terug  begin  verderprepost

XVI. Hoofdstuk.
Van de manier op welke men zig moet eere doen bewyzen.

WYders is het nut te weten, wat ons in het byzonder belangt, dat het een onbetamelykheid is zich te doen eere bewyzen in tegenwoordigheid, of ten huize van een Persoon, die van meerder staat is, als wy, en aan wien wy zelf eerbiedigheid schuldig zyn; om dat de behoorlykheid, welke vereischt, dat men zich over al vernedere, dat volkomentlyk verbied in zulken voorval, daar de meeste, volgens de ordre der Natuer, den minsten moet voorgaan en doen wyken, zo dat, by voorbeeld, het onbetamelyk is voor Persoonen van middelbare staat zig te doen van een eersleep volgen, en voor een Juffrouw, zich te laten geleiden, en zich den sleep te laten nadragen ten huize, en in de

[p. 177]origineel

tegenwoordigheid van een Persoon, die verre boven haar in staat verheven is.

En of wel schoon niemand vorquistent en onagtsaam in de eerbewyzingen, die hem met recht toekomen, moet wezen; zo behooren eerlyke Menschen nogtans zig niet te zeer te beroemen over hare edelheit, nog over de eer die aan haar is bewezen, nog over hare goederen; en nog minder over haren geest en verstant, over hare daden, over hare kloekheid; nog van de grootheit harer Voorouderen spreken, die allesints ophalende, gelyk sommige gewoon zyn te doen; om dat, als wanneer de genen met welke men ommegaat, edele, ryke, en dappere willen zyn, het zelve schynt als of men met haar over de dapperheid en edelheid wilde twisten; en indien zy van geringer staat mogten wezen, dan is het als of men haar hun geringheit en elenden komt te verwyten. Dit mishaagt zonder onderscheyd aan allerley Persoonen. Men moet dan zich niet te zeer vernederen, nog te zeer verheffen; maar als men zich verplicht vind tot zyn eigen voordeel te spreken, zo is het beter die eenigsins te vergeten, als die

[p. 178]origineel

te verheffen door zyne redenen: want een Mensch moet zedig wezen, wanneer hy van zig zelven spreekt.

Maar egter, die gene, die zig door te zeer verkleynende woorden vernederen, en de eere weigeren, welke hun regtmatig toekomt, doen hier in niet minder hunne verwaantheid en opgeblazentheid uitschynen, dan die geene die zodanig een eere aan zig laten leunen, waar aan zy geen deel hebben. Maar of men dezulke ook daar over berispt of pryst, zo is het egter zeker, dat de gene die vlied, waar de andere na tragten, daardoor haar alle mispryst, of berispt: want de eerbewyzingen te versmaden, die by alle Menschen zo hoog geagt worden, is eenigsints zig boven al de wereld te willen verheffen, en zig meerder te achten dan alle de andere Menschen: dewyl 'er niemand is, die weigert het gene agtens-waardig schynt, indien hy gelooft iets veel grooter en kostelyker te bezitten.

Wy moeten niet roemen op onze goederen, nog op onze bequaamheden; maar wy moeten ook die niet mispryzen: om dat het eene is als een verwyt

[p. 179]origineel

van de gebrekkelykheden der geenen, met welke wy omgaan, en het ander is een verachting van hare deugden. Het is dan goet, niet van ons selven te spreken: en indien de gelegentheid ons perst om iets daar van voort te brengen, zo moet men de waarheid spreken; maar met zedigheid. Hierom moeten de genen, die aangenaam tragten te schynen, zig wel wachten zodanige Persoonen na te volgen, die zo vreesachtig op allerhande voorstellingen haar gevoelen zeggen, dat het een onverdraagelyke moeyelykheid geeft haar aan te hooren, indien het anders wyze en verstandige Persoonen zyn. Myn Heeren, zeggen zy, gy zult myne kleine en geringe welspreekentheid verschounen, ik zal slechts ten ruigsten daar van spreken volgens myn zwak begrip, als een Persoon die niet zeer verlicht is: ik ben verzekert, dat gy zult lacghen met het gene ik zal zeggen: eindelyk, het is alleen om u te gehoorzamen, zy geven haar zelve zulke grote moeiten, en maken zulke lange voorredenen, dat de scherpzinnigste vragen beslist zouden wezen, eer zy recht tot de stoffe zyn ge-

[p. 180]origineel

treden: en zy konnen nooit tot een goed einde brengen 't geen zy willen zeggen.

prepostterug  begin  verder