terug  begin  verderprepost
[p. 50]

Twee brieven van Jacob Israël de Haan aan Jacques van Ginneken S.J. in verband met de Hollandse significa

Paul Begheyn S.J.

In het Archief van de Nederlandse Jezuïeten bevinden zich twee brieven van Jacob Israël de Haan die het verdienen te worden uitgegeven.

 

De Duitse taalkundige H. Walter Schmitz, privaatdocent aan het Instituut voor Communicatie wetenschap en Fonetiek aan de Universiteit van Bonn, publiceerde in 1990 een gedetailleerde monografie over het ontstaan en de ontwikkeling van de signifische beweging in Nederland van 1892 tot 1926.1 Deze leer der verstandhoudingsmiddelen is een specifiek Nederlandse bijdrage tot de semiotiek, de communicatiewetenschap en de wetenschapstheorie. De grondslag ervan werd gelegd door de Engelse Victoria Welby (1837-1912), een voormalige hofdame van koningin Victoria. Zij wist in Nederland aanhangers voor haar denkbeelden te vinden, onder wie de schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), de literator en jurist Jacob Israël de Haan (1881-1924), de wiskundigen Luitzen Brouwer (1881-1966) en Gerrit Mannoury (1867-1956), en de taalkundige en theoloog Jacques van Ginneken (1877-1945).

Twee brieven van Jacob Israël de Haan, geschreven vanuit Amsterdam, aan de in Nijmegen woonachtige jezuïet Jacques van Ginneken in verband met de signifische beweging zijn bewaard gebleven. De Haan bleef bij de beweging betrokken tot aan zijn vertrek naar Palestina in januari 1919, terwijl Van Ginneken lid was van de ‘Signifische Kring’ van 1919 tot eind 1924.2

In de eerste brief van 25 juli 1914 valt De Haan met de deur in huis, en presenteert zich massief aan de nietsvermoedende geadresseerde, wiens. ijdelheid hij weet te strelen door te verwijzen naar diens taalstudies. Met een verrassende openhartigheid bekent hij hoezeer bij hem de belangstelling voor de semantiek steeds meer de overhand krijgt boven zijn juridische studies. De Haan voelt zich wel thuis bij de taalbeschouwingen van Van Ginneken en kondigt zijn bezoek al min of meer aan: ‘als u belang stelt in mijn werk wil ik wel eens bij u komen’. Hij wil bij die gelegenheid zijn uitgesproken mening over de stijl van de hooggeleerde pater ventileren. Het lijkt erop dat deze brief uiteindelijk slechts één doel heeft, dat geheel aan het einde wordt uitgesproken: ‘een handschrift of een drukproef’ van het Handboek der Nederlandsche taal van Van Ginneken, waarvan in 1913 het eerste deel verschenen was. In het archief van De Haan3 zijn geen brieven van Van Ginneken aangetroffen, zodat niet bekend is of een ontmoeting tussen beiden inderdaad heeft plaatsgevonden. Deze eerste brief is in de monografie van Schmitz opgenomen, zij het onvolledig, nauwelijks geannoteerd en niet geheel vrij van fouten.4

De tweede brief dateert van iets meer dan twee jaren later: 30 juli 1916, en werd niet eerder uitgegeven of geciteerd. Zij is een gedetailleerd commentaar op een uitvoerig artikel van Van Ginneken over het gevoel in taal en woordkunst, dat De Haan van plan is te gaan gebruiken in zijn lessen als privaatdocent, een beroep dat hij op 31 oktober 1916

[p. 51]

zou aanvangen met het houden van een openbare les aan de universiteit van Amsterdam. De Haan bekent nogal moeite te hebben met de manier waarop Van Ginneken Hebreeuwse woorden gebruikt, en evenzeer met diens gebruik van vreemde woorden en ‘spraakbeelden’. Tussen de regels door komt hij ineens naar voren met twee dichtregels die hem onlangs ingegeven werden. Hoe zorgvuldig Van Ginneken de brief van De Haan heeft gelezen, blijkt uit de glossen die hij op twee plaatsen noteerde, en die een aanzet lijken te zijn voor een te schrijven brief. Daarin wilde Van Ginneken meedelen dat hij het op één punt na grotendeels eens is met de bespreking van De Haans recente dichtbundel Het Joodsche lied door M.H. van Campen. Tevens bekent hij geraakt te zijn door een van de gedichten uit de genoemde bundel, ‘juist om dat berouw’.

Tekstuitgave

Nijmegen, Archief Nederlandse Jezuïten, z 33

 

[fol. 1r] [gedrukt briefhoofd]

Jacob Israël de Haan.

Frans van Mierisstraat 118.

Tel. z. 3647.

Amsterdam, 25.7.'14

 

Zeer HoogGeachte Doctor Van Ginniken5, misschien hebt u wel eens gedichten van mij gelezen in De Beweging6 en in De Gids7? Ik schrijf u thans dezen brief naar aanleiding van uwe taal-studies voor welke ik eene groote bewondering heb. Daaruit volgt meestal ook eenige kritiek. Ik ben voor onderwijzer opgeleid aan de Rijkskweekschool te Haarlem (1896-1900). In 1902 heb ik examen gedaan voor hoofdonderwijzer. Op het onderwijzersexamen kreeg ik 4 = onvoldoende voor stijl. Vindt u dat niet aardig? Mijn zuster, de schrijfster Carry van Bruggen kreeg in hetzelfde jaar van dezelfde commissie eveneens 4. In 1903 heb ik staatsexamen gedaan en ben toen rechten gaan studeeren. Na mijn doctoraal (1909) ben ik gaan werken aan een proefschrift over de begrippen: Aansprakelijk, Verantwoordelijk, Toerekenbaar.8 Door allerlei omstandigheden ben ik in dat [fol.1v] werk zeer opgehouden. En ik kan er ook nu slechts weinig aan

illustratie
Jacob Israël de Haan. Tekening in houtskool door Maurits de Groot, november 1918. Collectie Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA), Bibliotheca Rosenthaliana. Foto Paul Dijstelberge.

werken. Toch denk ik het boek af te maken. Om de titel van Mr geef ik niets. Steeds meer en meer ben ik in de richting van de semantiek gekomen. En ik geloof, dat dit de goede richting is. Uw proefschrift9 zal ik niet in mijn beschouwingen betrekken dan eenigszins terloops. Wel uw Handboek van de Nederlandsche Taal.10 Ik heb het eerste deel doorgewerkt. Ik sta zoowat tusschen de logische en de psychologische taalbeschouwing in. Daarover te schrijven ware al te uitvoerig. Maar als u belang stelt in mijn werk wil ik wel eens bij u komen. Ik heb twee merkwaardige Engelsche boeken.11 En tal van aanteekeningen. Ik wou ook wel eens over uw eigen stijl spreken. In het Rechtsgeleerd Magazijn van 191112 vindt u een artikel van mij ‘Nieuwe Rechtsphilosophie’.13 Ten slotte: ik ben bijna door de litteratuur, [fol. 2r] die ik lezen wilde, heen. Nu zou't lastig zijn als de andere deelen van uw Handboek uitkwamen wanneer ik bezig was te schrijven. Wanneer zullen zij komen?14

[p. 52]

Zoudt u mij misschien een handschrift of een drukproef willen leenen? Ik hoorde van iemand, die een proef van het tweede deel had gehad.

Inmiddels met oprechte hoogachting uw zeer d.w.,

 

Jacob Israël de Haan.

 

Nijmegen, Archief Nederlandse Jezuïeten, z 33

 

[fol. 1r] [gedrukt briefhoofd]

Jacob Israël de Haan.

Frans van Mierisstraat 118.

Tel. z. 3647.

Amsterdam, 30.7.'16

 

Geachte Dr Van Ginneken,

 

eerst heden kom ik er toe u enkele opmerkingen te maken over uw bijdrage ‘Het Gevoel in Taal en Woordkunst’.15 Ik heb deze met zeer veel instemming gelezen en zal ze gaarne bij mijn lessen als privaatdocent gebruiken.16 Ik maakte er vele aanteekeningen bij. B.v. 118-119 over de woorden met tegengestelde beteekenissen, die in het Hebreeuwsch zoo talrijk zijn. Bld.127: ik wees u al op de Hebreeuwsche stam סלש, die ‘vrede’ en ‘betalen’ voortbrengt. Bldz.140: Hoe kende u de boeken van Lady Welby?17 Bldz.145: רבד is zeker een zeer merkwaardig woord. Ik heb het wel eens probeeren te onderzoeken. Heel mooi vind ik bldz.148. Wat u zegt komt overeen met mijn eigen ervaring als dichter. Laatst kwam ik's avonds buiten en toen gevoelde ik de [fol. 1v] beide regels: ‘Niet meer dan één gouden ster aan de lucht, Niet meer dan één verlangen in mijn hart.’18 Bldz.181 en 198: ongezouten. Dit heeft een geheel andere beteekenis als19 ‘flauw’.

189: Met uwe Hebreeuwsche woorden heb ik altijd wat moeite. Ik ben te veel aan Hebreeuwsche letters gewend. De wortel -kbd-ken ik natuurlijk. Maar andere woorden kan ik in uwe schrijfwijze niet thuis brengen.

Bld.231 ‘hoog’ en ‘diep’. Jacques Perk heeft meen ik in eene andere woordkeus van sonnet 54 gesproken van ‘hooge afgrond’.20

Bldz.256: maakt u de tegenstelling ‘logisch-psychologisch’

illustratie
Jacques van Ginneken, jaar onbekend.
Archief van de Nederlandse Jezuïeten, Nijmegen.


niet te scherp? U zegt, dat die zaak door Steinthal21 reeds is uitgevochten? Prof. Heymans en Prof. Kohnstamm hebben er een jaar of wat geleden in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte [fol. 2r] lange artikelen over geschreven.22 [(zal die eens opzoeken)23]

Bldz.272 v.v.: hier heb ik voortdurend last gehad met de schrijfwijze der Hebreeuwsche woorden. Als u een plaats opgeeft zooals bldz.285 No 112 dan kan ik het naslaan.

Wat bent u toch altijd vechtlustig. Nu moet ik volgens uw kaart van 24 Mei24 weder Steinthal ‘aanpakken’ en ‘weerleggen’. Ik denk er niet aan. Ik lees weinig. Denk zooveel ik denken kan en probeer eenheid te vinden.

Na de vacantie begin ik mijn colleges als privaatdocent in de rechtskundige significa. Een taalgeleerde, die niet vreemd is aan uw benoeming als lid van de Akademie, is ook niet vreemd aan mijne

[p. 53]

toelating.25 Hier, de juridische faculteit voelde er niet dadelijk zoo [fol. 2v] bar veel voor.

Met belangstelling las ik uw bijdrage in de n.t.g. over Statistiek en Taalwetenschap.26 Met uw ruim gebruik van vreemde woorden en spraakbeelden ben ik het niet eens. Ik kom daar wel eens op terug in het W.v.h. Recht.27

Hebt u Van Campens28 opstel in De Gids van Juni29 gelezen? [Ja. En ik ben het er grootendeels me30 eens. Slechts-Vroeger niet gestuurde brief. - op één punt sta ik diametraal tegenover hem. Ik heb uw mitswogedicht31 het mooiste gevonden, wat ik van u ken, juist om dat berouw.]32

Nu, ik eindig. Gaarne de uwe,

 

Jacob Israël de Haan

1H. Walter Schmitz, De Hollandse significa. Een reconstructie van de geschiedenis van 1892 tot 1926, Assen / Maastricht 1990.
2J. Noordegraaf, ‘Jac. van Ginneken en de signifische beweging’, in: S.A.J. van Faassen (red.), Was ik er ooit eerder? Een bundel opstellen aangeboden aan Dr H.A. Wage bij zijn afscheid van de School voor Taal-en Letterkunde, 's-Gravenhage 1980, p.41-61; Jan Noordegraaf & Ad Foolen, ‘Bezieling en conflict. Jac. van Ginneken en de taalkunde’, in: Ad Foolen & Jan Noordegraaf (eds.), De taal is kennis van de ziel. Opstellen over Jac. van Ginneken (1877-1945), Münster 1996, p.11-34.
3Ludy Giebels. Inventaris van het archief van Jacob Israël de Haan (Smilde 31 december 1881-Jeruzalem 30 juni 1924) in de Bibliotheca Rosenthaliana, Amsterdam 1994.
4Schmitz, De Hollandse significa, p.136.

5De correcte spelling is: Ginneken.
6De Beweging. Algemeen maandschrift voor Letteren, Kunst, Wetenschap en Staatkunde, werd gesticht door Albert Verwey, en verscheen tussen 1905 en 1919.
7De Gids, in 1836 opgericht en in 1837 voor het eerst verschenen maandblad.
8Jacob Israël de Haan, Rechtskundige significa en hare toepassing op de begrippen ‘aansprakelijk, verantwoordelijk, toerekeningsvatbaar’, Amsterdam 1916, 278 p.; proefschrift Universiteit van Amsterdam.
9Jacobus Johannes Antonius van Ginneken, Principes de linguistique psychologique. Essai synthétique, Amsterdam [enz.] 1907, 552 p.; proefschrift Universiteit van Leiden.
10Jac. van Ginneken, Handboek der Nederlandsche taal, 2 delen, Nijmegen 1913-1914.
11Waarschijnlijk doelt hij op de publicaties van Victoria Welby; zie de tweede brief hierna.
12De Haan vergist zich hier in het jaartal; zie volgende noot.
13Jacob Israël de Haan, ‘Nieuwe Rechtstaalphilosophie’, in: Rechtsgeleerd Magazijn 31 (1912), P.480-522; herdrukt in: Govaert C.J.J. van den Bergh, De taal zegt meer dan zij verwoorden kan. Een keuze uit de verspreide rechtskundig-signifische geschriften van Mr. Jacob Israël de Haan, Nijmegen 1994, p.5-29.
14Van het Handboek verschenen slechts twee delen.
15Jac. van Ginneken, ‘Het gevoel in taal en woordkunst’, in: Leuvensche Bijdragen 9 (1910), p.265-356.
16In de openbare les die De Haan uitsprak ‘bij den aanvang zijner lessen als privaatdocent in de rechtskundige significa aan de hoogeschool van Amsterdam’ op dinsdag 31 oktober 1916, citeert hij Van Ginneken diverse malen. Zie zijn ‘Wezen en taak der rechtskundige significa’, in: De Gids 80-iv (1916), p.281-306; ook afzonderlijk verschenen: Amsterdam 1916.
17Victoria Welby-Gregory (1837-1912). Zij publiceerde de volgende werken: Links and clues, London 1883; Grains of sense, London 1897; What is meaning? Studies in the development of significance, London 1903; Significs and language. The articulate form of our expressive and interpretative resources, London 1911. Met uitzondering van de derde titel bevinden zich exemplaren van deze publicaties, met eigenhandige opdrachten van de auteur aan Frederik van Eeden, in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.
18Deze regels heb ik niet teruggevonden in Jacob Israel de Haan, Het Joodsche lied, Amsterdam 5676 (1915).
19Versta: dan.
20In geen der versies van sonnet 54 komt de uitdrukking ‘hooge afgrond’ voor; zie G. Stuiveling (ed.) Jacques Perks Mathildekrans naar de handschriften volledig uitgegeven, Den Haag 1941.
21De taalkundige Heymann Steinthal (1823-1899).
22G. Heymans, ‘Het psychisch monisme’, in: Tijdschrift voor Wijsbegeerte 8 (1914), p.213-239. Ik ben er niet in geslaagd een artikel van Ph. Kohnstamm, in het Tijdschrift voor Wijsbegeerte, jaargangen 1911-1915 te vinden. De Haan moet zich vergissen in het tijdschrift of in de datering.
23Glos van Van Ginneken.
24Vindplaats onbekend.
25Mogelijk doelt De Haan hier op Van Ginnekens Leidse leermeester en promotor C.C. Uhlenbeck (1866-1951).
26Jac. van Ginneken, ‘De statistiek en de taalwetenschap’, in: De Nieuwe Taalgids 9 (1915), p.65-95.
27Jacob Israël de Haan kwam er in een ander tijdschrift op terug: ‘De Nederlandsche rechtstaal’, in: Rechtsgeleerd Magazijn 36 (1917), p.393-430; herdrukt in Van den Bergh, De taal zegt meer dan zij verwoorden kan, p.108-128, waar hij p.127 schrijft: ‘Mij dunkt: wanneer Dr. Jac. van Ginneken eens alle vreemde woorden vermeed, dat zijn stijl dan matiger, strakker zou worden.’
28Michel Herman van Campen (1874-1943), diamantbewerker, en vervolgens criticus van De Gids.
29M.H. van Campen, ‘Oude en nieuwe Joodsche dichtkunst. Naar aanleiding van en over Jacob Israël de Haan's Joodsche lied’, in: De Gids 80-II (1916), p.532-558.
30Lees: mee of mede.
31De Haan, ‘Aan Leo V ... Op zijnen Bar-Mitswo-dag’, in: Het Joodsche lied, p.114-117.
32Glos van Van Ginneken.
prepostterug  begin  verder