terug  begin  verderprepost
[p. 10]

Een aangename herinnering aan de Interparlementaire Taalunie
De taal is een Waddenzee

Peter Hoefnagels

Het Nationaal Dictee was een familiegebeurtenis, maar na de spellingherziening hebben we het overgeslagen. Misschien omdat ik daar in wetgevende zin over heb meebeslist; het was in het voorjaar van 1995 in Brussel.

 

Het echte debat begon te laat, zoals vaak bij wetgeving, met Battus in de Volkskrant van 10 mei 1996. Een paar citaten: ‘Goed Nederlands is wat ik schrijf.’ ‘Een goede taalkundige weet dat hij weinig van taal weet. Daar heeft hij nu juist voor gestudeerd.’ ‘Alsof een spreker pas gaat spreken, nadat hij alle woorden heeft opgezocht die hij gaat zeggen! Alsof een schrijver dat zou willen doen!’ ‘Gooi uw schrijfwijzers en stijlboeken en woordenboeken weg en loop zonder krukken verder.’

Onafhankelijk hiervan ontstond de Waddenzee-discussie tussen de columnist A.L. Snijders en een wederzijdse vriend. Hoewel beiden op schootsafstand van elkaar woonden, schreven zij elkaar brieven. Snijders:

[p. 11]
Als je op een heldere dag aan de rand van Friesland staat, zie je Terschelling in de verte. Je stapt in je boot en vaart ernaartoe, maar na enkele minuten loop je vast, onder water bevindt zich de - kronkelende - weg. Het duurt een hele tijd voor je door hebt hoe je moet varen, je zet bakens uit. De zee zit echter niet stil en je verzet de bakens. De Waddenzee is de taal. Je kunt de sleuven, slenken en geulen niet dwingen op hun plaats te blijven door de bakens altijd te laten liggen waar ze liggen. Ooit zul je moeten toegeven dat ‘Hun zijn groter als mij’ een prachtige zin is. De zee doet wattie wil.

En even verder in zijn brief: ‘Taal (syntaxis, spelling, semantiek) is niks anders dan strijd. Taalkundigen moeten achter de taal aanlopen en beschrijven wat ze zien, ze moeten niet voorop gaan en zeggen hoe het moet.’

Snijders kreeg ten antwoord dat je een boot nodlg hebt om die zee te bevaren,

met een roer eraan en een koers voor de boeg, anders heb je nog niks in de gaten. ‘Hun zijn groter als mij’ is constructief net zo'n prestatie als ‘Zij zijn groter dan ik’. Taal is niet autonoom, maar dient zijn huik naar de wind te hangen. Ik ben bang, schrijf je, dat je niet begrijpt dat alles spel is. Nooit ben ik dieper beledigd... Ik begrijp als de beste dat alles spel is. Daarom hou ik meer van de werkelijkheid. Want daar bestaan geen regels, alleen maar uitzonderingen.

En in een volgende brief: ‘Wij zijn gecorrumpeerd door het taalonderwijs. EIke moedwillige afwijking kan voor ons niets anders zijn dan een pose.’

Snijders reageerde met: ‘[...] hier woedt een machtsstrijd. Je moet weten wanneer belde met een n geschreven wordt en wanneer zonder. (En als je het niet weet, zorg dan dat je in de schaduw leeft van iemand die het wel weet. Zoals het ook niet per se nodig is om rijk te zijn, maar probeer dan wel rijke vrienden te hebben.)’

Rudy Kousbroek stelde in NRC Handelsblad van 11 oktober 1996 vast dat taalkundigen herkenbaar zijn aan liefdeloosheid tegenover de taal. En Nicolaas Matsier bekroonde het anarchisme in NRC Handelsblad van 6 november 1996: ‘Waarom heeft dit paarse kabinet [...] een en ander niet gewoon overgelaten aan de markt?’ Ik neem zijn advies over om mijn uitgever te verzoeken ‘gevrijwaard te mogen blijven van de al genoemde beukennootjes en zo meer’.

De Waddenzee-discussie mag voor mij even lang doorgaan als er eb en vloed zal zijn in de Waddenzee. Er is trouwens geen slotsom mogelijk. Snijders veronderstelt en passant dat ik een Gomarus ben, waarschijnlijk omdat ik een lid van de Taalunie was en daarom regelingen als de spellingherziening zou voorstaan, een plagerijtje dat ik een ogenblik serieus neem. Hierover gaat dan ook de volgende greep uit wat we de werkelijkheid noemen.

Toen ik in het midden van de jaren tachtig in de Eerste Kamer kwam, opteerde ik uit het scala van commissies onmiddellijk voor de Interparlementaire Taalunie. Niet dat ik er iets van wist; het ging over taal, dat leek me leuker dan landbouw. Ik stond lange tijd reserve, Aad Nuis was het lid vóór mij. Pas toen mijn partij heel groot werd en Nuis staatssecretaris (ik vermoed dat ik werd nu moet herhalen, maar dat vind ik minder treffend, taal is pose én anarchie), werd ik in zijn plaats lid van de Taalunie en toog voor mijn eerste vergadering naar Brussel. Op de agenda stond de spellingherziening. Ik kende de stukken, worstelde me door kippeëieren en kippenhokken heen en maakte tal van notities op het thema: ‘Waar heb dat nou voor nodig?’ Ik maakte correcties op de voorstellen van de taalgeleerden, meestal wegens inconsequenties, maar mijn sidderende vraag voor de vergadering bleef toch: waar heb dat voor nodig? Waarom moesten Nederlandse en Belgische parlementen hun onderdanen verplichten om allemaal in dezelfde invalidenstoelen dezelfde kippeëieren uit dezelfde kippenhokken te eten?

Toen de trein langs Dordrecht reed en ik de stukken las van mijn eerste vergadering, beleefde ik de dag nog alsof ik naar een leuke taalles ging, bij Wuustwezel voelde ik me verantwoordelijk, bij Antwerpen werd ik fanatiek en vóór Brussel had ik vlammende betogen over de vrije taal van de vrije Vlaming die de vrije taal van de vrije Nederlander kon bevruchten met zijn sappige verbuigingen, en vice versa de Nederlander met zijn strenge grammatica. Zoals Jozef Deleu zei: ‘Het Vlaams is mijn moederland, her Nederlands mijn vaderland.’

[p. 12]

Nu moet ik erbij zeggen, dat mijn ouders enkele jaren in Antwerpen hadden gewoond en mijn moeder in de jaren dertig in onze keuken in Bilthoven misschien wel de enige Nederlandse vrouw was die op vrijdagavond mosselen en frieten voor haar kinderen maakte en naarmate de dampen van deze combinatie de keuken vervulden, begon mijn moeder ‘as van eiges Vlaoms te klappen’, wat zo'n onuitwisbare indruk van intense vrolijkheid en goede sfeer op mij heeft gemaakt, dat ik, zo gauw ik Antwerpen nader, al in het Vlaams begin te denken en - als ik niet oppas - te praten. Dit laatste moet ik, heb ik geleerd in de tijd dat ik gasthoogleraar in Gent en in Leuven was, voorkomen, want Vlamingen huren ons Nederlanders juist in om ‘correct Nederlands’ te spreken.

Een ander ingebakken vooroordeel dat ik nog vóór Brussel moest overwinnen, was dat ik het welletjes vond, al die spellingveranderingen. Ik kwam op de lagere school, toen ik nog door het bosch liep, maar kwam een jaar later via de spelling-Marchand het bos weer uit, leerde daarna nog enkele spellingveranderingen, waarna ik bij het eerste groene boekje aan mijn secretaresse gevraagd heb zo mogelijk daaraan mee te doen en zo nodig haar man, die leraar Nederlands was, te consulteren. Maar nu ik tot interparlementaire verantwoordelijkheden was geroepen, mocht ik mijn persoonlijke geschiedenis niet meer laten gelden, en moest ik omwille van de objectiviteit en het algemeen belang iedere persoonlijke variant in mezelf vernietigen.

Mijn ‘Waar heb dat nou voor nodig’ vond een belangrijk argument in het verrukkelijk verschil tussen het Vlaams en het Nederlands, mijn moederland en mijn vaderland in een taalgebied van 25 miljoen Nederlandssprekenden. Een parlementaire verantwoordelijkheid voor 25 miljoen mensen had ik nog niet eerder op mijn schouders gehad. Nee, Vlaams en Nederlands verdroegen geen gemeenschappelijke spelling of grammatica of syntaxis. Eenheid van taal in Vlaanderen en Nederland zou dezelfde vergissing zijn als het homohuwelijk: een bij wet besloten vierkante cirkel. Daar kwam bij dat het oude groene boekje nog allerlei opties en alternatieven liet bestaan en ik houd er wel van als op een receptie niet iedereen in het uniform van monsieur Colbert loopt. Maar in Den Haag en Brussel komen zulke recepties niet voor; het burgerlijk uniform heeft voorrang.

's Morgens was de voorvergadering, 's middags zouden de ministers komen (Aad Nuis en zijn Vlaamse collega). In de voorvergadering gaf ik mij op als spreker, de eenentwintigste, meen ik me te herinneren. De Vlaamse parlementariërs waren dolgelukkig dat vandaag besloten zou worden tot de spellingherziening. Zij spraken lyrisch over deze dag van glorie en waren verrukt over de eenheid van taal die zou ontstaan. Tot mijn verbazing waren ook de Nederlanders unaniem zeer gelukkig dat het karwei waaraan ze jaren hadden gewerkt, geklaard zou worden en ik begon enkele retouches aan te brengen in de aantekeningen voor mijn speech ‘Waar heb dat nou voor nodig?’ Het werd me trouwens duidelijk dat ik in dit gezelschap van taalpuristen geen enkel doel zou dienen, als ik in Barend Servet-varianten mijn boodschap op tafel zou leggen. De rijkdom van ‘Hun zijn groter als mij’ zou hier pas over enkele eeuwen, en dan nog in de theorie van een gezaghebbend persoon verpakt, kunnen worden uitgestald. De taal is niet gans een volksvertegenwoordiging.

Bij de zeventiende, spreker had ik al mijn vrije Vlamingen uit mijn speech geschrapt en het zalig anarchistisch perspectief van de taal die gans een volk is voor mezelf voorbehouden. De voorzitter had ieder der sprekers gemaand. het kort te houden; bij de tiende spreker wees hij op de ‘lunch’, bij de twaalfde noemde hij het ‘noenmaal’ en bij de vijftiende ‘het feestelijk banket’ dat op ons wachtte. Vlamingen zijn enorme taalstrijders, maar voordat de revolutie bloed kan veroorzaken, moet er goed gegeten worden. Iedere spreker had, geheel in de traditie van het onderwerp, geneuzeld over een n meer en een n minder. Ik besloot mijn anarchistisch perspectief niet in het hongerig verlangen naar een banket te laten verdwijnen en geen gekke Henkie te spelen, nu het vuur der revolutie nog geen vlam kon vatten. Ik hield mijn kruit droog voor de middagvergadering. Voorzichtig heb ik iets gezegd voor het openhouden van meer alternatieven, hetgeen me boze blikken bezorgde. Ik maakte het weer goed door de gastheren bij voorbaat te danken voor het ongetwijfeld royale banket. Want genereuze gastvrijheid kan de Noord-Nederlander van de Vlaming leren.

Het banket wás royaal. Men kan dit beschrijven met behulp van de wijnen. De Champagne, een Veuve Cliquot, liet ik na de

[p. 13]

heildronk die werd uitgebracht op de zojuist gearriveerde bewindsman Nuis maar staan, toen de Meursault, de koningin der witte Bourgognes, werd ingeschonken. Het is een wijn waar men niet bij moet praten. Alleen maar spoelen en proeven, dat is cultuur genoeg. Bij het vleesgerecht kwam de rode Bourgogne; ik wist niet dat er nog zoveel flessen Clos de Vougeot van meer dan twaalf jaren oud bestonden. Nooit praten als je deze wijn drinkt, want voor het praten moet men slikken en dat is bij deze wijn een doodzonde. Trouwens, mijn aangename Vlaamse buurman onderhield mij over de vriendenclub die de interparlementaire Taalunie geworden was, nooit één wanklank, en hij prees mij erom dat ik zo goed kon luisteren. Ik liet de fabuleuze wijn door mijn mond rollen totdat deze verdampt was, waardoor de volgende mondvol (mag men van een slok spreken als er zo lang niet geslikt wordt?) nog voller van smaak was. Ondertussen onderhield mijn buurvrouw aan de andere zijde mij over de schoonheid van het Nederlands in een hartelijk Vlaams waarin ik mijn moeder op vrijdagavond herkende. Het was een banket waarvan een vorst kan dromen. De desserts werden besprenkeld met Hautes Sauternes, een afronding die ik niet meer met koffie heb bedorven. De Vlaamse tafelvoorzitter verontschuldigde zich dat hij ons moest bidden om weer ter vergadering te gaan. Ik moet bekennen dat ik geen moment meer aan de revolutie heb gedacht.

Het werd een wat plechtige vergadering. Enkele leden zaten te knikkebollen. Bewindsman. Nuis was blij dat hij weer onder vrienden was, zei hij. Hij nam een voorschot op de eenheid door ook de Vlaamse minister te vertegenwoordigen. De voorzitter was eveneens blij dat we onder vrienden waren. Er was serieus gewerkt, zei de voorzitter. Het oudste Nederlandse lid zei ook aardige dingen jegens de Vlaamse vrienden. Er werden nog een paar n-en vastgesteld, ik geloof die van de ochtendvergadering, maar misschien waren er ook nieuwe. Mijn n minder was er ook bij. Daarna werd er gestemd. Iedereen was vóór de spellingherziening. Ik weet wel dat ik dacht: het kan toch niet goed gaan met de spelling, al die inconsequenties, iedereen gaat toch doen wat-ie wil, enfin, ik suste mijn parlementaire geweten in slaap. Na afloop hoorde ik van enkele Nederlandse leden dat ze het eigenlijk ‘idioot’ vonden om zo'n spelling bij wet vast te stellen. Het is de kernvraag van onze democratie: waarom stemmen volksvertegenwoordigers voor een wet waar ze tegen zijn? In dit geval: omdat de overheid niet de baas is over taal. Dat zijn we zelf.

Ik werd gerustgesteld, toen Van Dale de spellingherziening aan zijn laars lapte, een Vlaamse minister nog eens zijn eigen wijzigingen aanbracht en niemand, behalve een enkele taalleraar, nog weet hoe het echt moet. De taal blijft een anarchistisch genoegen, een Waddenzee, waarvan ik vanuit een bootje geniet. Soms spring ik eruit en zwem zelf een eindje.



illustratie

prepostterug  begin  verder