|
|
|
| |
Toon: Wy liepen laatstmaal met, &c.
LIef-hebbers van de weyery,
Sta stil! en luistert wat naar my,
Ik zalje maken hier gemeen
Al van zoo vreemde dingen,
Hoe dat de Spillebouts Heleen,
| | | |
De Jongmans zoo leert springen.
2 Die eenig onderwijs begeert,
Die gaat daar zy is genoteert:
Het is al op de Brouwers-gracht,
Die zal u nemen wel in acht:
Want zy is de Makelaarster.
3 Zegt dan Marretje mijn vriendin,
Hebt ghy der een naar mijne zin:
Zy zal u vragen wat voor een,
Zoo zegt de Spillebouts Heleen,
Ik wou zoo graag wat leeren.
4 't Is op een stoel of op het bedt,
Of zo wy anders zijn gezet,
Daar kunt ghy mee, tot u plaizier,
| | | |
Of zoo ghy best zoudt willen
Doen, op veelderley manier,
5 Het zy van achter ofte veur,
Ghy hebt van alderley de keur,
Het is van onder of daar op,
Het doet zoo goet in haare strop,
Zy 's wonder van geboorte.
6 Wel hey! wat duivel leid 'er aan?
'k Moet naar de Potte-kelder gaan,
En zien of daar een heeft geweest
Die iets op mijn verzochte,
Of mee van mijn wou zijn geneest,
't Geen Venus in hem wrochte.
7 Zoo vindt ghy daar de heele stoet,
| | | |
Al van den Drommel uitgebroet.
Als Aarlant, en de kleine Kaat,
En het schoone Moffinnetje,
Die Heleen verr' te boven gaat,
En het blanke Ieudinnetje.
8 Dan is 'er noch een schoonder Bloem,
Om reden ik haar naam niet noem,
Die is de beste noch van al,
Zy weet haar wat te toomen;
Maar dat zy is geraakt ten val,
't Is door Heleen gekomen.
9 Daar is Katrijn van Rotterdam,
Die loopt nu meê gelijk een Lam;
Maar, ach! zy ziet gelijk een snip,
Maar had ze u eens in de knip,
| | | |
'k Wed ze dan niet mal is.
10 En Lobberig de Boerin ook meê,
Die onlangs zulken val noch deê,
Zy roeptz', en klaagt, och! och! mijn weê,
Ach! ach! mijn vrouwlijkheidt ontwee,
Ik kan de kost niet winnen.
11 En Bolleschokkers aardig dier,
Die schier verbrandt door 't minne-vier,
Daar Paphos geile roem op draagt,
Die is zoo zot van 't minnen,
Dat elk een Jonge, wie haar vraagt,
Maar dadelijk stuurt binnen.
12 Zoo hebt ghy daar Anidas noch,
Die veeltijdts loopt onder bedroch;
Maar die is onder 't Jootsch geslacht,
| | | |
Die weet zy zoo te snoeyen;
Maar, laas! zy wierd onlangs gebracht
13 Doen quam hare zuster aan,
Die zey, Heer Schout, ey! laat haar gaan
Voorwaar 't is een eerlijcke Meid,
't Is een zaak daar niet aan is:
Want hare eer is vast genait
Van ons buer-knecht Iohannis.
14 En noch by d'Akademy swiert
Een lange Machtelt met een Giert;
Doch Giert is moyer van fatzoen;
Maar ze heeft weêr een bakhuis,
Men hoort het uit te schild'ren doen,
En hangen 't voor een kakhuis.
15 Ik bidt, Martijntje, hellep mijn,
| | | |
Genees mijn doch van minne-pijn;
Ik brandt gelijk het vuur van Zol,
Ghy kunt mijn wel uitbluszen,
Ik ben u alzoo goeden Pol
Als Monsieur vander Duszen.
16 Marry la Mot de vuile Hoer,
Die houdt haar nu veel by een Boer;
Ik moet u zeggen wie het is,
Het is een Borgers zoon gewis,
Sijn Vaar woont tot Westvalen.
17 Hoe vaart het nu al Leonoor?
Lecht ghy noch wel dikw' op een oor?
Wil 't smeer-bed u verlaten? ziet,
Maar voor dees tijdt zo kan ik niet;
| | | |
Want ghy zijt waart de plagen.
18 En hare zuster Marregriet,
Die hulp 'er menig in 't verdriet,
Al door haar valsche tong en keel,
En haar verdorven k.....,
Hulp ze menig aan 't graveel;
'k Meen aan een druipers wontje.
19 Maar Krente-kous die loopt voorwaar,
En 't is een Hoer in 't openbaar:
Het scheelt haar niet van wat voor een,
Of wie het best zoud willen,
Men loopt 'er noit geen blaauwe scheen;
Maar tijt 'er voort aan drillen.
20 Doch Vroutje is een getrouwt wijf,
Die al de Jongmans Beffen stijft;
En zy stijft noch al vry wat meer,
| | | |
Het rijst zoo licht gelijk een veer,
't Stijven moet ghy betalen.
21 En daar was Juffrouw Vogelaert;
Maar die eet liever Pos als Baars;
Maar, ach! zy heeft het zoo gemaakt,
Dat hare man moet vechten
Gaan, tegen de Engelsche staart,
Zijn degen wou niet hechten.
22 Zoo is 'er noch een klein Katrijn,
Die veeltijdts loopt daar Jongmans zijn;
Maar zy 's de slagen niet gewent:
Want zy loopt met haar scheurtje,
Gelijk het Gildt wel is bekent,
Als met een open deurtje.
23 Wel Haagze Kaatje, zoete dier,
| | | |
Het Nayen is zoo groot playzier:
Ja zeker dat geloof ick wel,
Daarom zoo gaan wy loopen,
En 't diepste van ons minne-vel
Staat voor een ieder open.
24 Juffrouw Maiziers, komt gaat met mijn,
Wy moeten lustig vrolijk zijn,
Voorwaar mijn degen staat zoo stijf,
Ik weet het niet te schikken,
Het zy dat hy raakt in jou lijf,
Dan zal hy weêr verquikken.
25 Zara van Aken, mee zeer koen,
Die zou 't haar wel eens laten doen,
Al was het van Mall' Ariaan,
Of Duits, Knoet, Mof, of plat Wael:
Ik wed zy zou 't niet weder-staan,
| | | |
Al deed' haar 't Sybrant Kat-aal.
26 Hoort toe, Jongmans, ik wil u raên,
Als ghy wilt kouzen koopen gaan,
Zoo gaat al by Moye Marry,
't Is in Jan-Room-poorts-straatje,
Daar krijgt gyze van Zay en Zy,
En daar by een zoet praatje.
27 Een kous al tot jou derde bien,
Daar kan zy jou wel mee verzien:
Of zoo wanneerje krijgt een gril,
Zoo wiltze maar doen halen,
In welk Hoer-huis dat ghy maar wil,
Aan haar en zal 't niet falen.
28 Nu heb ik u gewezen aan,
En ook van haar de weet gedaan.
Kost ik niet brengen in jou zin,
| | | |
Dat ghy van daar kost blijven:
Want zo ghy raakt tot harent in,
Het kost u moye schijven.
|
|
|