Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 21. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Een verstrooide brief van een verloren professor
Het eerewoord van Heereboord

Ed van der Vlist

Honderdvijftig jaar geleden overleed Gerard Johannes Beeldsnijder van Voshol (1791-1853), lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde sinds 1831. Hoewel Beeldsnijder zijn best heeft gedaan om een stempel te drukken op de politiek in het prille koninkrijk der Nederlanden, staat hij tegenwoordig vooral bekend als een wat zonderlinge verzamelaar van prenten en handschriften. In 1922 kwam een deel van zijn omvangrijke autografenverzameling terecht in de Koninklijke Bibliotheek. De verzameling, die een periode bestrijkt van vier eeuwen, bevat vele bijzondere brieven en andere documenten. Eén daarvan roept een affaire in herinnering die in de zomer van 1648 menig Leidenaar het schaamrood op de kaken bracht.

 

Het gaat om een brief van de Leidse hoogleraar Adriaan Heereboord (1613-1661). Bij 's mans wetenschappelijke verdiensten hoeven we niet lang stil te staan. Nog zeer onlangs is de ‘chaoot’ Adriaan Heereboord gerekend tot de vroege cartesianen in de Republiek ‘die vooral de indruk wekken niet te hebben begrepen wat de door hen vereerde Franse filosoof bedoelde’.1 Het zij zo. Wat Adriaan Heereboord wel bijzonder maakt, is dat over zijn privé-leven veel meer bekend is dan over dat van de meeste van zijn collega-tijdgenoten.

Door de verspreiding van drukwerk zorgde Heereboord er zelf voor dat zijn gezinsleven op straat kwam te liggen. Zo voerde hij in het openbaar een uiterst heftige - om niet te zeggen wansmakelijke - pamflettenstrijd met zijn schoonfamilie, en bracht hij zelfs een aan zijn echtgenote gerichte brief naar de drukpers.2 Van die brief is onlangs de autograaf teruggevonden.3 Dat is een mooie gelegenheid om de affaire-Heereboord weer eens op te rakelen.4

Afkomst en loopbaan

Adriaan Heereboord licht ons zelf in over zijn familie.5 Hij schrijft geboren te zijn in Leiden op 13 oktober 1613, als zoon van de Franse-schoolmeester Johannes Heereboord, die in 1625 in Zaltbommel overleed, en van Cornelia van Duyfhuysen.6 Ook zijn ouders waren beiden in Leiden geboren, in fatsoenlijke en gerespecteerde gezinnen, zo benadrukt Heereboord. Grootvader Adriaan Heereboord, afkomstig uit Loo in Vlaanderen, verdiende de kost als schoolhouder; hij stierf op 63-jarige leeftijd. Opa Heereboords eerste echtgenote was in 1584 in Norwich gestorven bij de geboorte van haar eerste kind; hij hertrouwde in 1588 met Jacomyna Beers uit Yperen, en in 1599 met de weduwe Jacobmijntgen Serjanssens uit Poperingen.7 Adriaans grootvader van moederskant, Adriaan Gerritsz. van Duyfhuysen, genoot als heer van de gebuurte Cellebroedersgracht enig gezag bij zijn buurtgenoten.

Elf jaar na zijn promotie in 1629 - en na

[p. 41]

wat omzwervingen door Leiden, Amsterdam en Middelburg - werd Heereboord aangesteld tot buitengewoon hoogleraar redeneerkunde aan de Leidse universiteit, twee jaar daarna tot onderregent van het Staten-College in zijn geboortestad. In 1644 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar redeneerkunde en wijsbegeerte, wat een jaar later werd omgezet in een leerstoel in de redeneer- en zedekunde.8

Naast de fontein der wijsheid lijkt de fles Heereboords voornaamste inspiratiebron te zijn geweest. Adriaan communiceerde met beide vaten, en dat niet beurtelings, maar liefst tegelijkertijd. Die gewoonte zou hem herhaaldelijk in problemen brengen; zij kostte hem zijn geld, zijn huwelijk, zijn goede naam en uiteindelijk wellicht zijn leven.

Het begin van alle onheil: het huwelijk

Twee jaar na de aanvaarding van zijn hoogleraarschap, op 27 november 1646, trad professor Adrianus Heereboord, dan 33 jaar oud, in het huwelijk met de negen jaar jongere Johanna de la Court.9 Om de feestvreugde wat luister bij te zetten, vervaardigden vrienden van het echtpaar wat obligate dichtwerkjes.10 Zo werd de bruid het volgende voorgehouden:

 
U Oor' begreep dit woord:
 
Wilt gij tijds-krachten Wreken,
 
Leeft dan met Heereboord,
 
Wiens eer geen tijd zal breken.

Maar de tijd zou anders leren. Later erkende Heereboord zelf over zijn verbintenis dat hij op zoek was geweest naar een bruid met geld. Dom was dat hij zijn schulden verzweeg, totdat het huwelijk was voltrokken. Zoiets maakt een mens niet geliefd bij zijn schoonfamilie. De contacten tussen de berooide hoogleraar en de rijke koopliedenfamilie stonden van meet af aan in het teken van de munt.

Het eerste halfjaar van het huwelijk leefde Adriaan naar eigen zeggen eerlijk, gematigd en zachtelijk met zijn huisvrouw. Hij was maar één keer, na een promotiefeestje, ‘eenichsints verheught’ - maar toch zeker niet beschonken - thuisgekomen. Johanna daarentegen gedroeg zich toen al ‘doorgaens onbehoorlick’ en was voortdurend in de contramine. Zij snuffelde steeds tussen zijn papieren, en was op zoek naar geld en naar in de boekenkast verborgen wijnflessen.

Binnen een jaar verschenen grotere barsten in het huwelijksbootje. Al in september 1647 gingen er geruchten over een op handen zijnde scheiding van het echtpaar. In november wisten de De la Courts een door Heereboord ondertekende verklaring te bemachtigen, waarin deze beloofde voortaan ‘zich van dranck te sullen wachten’. Johanna had het briefje eigenhandig opgesteld, denkelijk in overleg met haar familie, nadat ze eerst alle

illustratie

Adriaan Heereboord in 1647. Gravure door Peter Aubry. Gemeentearchief Leiden.




illustratie
Johanna de la Court (1622-1678) in 1675. Tekening door Pieter Cornelisz. van Slingelandt. Huidige verblijfplaats onbekend.


[p. 42]

obligaties, rentebrieven, juwelen, zilverwerk, baar geld en andere kostbaarheden uit de echtelijke woning in veiligheid had gebracht. Zij en haar familie waren Adriaans loze beloftes meer dan zat.

In het jaar dat op alle Europese fronten onderhandelingen leidden tot vrede, brak in huize Heereboord de oorlog uit. Een vernederend voorval zou zich hebben voorgedaan op 20 februari. Na een dag stevig drinken kwam Heereboord thuis met een kameraad, een niet bij naam genoemde advocaat. Voor het geval de advocaat nog meer lust had, voegde Heereboord hem toe ‘gebruyct mijn Vrou voor een hoer, ic geefse u over, doet er uwen wil mede’, waarna hij het vertrek verliet en de deur achter zich sloot. Natuurlijk ontkende Heereboord dat dit zo was gebeurd. De advocaat - Van Thienen heette hij - vertelde het verhaal echter in deze bewoording door aan iemand die hierover onder ede een verklaring heeft afgelegd voor de kerkenraad.11

In het voorjaar van 1648 raakten de gebeurtenissen in een stroomversnelling. Op zondagochtend 19 april zou Adriaan zijn vrouw met een stok hebben geslagen, en van de trap af hebben geduwd, waaraan zij een gekneusde rib overhield. Later die maand, nadat Adriaan een week lang laveloos op bed had gelegen, verliet Johanna de la Court op aanraden van haar oudste broer Pieter de echtelijke woning en nam zij haar intrek bij haar ouders.

Heereboord begreep er niets van. Wat anderen aanzagen voor lichamelijk geweld waren niet meer dan grapjes geweest. Was hij een week lang dronken geweest? Welnee, hij was juist ziek geweest, ziek van droefheid, en zijn vrouw had al die tijd niet naar hem omgezien.

Tezelfdertijd zette broer Pieter de aanval in met zijn Factum; Heereboord pareerde op 15 augustus, met verve, maar zonder veel glans.12 Dat ontaardde in een lichtelijk lachwekkend welles-nietes-spelletje over vragen als wanneer en hoe vaak Adriaan dronken was geweest, en of hij zijn vrouw had geslagen of geaaid.

Mr. Pieter de la Court junior (ca. 1618-1685), lag met wel meer mensen in zijn nabije omgeving overhoop. Als twintigjarige kreeg hij het al aan de stok met zijn buurman Jan Hubrecht.13 In hetzelfde jaar dat de problemen met zijn zwager begonnen, rezen

illustratie

Mr. Pieter de la Court junior (1618-1685) in 1679. Lithografie uit 1855 door Johann Peter Berghaus, naar een schilderij door Godfried Schalcken.


moeilijkheden met een andere Leidenaar, de biersteker Pieter de Grient. De Grient was een jeugdvriend van Adriaan Heereboord: zij kenden elkaar al vanaf 1626. Toeval of niet, de ergernissen die het gevolg waren van de ruzie tussen De la Court en De Grient kostten beiden de toegang tot het Avondmaal.14

Vandaag de dag halen we daar misschien onze schouders over op, maar in het intolerant gereformeerde Leiden van de zeventiende eeuw werd uitsluiting van de Tafel des Heren een ernstige zaak gevonden. In de controverse tussen Heereboord en zijn schoonfamilie werd de ontzegging van de toegang tot de gereformeerde eucharistie als serieus wapen gebruikt.

Lijmpogingen

Om van het huwelijk tussen Adriaan Heereboord en Johanna de la Court nog te redden wat ervan te redden viel, was inmiddels de kerkenraad te hulp gesneld. Voor de eerste keer kwam de ‘swaricheyt’ tussen de echtelieden daar ter sprake in een vergadering van 1 mei 1648. Besloten werd toen om twee predikanten af te vaardigen, die partijen zouden vermanen om ‘tot voorkominge van alle scandalen’ terug te keren van de ingeslagen weg die leidde tot scheiding, en om zich ‘in't vriendelijcke met den anderen te versoenen’. Op 18 mei rapporteerde een van de predikanten dat hij en zijn collega op bezoek waren geweest bij zowel professor Heereboord als bij diens huisvrouw en haar ouders, ‘omme de opgeheven ergerlijcke processen aff te snijden en vordere onheylen voor te comen, en tot onderlinge versoeninge en tsa-

[p. 43]

menwoninge te willen verstaen’. De hoogleraar had zich daartoe bereid getoond, en ook zijn schoonfamilie had in deze fase nog ‘eenige hope gegeven van vereeninge’. Drie weken later bleek de bereidwilligheid toch van één kant te komen. In de vergadering van de kerkenraad van 12 juni werd gerapporteerd dat Heereboord ‘wel voor sijn persoon hem tot sulcke reconciliatie niet ongenegen hadde getoont, maer dat sij, geassisteert met haer broeders, tot sodanige versoeninge ende weder bijeenwooninge geenssins en conste verstaen, noch haer wilde laeten disponeren’.

Heereboord ging helemaal op in zijn zielige rol. De heren predikanten togen nogmaals op weg. Van Johanna wilden zij vooral weten of zij van zins was om te verschijnen bij het Avondmaal, ‘opdat de Gemeynte niet en worde geergert met dusdanig ontijdig toetreden’. Een week later was duidelijk geworden dat Johanna niet aan de Tafel des Heren zou aanschuiven zonder de kerkenraad daarvan op de hoogte te stellen of om advies te vragen; vol zelfmedelijden gaf Heereboord slechts te kennen dat hij ‘seer deerlijck was geafligeert over sijnen droevigen staet’, veroorzaakt door de onverzoenlijke houding van zijn weggelopen vrouw en haar vrienden. Johanna, haar ouders en haar broers werden nogmaals aangesproken ‘ende wel serieuslijck vermaent tot wechlegginge van alle swaerigheyt ende reparatie van den gebrooken vrede ende eenigheyt alle devoyren te doen’.



illustratie
Pieter de la Court senior (ca. 1593-1657) in 1635. Schilderij toegeschreven aan Pieter Dubordieu, naar een schilderij in het Amsterdams Historisch Museum.


De volgende maand, op 10 juli, schonk Johanna de la Court het leven aan een zoon. Zij had toen reeds twee miskramen achter de rug. De kleine Isaac Heereboord werd gedoopt in de Hooglandse Kerk op 12 juli 1648, met als doopgetuigen zijn grootouders Pieter de la Court de Oude en Jeanne des Planque.15 Het kind werd ziek en stierf. Vier dagen later werd het in dezelfde Hooglandse Kerk begraven, vanuit huize De la Court op de Breestraat. Adriaan Heereboord was noch bij de geboorte, noch bij de doop, noch bij de dood van zijn zoontje aanwezig; toen hij zich meldde voor de begrafenis, was het kindje al gekist. Hij heeft zijn kind dus nooit gezien.

Vlak na de begrafenis trof Adriaan zijn schoonvader in de Vrouwensteeg. Adriaan vroeg hem - niet zonder pathetiek en gezien het tijdstip ook niet erg tactvol - of het niet goed ware om met het kind ook alle wederzijdse onlusten en onenigheden te begraven. Hij moest de vraag twee keer stellen. Na de tweede keer antwoordde de oude De la Court: ‘Wij sullen malcanderen daer na van spreken.’ Dat volgende gesprek vond pas een maand later plaats.

Van kwaad tot erger

Het Leidse stadsbestuur bezag de gebeurtenissen ondertussen met bezorgdheid. Aan de verspreiding van drukwerk waarin niet alleen burgers in hun goede naam, eer en reputatie werden aangetast, maar waardoor ook de onderlinge rust tussen de burgers en daarmee de orde in de stad konden worden verstoord, moest ogenblikkelijk een einde komen. Op 30 juli liet het Gerecht van de pui van het stadhuis afkondigen dat het verboden was om:

eenige argerlijcke, injurieuse off seditieuse boucxkens, liedekens, schandeleuse gedichten off andere hoedanige die zoude mogen wesen, in geenderhande sprake off talen, binnen dese stadt te drucken, nochte in druck ofte geschrifte te laten uytgaen, te vercoopen, stroyen, ommedragen, nochte oock injurieuse off schandaleuse propoosten, refereynen off liedekens waer door yemant vande burgeren ende inwoonderen alhier in sijn eere off name mochte werden gequest, te voeren, opte strate te singen, off uytte spreecken.16
[p. 44]

Weliswaar was het formeel al niet toegestaan om lasterlijke of opruiende taal te bezigen in woord of geschrift, maar de omstandigheden vereisten dat dit nog eens werd onderstreept door een officiële proclamatie. Meteen werden drukkers, boekbinders en -verkopers gewaarschuwd om vooral niet mee te werken aan de vervaardiging of verspreiding van dergelijke werkjes. Wie nog belastend materiaal had liggen, kreeg tot zonsondergang de tijd om dat bij de schout in te leveren. Daarna volgde onverbiddelijk een boete. Heel pragmatisch stelde het Leidse stadsbestuur verklikkers een derde deel van die boete in het vooruitzicht, plus een extra ‘verering’ als verrassing. Wie een verdachte aangaf, kon er bovendien op rekenen dat zijn of haar anonimiteit gehandhaafd bleef.

Niet dat het verbod iets hielp. Ondanks de dreigementen zetten beide kampen hun schotschriftenstrijd onverdroten voort; Heereboord met een tweede druk van zijn verdediging, en Pieter de la Court met een repliek daarop.17

Op 19 augustus boog een afvaardiging van het stadsbestuur zich over de zaak. Om beurten mochten de ruziemakers voor deze commissie hun zegje doen. Heereboord betoonde zich daarbij weer toeschietelijk, en uitte de bereidheid om zijn vrouw weer te ontvangen - ‘soo het haer geliefde weder te komen’ - en om met haar in vrede en vriendschap verder te leven. Maar Johanna vond het beter om voorlopig haar mond niet open te doen. Pieter de la Court senior - bij wie Johanna haar toevlucht had gezocht - vond dat zijn dochter oud en wijs genoeg was om zelf te beslissen,

illustratie

Briefje van Adriaan Heereboord aan Pieter de la Court senior, 20 augustus 1648. Afbeelding in Driessen, Het welvaren van Leiden, naar het origineel in Brussel.


maar wilde wel kwijt wat hij er zelf van vond: ‘dat hem niet liever nochte aengenamer soude zijn’, dan dat zijn dochter naar haar echtgenoot terugkeerde en dat de kwestie in der minne kon worden geschikt.

Dat bood perspectieven voor Heereboord. De dag daarop stuurde hij zijn schoonvader een briefje:18

Mon Pere,
Mijn versoek is, ofte u E. Weerde gelieve dese voormiddach te comen in uwen thuyn; ende dat u E. mij late weten met een besloten briefjen te wat uir: sal mij dan aldaer laten vinden: soude geern eens met u alleen spreken: ende sal dat doen sonder eenige hevicheyd, ende met die eerbiedingh, die gij verdient.

‘Mon père’ stemde in: het overleg vond nog diezelfde dag plaats, inderdaad in zijn tuin - want hij wilde zijn schoonzoon niet in huis ontvangen - en in het bijzijn van twee eerbiedwaardige getuigen. Heereboord wierp papa De la Court voor de voeten dat hij tegenstrijdige berichten rondstrooide: als hij echt zo graag wilde dat het weer goed kwam met het huwelijk van zijn dochter, zoals hij voor de commissie had beweerd, waarom had hij dan tegen anderen gezegd dat hij ‘nu noch inder eeuwicheyt’ zou toelaten dat Johanna naar haar echtgenoot terugkeerde? De la Court senior wees erop dat Johanna hem had bezworen dat zij vooralsnog de dood verkoos boven terugkeer naar haar mans woning.

Volgens Adriaan was Johanna opgehitst door haar familie. Wat hem vooral dwarszat, was dat Johanna op aandringen van haar broers een journaal of dagboek had bijgehouden waarin zij alle woorden en daden van haar echtgenoot had opgetekend. Veel lovends zal zij daarover niet aan het papier hebben toevertrouwd. Heereboord had dan ook geen goed woord over voor zijn intrigante zwagers:19

sulcke raedtgevers zijn Pesten van Republijcq en de Kercke, Vyanden van den alghemeenen rust ende vrede, stoke branden ende instrumenten van den Satan, om de geheele Wereldt te brengen in verwerringe, en sullen haren loon te sijner tijdt, door Gods rechtveerdigh Oordeel vinden.
[p. 45]

Wat kan de liefde en de vrede meer verstoren, de achterdocht meer versterken, de genegenheid meer blussen dan zo'n dagregister, vraagt Heereboord zich vertwijfeld af. Hoewel hij zich door haar verraden voelde, deed hij nog een uiterste poging om Johanna te bewegen op haar schreden terug te keren.

De brief

De volgende dag, vrijdag 21 augustus 1648, zette Adriaan Heereboord zich aan het schrijven van een brief aan zijn Johanna. Hij geeft haar daarin acht redenen om bij hem terug te keren. Teneinde de retorische gaven van de hoogleraar zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen, en om de moderne minnaars van oude teksten ter wille te zijn, volgt hier een integrale transcriptie van de brief.

 

M'Amie,

Ik heb u aengesproken in druk voor de geheele wereld,20 nu spreek ik u aen in schrift in het besonder: ontfang dit schrift van die rechterhand, dewelke gij eenmael voor God en zijne gemeente inde uwe hebt gevoecht, waer door gij, u aen mij, mij aen u hebt verbonden, beide voor ons leven: laet doch die verbintenis soo veel crachts op u vatten, dat gij eens nu een heilige resolutie neemt met een heilige couragie om weder te keeren tot mij, ende te stuiten alle verdere ongeneucht ende schande, ende droevige moeijelikheijd; Ik hadde sulcx verwacht op eergisteren den 19 Augusti, soo wanneer die 4 eerlikke mannen - twee Schepenen, den Griffier ende den Advocat N.N. uijt haere goede genegenheid tot den vrede ende rust van ons beijde - tot u zijn gegaen om u te bewegen: te meer om dat Mon Pere verclaerde voor haer, dat hem niet liever nochte aengenamer soude zijn, dan dat gij u weder bij mij vervoechde. Dan gij liet mij, tot mijn hertelik leetwesen, weten dat gij alsnoch niet conde resolveren. Laet mij nu toe, dat ik u (die ik in soo veel maenden niet gesproken hebbe) eenige redenen te gemoet voere, waerom gij behoordet, ook heden, dewijle het heden is, te resolveren; die ik u bidde, om Godes wille, in sijne vreese wel te overwegen; ende en gaet hier in niet te rade met vleesch ende bloed, maer met uwen ende Godes geest, die u dan hier in bestiere ende geleijde.



illustratie
Eerste zijde van de brief van Adriaan aan Johanna, 21 augustus 1648. Koninklijke Bibliotheek.


1. Uijtstel van een goede saekke is quaet: en verlaet u niet op den dach van morgen; gij en weet niet wat den dach van heden baren can. Ende u, ende mijn leven, is onseker. Terwijle het heden is, en verhert u herte niet, op dat het God door een rechtveerdich oordeel niet meer en verherde.

2. Het Avondmael is aenstaende, tot het welke soo gij geerne sout toegaen (gelijk ik t'niet geerne versuimen sou) soo moet daer eerst versoeningh geschieden, ende onderlinghe vergevingh van offensien ende injurien, die wedersijds mochten gedaen ende geleden sijn: soo naesten met naesten, broeder met broeder, eerst moet versoent sijn, hoe veel te meer Man ende Vrou! al was het dat sij seventich mael seven op eenen dach tegen den anderen gesondicht hadden. Laet die teekkenen ende segelen onser zalicheijd wat costelik zijn in uwe

[p. 46]

oogen, ende en berooft u van het gebruik derselvigen niet om dese onlust, die gij met weder te comen sult wegnemen: ja sult daer mede alle ergernis ende ontstichtinge (die Godes kerke mochte ontfangen hebben uijt dese onse verwerringen) stuiten ende smooren, als de gemeijnte ons beijde sal zien verschijnen aen de tafel des Heeren.

3. Soo gij uwe resolutie ende wedercomste uijtsteld tot na de Vacantie der Hontsdagen, soo wanneer de Academie weder vol word van Studenten (bij dewelke ik versekert ben de minste gonst niet verlooren te hebben door de pasquillen ende het fameus libel [het Factum] op mij gemaekt) soo de liefde van haer tot mij ende haren ijver voor mijne eer, haer ietwes doet bestaen (op wat manier het mochte wesen) tot meerder ongeneucht van u, ongemak ende onlust, van de uwe, protestere daer van alhier, voor God ende u - ende de geheele wereld - daer aen geen schult te sullen hebben, ende het onheil, dat daer van comt, sal in dit u uitstel van soo een heilige, gewichtige, ende noodwendige saek, sijn oorsaek vinden.

4. Overdenkt, dat de schaemte, die gij mocht hebben in het wederkeeren, nu bij dese vacantie minder voor u sal wesen als daer na: ende dewijle den brand nu op het hoogste is, ende wij wedersijds wandelen op de tongh van alle menschen (met schande aen beijde de canten) can het een met het ander plotselik gestuit werden door uwe resolutie: soude oock het wederkeeren nu met de selve ontsteltenis van saken ende gemoederen doorgaen, ende beijde wegnemen: daer het daer na sal baren een nieuwe veranderinge. Op dat ik nu niet en segge, dat bij dese vacantie u wederkeeren met meerder fatsoen can geschieden als daer na, te samen eens van huis trekkende ende so te samen weder thuijs comende.

5. Waerom wilt gij u selven langer de moeijte aendoen van in huijs te blijven, daer gij wedercomende met eeren meugt daerna bij alle menschen ende in alle vergaderingen comen? waerom wilt gij dat de schande noch langer blijve ende de ongeneuchte ende oneenicheijd noch langer dure? wat vermaek is daer in voor u, dat dese straffen noch langer op onsen hals leggen? is het niet beter, dat wij de slaende hand des Heeren soekken te veranderen. dat cont gij doen, soo gij uwe resolutie ende herdicheijt verandert: daer toe help u God!

6. Is het niet beter, dat de ergernis ende ontstichtinge onses naestens, nu, als morgen, heden als daer na, geweert werde: ende die blijft, soo langh die verwerringh onder ons blijft: de verwerringh blijft, soo langh gij niet resolveert tot een vreedsame wedercomst. U ende mijne ruste is daer aengelegen, de opbouwingh onses naestens, ende de eere Godes: soo dese drie dingen u niet bewegen, t'is een teekken, dat God u heeft overgege[ve]n in een verkeerden sin: dat ik bidde, hij doch verandere, ofte verhoede.

7. Denkt dat ten regarde van u ende mij, onse huishoudinge uwe tegenwoordicheijt vereijscht: soo gij nu wedercomt, can van dienstboden ende alles, beter ordre gestelt werden tegen den winter, nu als daer na: soo gij blijft bij uwe hertnekkicheid sal dan mijne huishoudinge moeten vastmaken soo als ik best can, die ik altijts hebbe gehoopt dat gij selfs sout vast maken, als gij uijt de craem ende van kinde verlost sout zijn, gelijk gij nu zijt.

8. Ten lesten, soo is u uijtstel maer tot gemeene schade van onser beijder middelen: want al het gene, door rechten ende pleijten, van uwes Vaders ende mijnent wegen, wort te coste gehangen, soude connen strekken om mij te redden, t'welk doch eenmael, nadat met dese pleijdoijen veel gelts sal te soekken gemaekt zijn, sal moeten geschieden.

Dit sijn de redenen, die ik meen dat wat behooren bij u te gelden, ende meer als den raed, die u mochte gegeven werden, doch verkeerdelik ende tot u nadeel, van u bloedvrienden ofte wie het mochten wesen. Dat gij bij de Heeren Schepenen, Griffier, ende Advocat N.N. hebt voorgewend, dat alles noch rauw is, ende mijne Verdedigingh (het boexken) soo onlanchs is uijtgecomen, voorwaer en can geen reden wesen om voor u als noch niet te resolveren tot wedercomste: ja in tegendeel (het boexken) mijne Verdedigingh en con niet beleefder van u gesproken hebben als het heeft gedaen; ik en con u niet meer gespaert hebben, als ik u heb gespaert: ik late dat oordeel aen de geheele wereld, die het mochte lesen, of ik tot u nadeel

[p. 47]

daer in hebbe gesproken. Dae alles noch rauw is, behoord u te bewegen tot resolutie; want ongemakken ende etterbuijlen, hoe die rijper worden, hoe sij meer seer doen. Denkt, dat gij nu geweld op u selven moet doen. doet soo, ende overwint alle afkeerigheijd, haet, vooroordeel, quade suspicien, verkeerde passien, ende wat u mochte wederhouwen. Denct, dat gij zijt een Christen, een lid van zijne gemeente; denct op de plichten, die gij God, u selven, mij, ende uwen even naesten schuldich bent. Ende om met een woord alles te seggen, denckt dat gij zijt, de Vrou,

 

van u eijgenselfs Man,
Adrianus Heereboord.

 

In Leiden .21. August. 1648.

Verlossing en vereniging

Het heeft allemaal niet mogen baten. Bemiddeling door derden, daadkracht van de kerkenraad, dreigementen van het stadsbestuur, en het echtelijke schrijven brachten Johanna niet terug bij Adriaan. In september bereikte Heereboord in financialibus overeenstemming met de De la Courts. Tot aan de Hoge Raad en het Hof van Holland had de zaak zich voortgesleept, maar vanaf dat moment werd het eindelijk rustiger.

In maart 1649 verzocht het Leidse stadsbestuur aan Pieter de la Court junior om een verklaring af te leggen waarin deze zou erkennen ‘den heere professor Heereboort te zyn een eerlyck man’. Zo ver wilde De la Court niet gaan; wel wilde hij kwijt dat hij Heereboord geen haat toedroeg, hoewel deze hem en de zijnen zeer had gekwetst. Zoals het een goed christen betaamt (‘hebt uwen vianden lief, segent se die u vervloecken, doet wel die geenen die u haeten, ende bid voor dengeenen die u gewelt doen ende die u vervolgen’), schonk hij zijn zwager van harte vergeving.21

Johanna hield voet bij stuk en sleet haar verdere leven in haar ouderlijk huis op de Breestraat. En wat kwam er van de onbestorven weduwnaar terecht? Die volhardde eveneens, blijkens de acta van de kerkenraad van 12 september 1659:

 

Overmits D. professor Heereboort sich daegelickx in merckelicke dronckenschap

illustratie

Adriaan Heereboord in 1659. Gravure door Jonas Suyderhoef. Gemeentearchief Leiden.


verloopt, ende vol ende droncken langs de straten loopt, tot groote ergernisse van andere, sal dat den predicant ende ouderlingen van dat quartier over dese sijne dronckenschap uut naem van dese vergaderinge bestraft ende hem het gebruyck des Avontmaels ontseyt worden tot nader ordre van dese vergaderinge.

 

Toen dominee Claes Balbian en een ouderling Heereboord het besluit van de kerkenraad gingen meedelen, troffen zij hem ‘sieckelijk van lichaem ende seer beswaert in sijn gemoet over sijne vergrijpinge’. Het speet hem, hoewel hij meteen te kennen gaf ‘dat hij meende dat die dingen grooter wierden gemaeckt dan nae waerheyt’. Voor de zoveelste keer beloofde hij beterschap.

Veel tijd om zijn leven te beteren was Adriaan Heereboord niet meer gegund. Hij stierf op 7 juli 1661, pas 47 jaar oud, en werd begraven in de Pieterskerk. Zijn weduwe, ‘juffrouw La Court’, werd daar op 22 oktober 1678 eveneens ter aarde besteld. Zo bracht de dood bijeen wie bij leven van elkaar waren gescheiden, en waren Adriaan en Johanna alsnog opnieuw onder een dak verenigd. Tot in alle eeuwigheid.

[p. 48]

Noten

Zie voor de collectie van Beeldsnijder van Voshol: Kees Thomassen, ‘De autografen- en albaverzameling van G.J. Beeldsnijder van Voshol’, in: [P.A. Tichelaar e.a. (red.)], Opstellen over de Koninklijke Bibliotheek en andere studies. Bundel samengesteld door medewerkers van dr. C. Reedijk ter gelegenheid van zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, Hilversum 1986, p. 283-297.



illustratie