de dichter Tollens in een zachten slaap, rustende op een bed van boeken- en lauwer-blaren.3
In zijn nabijheid klimt de nog krachtige Withuys naar boven, maar helaas, hij wordt in zijn vlugt verhinderd door een zwaar pak Avondbodes, die hem aan een der beenen hangen.4 Nu eindigt de voet des zangbergs in den engelschen tuin. Op den voorgrond staat de hemelhooge schim van Byron, met fraaie krullende lokken en een geplooide jabot. Tegen die schim is een kleine ladder geplaatst op welker bovenste toppen de wapens van Kuser en van het voormalig adelijk geslacht der Beetsen of De Beetsen.5 Het laddertje heeft drie sporten; op de bovenste staat geschreven: Jose. Op de tweede kuser. Op de derde Guy de Vlaming, en de vierde is een gebroken sport waarop de naam Ada van Holland terwijl de dichter Beets door die sport heen zakt en in den engelschen tuin nedervalt.6 Achter hem tracht de dichter greb hem met een springstok over de schouders te komen; uit zijn mond vloeijen zijn eigen woorden: ‘O, had ik nooit u op mijn pad ontmoet.‘7 - Nu volgt de dichter en prozaschrijver Hasebroek, gedekt met een rouwhoed of huilebalk en een aansprekersmantel; aan een lang touw geleidt hij een schaap met een bloedigen krans aan den hals en de dichter wordt verondersteld te zeggen: ‘Neen, 'k zal u niet met lachjes tegen treden.’8 De slippen van zijn treurmantel worden nederig gedragen door den Heer Hofdyk, die gelijk men weet, den voormaligen leeraar van Heilo, een goede dosis onhandige vleijerij heeft toegediend in zijn Meistreel van Kennemerland.9 - Op eenigen afstand van daar, maar nog altoos in den engelschen tuin treedt van lennep naar den zangberg. Hij is gekleed als een ridder uit de middeleeuwen met helm en harnas. Aan
iedere hand houdt hij een pleegzoon en op zijn borst prijkt een frissche groote roos. Op zijn standert staat de inscriptie: Walter Scott.10 - Ongeveer boven deze figuren zweeft een vliegend schip, de wimpels, vlaggen en het roer hebben de gedaante van vleugels. In dit schip zit Jan de Rijmer, de auteur van het ‘Vliegend Schip’.11 Hij reikt uit de hoogte een exemplaar van zijn ‘Huisvriend’ toe aan een figuur, die onder hem op een kreupel paard rijdt. Deze figuur is gekleed als een Sint Nicolaas, met een bisschopsmyter en een bril. Uit een hoorn des overvloeds aan zijne zijde vallen een menigte kinderboekjes als Sint Nicolaas geschenken. Het is de heer Robidé van der Aa, die uit erkentelijkheid voor den ontvangen ‘Huisvriend’, aan den heer Gouverneur in het vliegend schip een nommer van den ‘Volksbode’ toereikt.12 Nu volgt de dichter Ten Kate, een doorschijnende, vlindervleugelige Peri, met de handen vol bladeren en bloemen.13 Achter hem rijdt in een kleine zegekar, de dichter S.J. van den Bergh. Op die soort van oorlogs-wagen staat met groote letters Eric XIV.14 Onmiddelijk in de nabijheid staat een monsterachtige groote kuip. Uit het bobbelend water, dat zij bevat steken eenige torentjes van zinkende dorpen en kerken en daar onder het hoofd van een man, die zich door zwemmen tracht te behoeden voor verzinken. Het is de dichter Van Someren. Op de waterkuip hangt een ridderorde en er staat op geschreven: ‘De Sint Elizabeths-nacht’.15 Niet verre van daar staat een ronzebons of poppenkast. De gevel daarvan is versierd met een apothekersvijzel, eenige chemische apparaten en slaapbollen. De schermpjes van de poppenkast verbeelden het Haagsche Bosch en midden daarin is boudewijn ijverig bezig om met een scherpe roede de ligtekooijen er uit te jagen. Eenige zieke, arme en geleerde jonge-jufvrouwen en oude vrijsters omringen dit tooneel met zigtbare teekenen van aandoening.16 Vervolgens zien wij een man, wiens gelaat tot aan de kin is bedekt met een grooten hoed. Zijn vuist is voorzien van een groote, zware handschoen en daarop rust een valk. Beide doelen op den ‘Pieter Spa’ en de ‘Valkenvangst’ van onzen Van Zeggelen.17 Ook zagen wij op de plaat de figuur van Dr. wap, een marsje met nieskruid dragende en lezende in een boek waarvan de titel luidt: ‘Mijn reis naar Oome’.18 Ook zagen wij een lange gedaante met een studenten-pet, Klikspaan verbeeldende met een kijkkast waarin een menigte studentengrappen worden vertoond.19 Achter hem volgt een man met een draaiorgel, de dichter Heije, die zelf zijn liedjes zingt. Hij wordt geäccompagneerd met een oud-hollandsche vedel, door den heer Potgieter, die als Tesselschade is verkleed.20 Eenige schreden van daar staat een man met rouwfloers om den hoed en een zakdoek in de hand, huilende met een spade in den arm, bij een geopend graf, waarin een lijkkist met het opschrift: ‘De Nichten’.21. - Verre op den achtergrond vliegt een oostersche sultan op een gans uit het gezigt van allen. Hij houdt zijn vijf uitgespreide vingers aan den neus als om de dichters en hun zangberg te begekken en uit zijn mond rollen de woorden: Ne ossa quidem mea patria ingrata habebis. Naar alle waarschijnlijkheid werd met deze voorstelling de heer Van 's Gravenweert bedoeld.22 Nog zagen wij eenige figuren en zinnebeelden van geringe beteekenis, en daar achter een olifant van een kerel met een bril op en een ontzaggelijke zweep in de hand, die over aller hoofden heen tot aan den top des zangbergs reikte. Vermoedelijk verbeeldde het de heer Bakhuyzen van den Brink; op de zweep althans stond geschreven: ‘De zweep van De Gids’.23