|
|
|
| |
| | | |
Voorrede.
De brieven van een aantal der oudste doopsgezinde martelaren uit
ons land; hunne belijdingen of berichten van verhooren, door hen ondergaan;
hunne testamenten of afscheidsbeden en -vermaningen, uit den kerker aan de
hunnen gezonden; de ‘Offerliederen’ of liederen, op martelaren
(meest andere dan de schrijvers van de brieven) bij of kort na hun dood
gedicht; en dit alles, zooals het reeds vroeg in het ‘Offer des
Heeren’ en het daarbij behoorende ‘Lietboecxken’ is
bijeengebracht: ziedaar hetgeen in het tweede deel dezer Bibliotheca thans in
nieuwe uitgaaf het licht ziet. Dat werk mag een historisch gedenkstuk heeten
van de grootste waardij. Het mag dat om zijn rijken schat van de meest
authentieke berichten uit den tijd der bloedige vervolging, van ongezochte en
vertrouwelijke mededeelingen der vervolgden zelven over 'tgeen hun hart en de
harten in hun kring bewoog; om den grooten invloed, dien het, geliefde lektuur
als het in die martelaarskringen was, heeft geoefend; eindelijk omdat wij hier,
indien ergens, de onvervalschte taal en schrijfwijze van onzen
16deeeuwschen burgerstand te lezen krijgen.
Dat ‘Offer des Heeren’ is een echt volksboek geweest.
Hoe bezat het ook al de deugden daarvan: met zijne beknoptheid wat het getal
der daarin opgenomen martelaars betreft, zijne levendige afwisseling van
inhoud, van verhaal en brief, van gesprek en vermaning of godsdienstige
uiteenzetting; niet het minst met de toegevoegde liederen, op bekende wijzen,
stichtelijke of wereldsche, gezet. Een volksboek, eigenlijk een volksboekje
‘om’ - zooals het in de voorrede van het
‘Lietboecxken’ heet - ‘bij zich te dragen’.
Daartoe leende het zich uitnemend. De voortreffelijke typographische uitvoering
met het even voortreffelijke papier der 16de eeuw heeft gemaakt, dat
de tekst van dit kloeke boekdeel toen kon worden saamgevat in een deeltje,
'twelk, in leder gebonden, niet meer dan 12,6 cM. lengte, 7,7 cM. breedte, 3,3
cM. hoogte heeft. De eerste uitgaaf is zelfs slechts 10,2 cM. lang.
| | | |
Dat wij dus voor dit tweede deel aan eene nieuwe uitgaaf van
dezen bundel de voorkeur gaven boven die van andere gedenkstukken uit den
hervormingstijd, lag voor de hand. Vele van de liederen toch, voor tal van
bijzonderheden uit de martelaarsgeschiedenis de éénige en
tegelijk van tijdgenooten afkomstige en betrouwbare zegslieden, zijn nergens
dan in de zoo zeldzame exemplaren van dat ‘Offer des Heeren’
bewaard gebleven. En de brieven, belijdingen en testamenten, die wèl
behalve in deze en in de misschien nog schaarscher voorkomende
‘Groote Offerboeken’ ook bij
Van Braght eene plaats hebben gevonden, zijn daardoor
geenszins gevrijwaard voor het gevaar van in hun oorspronkelijken vorm te loor
te gaan. Reeds vóór Van Braght toch waren bij het telkens
herdrukken meer dan ééns veranderingen in den tekst ingeslopen of
aangebracht. Ook hij wijzigde hier en daar den zin of de taal. In zijn werk
mist de lezer iederen waarborg, dat hij die brieven vóór zich
heeft niet maar min of meer ongewijzigd, neen, maar woord voor woord, precies
zóó als zij zijn opgesteld of ten minste zóó als
zij voor het eerst, in den regel ten hoogste een paar jaren na den dood der
schrijvers, door de hunnen aan de pers zijn toevertrouwd. Dien waarborg nu
schenkt hem deze nieuwe uitgaaf.
Met diplomatische nauwkeurigheid is hier de oorspronkelijke tekst
afgedrukt; ook op de daaruit aangehaalde plaatsen in de Inleidingen. Alles is
herhaaldelijk naar dien oorspronkelijken tekst gecorrigeerd. Eene enkele fout
(intusschen nergens in den tekst), in de afgedrukte vellen ontdekt, heb ik nog
kunnen herstellen in de Aanvullingen en Verbeteringen aan het einde van
dit deel. Ik verzoek den lezer vriendelijk van deze kennis te nemen. De
regelen, door mijn mederedacteur in de Voorrede op deel I uiteengezet, zijn
door mij trouw gevolgd. Evenals Prof. Pijper daar doet, kan ook
ik hier ieder verzekeren, dat, wanneer hij meent ergens eene fout of eene
achteloosheid te ontdekken, er alle reden is om daarbij te denken aan eene
misstelling in het origineel. Ook de telkens voorkomende ongemotiveerde
splitsing en samenvoeging van woorden evenals dat dikwijls zonder eenige reden
leesteekens en hoofdletters worden gebezigd of weggelaten: het is alles
slaafsch, als men wil, uit de afgedrukte uitgaaf overgenomen; behoudens de
volgende uitzonderingen. Vooreerst is in de teksten op den rand ter wille van
de gelijkmatigheid aan den naam van het bijbelboek steeds eene hoofdletter
gegeven. Ten andere is - 't kwam op niet meer dan tien of twaalf plaatsen
voor - eene kennelijke drukfout, ‘alleeene’ voor
‘alleene’ en dergl., verbeterd. Eindelijk zijn er plaatsen, waar de
lektuur door de allerwonderlijkste aanwending van leesteekens m.i. al te zeer
bemoeilijkt wordt. Ik heb deze daar gewijzigd; maar nooit zonder òf in
eene aanteekening aan den voet der bladzijde van die wijziging rekenschap te
geven òf zulke plaatsen in de oorspronkelijke lezing op te nemen in eene
lijst, die men aan het einde van
| | | |
dit deel vindt. Deskundigen
kunnen dan casu quo onjuiste verbeteringen weer opnieuw naar hun inzicht
verbeteren. Daarentegen heb ik de opgaaf van de aangehaalde teksten op den rand
nergens gewijzigd, hoewel die meer dan ééns onjuist en dan ook in
andere oude uitgaven nog al eens veranderd is.
Van de talrijke aanteekeningen zullen verscheidene in het oog van
taalgeleerden en geschiedvorschers overbodig zijn. Men zij echter zoo goed te
bedenken, dat deze uitgaaf uitdrukkelijk ook voor zulke lezers is bestemd, die
geene deskundigen zijn. Ik meen namelijk voor den inhoud van dit deel te mogen
hopen op belangstelling in een breeder kring dan in dien der geschiedvorschers
alleen. Met mijn mederedacteur acht ik het vertrouwen niet onrechtmatig, dat
gedeelten der ‘Bibliotheca’ allengs ook ter hand zullen worden
genomen door dezulken, die, zonder in 't minst historici te zijn, door den band
van piëteit zich verbonden gevoelen aan onze vroegste protestantsche
geloofsgetuigen en wie het daarom aantrekt zich in de soms zoo innige, dan weer
aangrijpende ontboezemingen dier mannen en vrouwen te verdiepen.
Het ‘Offer des Heeren’ bevat van de brieven van
nederlandsche doopsgezinde martelaars de oudste, ten minste het grootste getal
van die oudste; maar van het overgroot geheele aantal hunner brieven niet meer
dan ruim een derde. Dat zulk een overvloed daarvan voor ons in druk bewaard is
gebleven, is niet vreemd. Van de ruim 2000 martelaars en martelaressen in de
gezamenlijke Nederlanden zijn niet minder dan drie vierden doopsgezind geweest
(onder deze bijna een derde vrouwen); en al zulke brieven werden - hoe
kon het anders? - als kostbare schatten in eere gehouden en, zoolang zij
niet waren gedrukt, zorgvuldig bewaard. Meer dan één martelaar
schrijft het ook met zoovele woorden, dat hij juist met dat doel zijn brief aan
de zijnen zendt. Zij zouden daarin een ‘adieu’ of
‘testament’ of ‘uitersten wil’ van hem bezitten als
blijvend aandenken; woorden van zijne hand, die zij trouw mochten lezen en
herlezen. Men zie ook bl. 22 van dit werk en Van Braght, bl. 366, 421, 543.
Bovendien hielp de enge betrekking waarin de oude Doopsgezinden tot elkaar
stonden verhoeden, dat zulke brieven van hen, die aan allen dierbaar waren,
verloren gingen; terwijl zij er toe medewerkte dat die reeds vroeg aan de pers
werden toevertrouwd. - Natuurlijk hoop ik in verdere deelen der
‘Bibliotheca’ de overige martelaarsbrieven te doen volgen. Voor het
eerstvolgend deel is echter een zeker niet minder belangwekkend gebied gekozen:
geschriften van de vroegste nederlandsche tegenstanders der Hervorming.
Prof. Pijper is met de bewerking daarvan verre gevorderd, een
gedeelte reeds ter perse gelegd.
Ook van dit deel is, ik vermeld het met groote erkentelijkheid,
de uitgaaf mogelijk gemaakt door den milden steun van Directeuren van Tey-
| | | |
ler's
Stichting, het Haagsch Genootschap ter verdediging van den
Christelijken godsdienst, het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en
Wetenschappen, en verder van verscheidene particulieren.
Mij rest mijn dank uit te spreken jegens hen, die mij in mijn
arbeid behulpzaam zijn geweest: de trouwe hand, die het veeleischend werk der
correctie met mij heeft verricht; mijn met onze martelaarsliteratuur vertrouwde
en nauwlettende vriend Ds. K. Vos te Woudsend, die insgelijks de proeven
nazag en het register heeft samengesteld; mijne vrienden en ambtgenooten
Prof. F. Pijper en Prof. J. te Winkel. Aan
hunne vriendschap ben ik voor mijn arbeid veel verplicht. Bij verscheidene
plaatsen heb ik mijne meening aan de hunne kunnen toetsen en is hun zoo
deskundig oordeel aan dit werk ten goede gekomen; met name bij plaatsen, waar
het er op aankwam in de vrij verwarde volzinnen van briefschrijvers of dichters
den gedachtengang te ontdekken. Wie verder mij met inlichtingen is van dienst
geweest ontvange hierbij mijn dank daarvoor. Ten laatste: hoe dikwijls heb ik
bij dezen arbeid mijn ontslapen vader gedacht; den kundigen schrijver van
Menno's en David Joris' leven; den man, bij wien zich met even rijke als
grondige kennis van de geschriften zijner vaderen zulk een fijn inzicht in hun
geestelijk leven verbond, een inzicht door de hartelijkste liefde voor hen maar
die nooit blind werd gewekt; en die in vroeger jaren wel menigmaal mijn oog
heeft geopend voor velerlei in die goede en trouwe, die vrome en rechtschapen
wereld, waarin het ‘Offer des Heeren’ geboren is.
Amsterdam, 1 November 1904. S. Cramer.
|
|
|