Op 2 april berichtte Trouw over de vondst van twee Nederlandstalige gedichten van Bernard Mandeville (1670-1733). Hoewel geboren en getogen in Nederland, is deze al tamelijk vroeg naar Engeland geëmigreerde arts-schrijver en ‘thinking man’ in zijn land van herkomst nauwelijks bekend. Ten onrechte, aldus Arne C. Jansen, die de beide gedichten ontdekte in de bibliotheek van de Maatschappij.
Toen ik mijn lieve nicht, een actieve neerlandica, belde met het nieuws dat ik twee Nederlandstalige gedichten van Bernard Mandeville had gevonden, maakte dat weinig indruk. Mandeville? Een Nederlandse schrijver? Nooit van gehoord. Dus vertelde ik haar dat Mandeville de auteur was van het bekende gedicht The grumbling hive: or, knaves turn'd honest - precies driehonderd jaar geleden verschenen - dat de basis zou vormen van zijn beroemde The fable of the bees: or, private vices, publick benefits (eindversie 1723). Ook zei ik er nog bij dat Mandeville door J. Evenhuis in De Gids (1982) in één adem genoemd was met Erasmus en Hugo de Groot, en dat Mandeville wellicht de invloedrijkste Nederlandse schrijver van de achttiende eeuw was. Maar mijn nicht gaf geen krimp. Ze zou wel eens zien, was de maximale toegeeflijkheid van een halve eeuw neerlandistische deskundigheid.
Inmiddels is zij het met mij eens dat Mandeville een Nederlandse schrijver is. Je gaat toch ook niet een Erasmus of een Belle van Zuylen uitsluiten omdat die toevalling in het Latijn en in het Frans schreven?
Bernard Mandeville werd in 1670 als Barent de Mandeville in Rotterdam geboren, als zoon van een stadsgeneesheer. Hij was een vijfdegeneratie-Nederlander, afstammeling van een ‘Waalse’ kapitein onder Caspar de Robles, die door Alva na de verloren slag bij Heiligerlee (1568) op graaf Lodewijk van Nassau werd afgestuurd. De kapitein vestigde zich enkele jaren later in Leeuwarden. Bernard promoveerde in 1689 in Leiden in de filosofie en in 1691 in de medicijnen. Op circa 25-jarige leeftijd vertrok hij, zoals zoveel Nederlanders, naar Engeland, waar stadhouder Willem iii na de Glori-
ous Revolution koning was. Hij vestigde zich als arts in Londen en huwde er in 1699 met Ruth Elizabeth Laurence, met wie hij twee kinderen kreeg. Hij overleed in Londen in 1733.
Behalve arts was Mandeville een succesvol schirijver; inde Engelse literatuurgeschiedenis is hij een naam. Tot 1709 was hij dichter, daarna prozaïst. Zijn bibliografie telt 35 titels, in totaal ongeveer 2700 pagina's. Behalve de genoemde werken kunnen worden genoemd: Aesop dress'd; or a collection of fables writ in familiar verse en Typhon: or the wars between the gods and giants (beide uit 1704), The virgin unmask'd: or female dialogues betwixt an elderly maiden lady and her niece on several diverting discourses on love, marriage, memoirs and morals &c of the times (1709), Free thoughts on religion, the church and national happiness (1720), A treatise of the hypochondriack and hysterick diseases, in three dialogues (eindversie 1730), The fable of the bees, part ii (1729) en het vervolg daarvan, An inquiry into the origin of honor, and the usefulness of Christianity in war (1732).
Anders dan sommige van deze titels misschien doen vermoeden, gaat het allesbehalve om saaie boeken. Mandeville is een scherpe observator, die zijn boodschap lardeert met rake beschrijvingen van taferelen en daarbij moeiteloos tussen beschouwing en concrete praktijk heen en weer pendelt. Zowel in proza als poëzie betoont Mandeville zich een maatschappelijk geëngageerd schrijver, die de mensen, hun samenleving en zichzelf onderzoekt en schildert zoals ze in werkelijkheid zijn. Als dichter is hij vergelijkbaar met de hedendaagse rappers. Tegelijkertijd is hij, evenals Geert Grote, Erasmus, Coornhert en Hugo de Groot, een exponent van de typisch Nederlandse poorterscultuur. Van hen is hij de sociaalwetenschapper avant la lettre: psycholoog, econoom en socioloog. Een opgewekte empirist, die niets van moralisten en idealistische filosofen moet hebben. Zij willen immers de mens anders maken dan hij van nature is, maar geen schepsel kan zichzelf veranderen, ook de mens niet. Het grootste probleem bij mensen is hun gebrek aan zelfkennis: ‘Dat zo weinig mensen zichzelf begrijpen, komt vooral doordat de meeste schrijvers hun altijd leren wat ze zouden moeten zijn, in plaats van te vertellen wat ze werkelijk zijn.’
Mandeville is een eigenzinnige protestant. Geloven is geen weten; niemand kan er iets zinnigs over zeggen; zwijgen dus. ‘Geloofsbelijdenissen zijn menselijke verdichtsels, het evangelie is de enige geloofsregel en iedereen moet voor zichzelf oordelen.’ Christelijkheid bestond al voor Christus. Mandeville huldigt steeds weer de absolute gewetensvrijheid en tolerantie, zo prachtig door Coornhert verwoord: ‘Weet of rust.’ Ethiek staat volgens hem volkomen los van godsdienst. ‘In alle tijden hebben de mensen deugden en ondeugden tentoongespreid waarmee hun godsdienst niets te maken had. Zelfs in de belangrijkste aangelegenheden beïnvloedt hun geloof in het hiernamaals hen niet meer dan de naam van de straat waarin zij wonen.’ Beschaving is alleen mogelijk door hypocrisie. Misdaden en willekeur zijn gruis in het precisie-uurwerk van een samenleving. Geldende regels moeten strikt worden gehandhaafd en overtredingen bestraft. Om goed en welvarend te kunnen samenleven, zijn een onafhankelijke rechtsbedeling en een parlementair stelsel noodzakelijk.
Mandeville heeft het niet zo op de Verlichting, omdat aan gezond verstand ootmoed inherent is, het menselijke verstand is immers maar beperkt. Elke gedachte die leidend wordt verklaard voor leven en samenleven is een stel oogkleppen, komt voort uit zelfvoorkeur - psychologisch kernbegrip bij Mandeville - en is tegelijk strijdig daarmee, dus misleidend. Dat geldt ook voor oproepen tot vroom en liefdadig gedrag. Zo was bijvoorbeeld het jarenlange optreden van de Engelse Societies for die Reformation of Manners de directe aanleiding van The grumbling hive: or, knaves turn'd honest. Dit waren comités van intolerante puriteinen die het doel hadden allerlei overtreders van de officiële christelijke moraal, inclusief in de strafwet vastgelegde christelijke regels, te vervolgen. Deze fatsoensrak-
kers waren zeer actief - ze kregen een deel van de opgelegde boetes.
In het genoemde gedicht laat Mandeville zien wat er gebeurt als iedereen opeens echt vroom en eerlijk zou gaan leven: het is de kortste weg naar een barre, armoedige natuurstaat. Het zijn juist de als ondeugdzaam aangemerkte persoonlijke eigenschappen zoals ijdelheid, gemakzucht, behagen in luxe, hebzucht, afgunst, eerzucht en bedrieglijkheid die de motor van de welvaart van een samenleving vormen. Zij bepalen de verscheidenheid en omvang van de behoeften die, om bevredigd te kunnen worden, leiden tot vindingrijkheid, bedrijvigheid en handel. Vroomheid daarentegen is improductief.
Het werk van deze postideologische psycholoog, econoom en socioloog avant la lettre bezit een verrassende actualiteit. Voor de ontzuilde Nederlander van nu vormt het een aangename en ontspannende inspiratiebron. De opgewekte oneliners vliegen je om de oren. Des te verbazender is het dat deze Nederlandse schrijver van formaat ons drie eeuwen lang onthouden is. Terwijl zijn betekenis en invloed op latere denkers in het buitenland volop erkend worden, speelt hij geen enkele rol binnen het Nederlandse culturele besef. Hopelijk zal het voornemen van een gerenommeerde uitgeverij om vanaf voorjaar 2006 het gehele werk van Mandeville uit te geven daar een kentering in brengen.
Op mijn website www.bernard-mandeville.nl is al een breed assortiment van Mandevilles teksten te vinden, waaronder de beide door mij opgediepte Nederlandstalige gedichten. Die worden ook in de bijlage hierachter integraal weergegeven. ‘Versoek-schrift’ en ‘Dankzegginge voor 't Genotenen’, samen goed voor 132 regels, zijn gericht aan een zekere Thijs. Dit is hoogstwaarschijnlijk Sir Matthew Decker (1679-1749), met wie Mandeville jarenlang bevriend was. Geboren in Amsterdam als Matthijs Decker, was hij al op jonge leeftijd naar Engeland verhuisd, waar hij carrière maakte als textielkoopman, bankier en directeur van de East Indian Company en in de adelstand werd verheven. In 1708, het jaar waarin de gedichten geschreven moeten zijn, dreef Matthew Decker nog een winkel in of bij de Beurs van Londen. Mandeville wil dat hij dichtbundels van hem gaat verkopen en laat hem daarvan een stapeltje bezorgen. In het begeleidende ‘Versoek-schrift’ probeert hij Decker over te halen dit voor hem branchevreemde artikel toch aan de man te brengen.
Uit ‘Dankzegginge voor 't Genotenen’ blijkt dat Decker op Mandevilles verzoek ingegaan is. Mandeville stuurt hem opnieuw een pakket ‘manke gedigte’, waarmee hij zijn beroemde The grumbling hive or knaves turn'd honest bedoelt. ‘Dankzegginge voor 't Genotenen’ is vooral een rechtvaardiging van ‘Versoek-schrift’. Beide gedichten zitten vol toespelingen op de actualiteit. Hij vergelijkt zichzelf met de Engelse koningin. Net als een Nederlandse premier vraagt zij het parlement om geld, omdat de regering allerlei zaken wil bekostigen. Hij doet niets anders: hij vraagt Thijs de gedichten van hem in te kopen, want hij en zijn gezin moeten ook rondkomen terwijl alles duurder wordt. Daarnaast vergelijkt Mandeville zakenlui en dichters. In weerwil van de negatieve vooroordelen die ze over elkaar hebben zijn ze eender: beide groepen schrijven en streven naar geldelijk gewin. Een dichter is ook een gewone neringdoende. Business en zogenaamde hogere waarden hoeven niet met elkaar op gespannen voet te staan, bij zakenlui niet en bij dichters niet. André Hanou zei over de gedichten in Trouw van 12 april:
Deze nieuw ontdekte gelegenheidsgedichten met die wereldse toon, door Mandeville, import-Nederlander in Albion laten voor het eerst plastisch zien dat de keizer geen kleren aanheeft, en dat de publieke dimensie er naakt bijloopt. Het is een voorbode van zijn latere boodschap: moeten we ons niet druk maken over een nieuwe dressing van de moraal.
‘Versoek-schrift’ en ‘Dankzegginge voor 't Genotenen’ bevinden zich in handschrift in de map Ltk 415 van de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Op de website van de ub

Opschrift en eerste regels van ‘Versoek-schrift’. Universiteitsbibliotheek Leiden, Ltk 415, fol.6r.
Leiden staan mooie facsimile's van het handschrift, dat overigens niet door Mandeville zelf geschreven is. Ltk 415 behoort tot het oudste gedeelte van de bibliotheek van de Maatschappij. Hoe het daarin terecht is gekomen, is niet bekend. Misschien via de griffier Hendrik Fagel en zijn zoon François, een vroeg lid van de Maatschappij?
Ik kwam het handschrift op het spoor via de website van de ub Leiden, door daarop naar Mandeville te zoeken. De inhoud van Ltk 415 wordt in de Catalogus der Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Eerste gedeelte (1887; het stuk over de handschriften was overigens al in 1877 afzonderlijk afgedrukt) als volgt omschreven: ‘Kraeyvanger, Ter voorstellinge van Hendrik Zwaardekroon, als Gouverneur-generaal van N. Indië. 1720, en andere gedichten. 4o. - Het gulde A.B.C. - Verzoekschrift van Dr. B. Mandeville, enz.’ Op 9 november 2004 ben ik ter plekke poolshoogte gaan nemen. Ik verwachtte hooguit een verzoekschrift van Mandeville aan te treffen uit de tijd dat hij student was in Leiden, bijvoorbeeld om een examen te mogen doen.
Nu vraag ik me af wat er zich nog meer aan moois van Mandeville in Nederlandse en buitenlandse collecties en archieven bevindt. Maar ook dat wat we al hebben, Engels- of Nederlandstalig, zou ruimschoots voldoende moeten zijn om eindelijk te beseffen dat we met Mandeville al driehonderd jaar een kanjer van een schrijver bezitten. Mijn nicht heeft deze schrijver, die niet alleen de Hollandse nationaliteit behield maar als zestigjarige nog over zijn Engels schreef: ‘Being a foreigner I dare not be very positive in what concerns the language’, inmiddels in haar armen gesloten. Hopelijk gaan de Maatschappij-leden door deze bijdrage aan hun lijfblad haar voorbeeld volgen.
Door doct(o)r Bernard Mandeville gepresenteerd aen een zijner vriende zijnde tot London op de verkooping der Oost-Indische Compagnie1