|
|
|
| | | | | |
| |
Een Lietboecxken / tracterende van den Offer des
Heeren.
| | | |
Inleiding.
Wat in de inleiding op een herdruk van het ‘Lietboecxken,
tracterende van den Offer des Heeren’ behoort te worden behandeld is
grootendeels reeds in die op het ‘Offer des Heeren’ zelf, hierboven
bl. 1-40, opgenomen. Met name geldt dit van de bibliografie van dien bundel.
Daar was het ook voor deze de aangewezen plaats. Van de eerste maal af toch dat
beide werkjes het licht zagen hebben zij bijeenbehoord of eigenlijk samen
één geheel uitgemaakt. Het is zeker vreemd, dat de
‘Auszbundt’ van 1571 (zie boven bl. 38) wel liederen uit het
‘Offer des Heeren’ in vertaling opneemt, maar geen andere uit het
‘Lietboecxken’ dan zulke, die hij even goed van elders kan hebben
ontleend, zooals dat op de Juffers van Beckum. Ook bestaat er maar
één exemplaar van het eerste, No. 10, 1595, zonder het
tweede. Maar dit kan defekt zijn; alle andere bandjes van de uitgaven
No. 1-11 (zie boven bl. 8 vgg.) bevatten beide, al was ook bij
No. 1, 1562 de druk van het ‘Lietboecxken’ eerst
voltooid in het jaar (1563) volgende op dat, waarin die van het ‘Offer
des Heeren’ was gereed gekomen. Wat echter hier het meeste afdoet: het
zijn dezelfde personen, die beide verzamelingen hebben bijeengebracht, en zij
hebben uitdrukkelijk beoogd dat de lezer beide te zamen zou bezitten. Zij
schrijven in de voorrede, die in de hier afgedrukte uitgaaf ontbreekt maar
achter dezen herdruk is opgenomen: ‘Wy hebben wt verscheyden copien
1), so
wel gedruct als geschreuen, vergadert dusdanige Liedekens als voorseyt, | | | | om ghevoecht te worden by dat Offerboeck.... So dienet wel by
malcanderen, opdat een yegelick die begeerich is te singen of te lesen
beyderley by hem in een cleyn boecxken mach draghen om te lesen of te singhen
nadat hy ghemoet is.’
Liet zich zoo de bibliographische beschrijving van het
‘Lietboecxken’ niet goed van die van het ‘Offer des
Heeren’ scheiden, moesten beider herkomst en geschiedenis te gelijk
worden besproken: een en ander wat uitsluitend het eerste en zijn inhoud
aangaat kan eerst hier opzettelijk worden in het licht gesteld. Ik vul dus in
deze inleiding slechts aan wat hierboven o.a. bl. 38, 39 voorkomt met 'tgeen te
zeggen valt over de dichters der liederen, over wat deze juist als liederen
kenmerkt, eindelijk over de godsdienstige denkwijze, die daarin heerscht.
Wat ons in het ‘Lietboecxken’ geboden wordt zijn
gelegenheidsgedichten, vervaardigd door personen, die dikwijls ooggetuigen zijn
geweest van de droeve gebeurtenissen, welke hen tot dichten noopten, of die
althans zonder uitzondering daarbij zelven ten nauwste waren betrokken. Een
enkele maal wordt de naam van den dichter uitdrukkelijk opgegeven. Zoo heeft
Hans van Overdam No. 17 ‘Van iiij
vrienden van Lier’ gedicht, zie bl. 98 boven;
Adriaen Cornelisz. No. 18, dat ‘Van
iiij vrienden, genaemt enz.’ Ook is meer dan een lied door den gevangene
zelven vervaardigd: ‘Die dit liedeken dichtte,
Jan Schut was zyn naem’ heet het in
No. 25, ‘Van
Jan Schut’; evenzoo is het met No. 24
‘Van
Jacques’ (d'Auchy). En in
No. 28, waar dit niet uitdrukkelijk wordt opgegeven maar de man,
dien de marteldood wacht, zich in den eersten persoon tot zijne lezers wendt,
verraden toch inhoud en toon voldoende, dat het gedicht hem niet door een ander
is in den mond gelegd maar wel zijn eigen werk is. Dit laatste geldt natuurlijk
niet overal waar, o.a. in No. 13 zelfs lang achtereen, de martelares
sprekende wordt ingevoerd. Soms deelt de dichter opzettelijk mede, dat hij de
executie heeft bijgewoond: fol. 15 vo, 22 vo. En als dit
niet wordt gemeld en dus zeker ook niet het geval is geweest, blijkt toch uit
de aanschouwelijke teekening van allerlei bijzonderheden en uit den toon van
innige deelneming niet maar in de martelaars in het algemeen en hun lijden,
maar juist in den persoon van dézen martelaar of van dát
‘slachtschaepken Christi’, | | | | hoe ieder van die dichters
bepaald met die geofferde mannen of vrouwen, wier lot hij bezingt, in hun
lijden heeft meêgeleefd, hoe hij zelf heeft behoord tot den nauw
aaneengesloten engen kring of tot de eigen gemeente, waaraan dezen werden
ontrukt. Hier zijn geen voorbeelden aan te halen. Het geldt van alle. Bij
hetgeen verder nog door
Dr. Wieder, ‘De Schriftuurlijke
liedekens’, bl. 103-109, wordt aangevoerd ten bewijze dat wij
hier getuigenissen van tijdgenooten, tevens trouwe vrienden der martelaars
zelven bezitten: de omstandigheid dat het eene lied reeds een paar jaren na de
terechtstelling die het beschrijft is gedrukt, No. 10, 13, 21, 23;
een ander is gedicht terwijl de gevangene zelf of deze en gene zijner
lotgenooten nog in den kerker zuchtten, fol. 24 vo, 32
vo; de nauwkeurige overeenstemming van o.a. No. 16 met
hetgeen ons de ambtelijke bescheiden melden, enz. - heb ik alleen dit te
voegen. Dat van de losse blaadjes, waarop sommige liederen het eerst verbreid
mogen zijn, geen enkel bewaard bleef is te begrijpen. Ten eenenmale
onaannemelijk daarentegen is het, dat vijf of tien jaren na iemands offerande
een der zijnen nog een lied op hem zal hebben gedicht. Er laat zich geene
aanleiding daartoe bedenken. Immers telken jare vielen weêr nieuwe
slachtoffers, die, zonder daarom de vorige te doen vergeten, toch de aandacht
in beslag namen. Neen, gedichten, vervaardigd ter gelegenheid van den
marteldood van broeders en zusters uit hun kring, vervaardigd ja ook om het
hart lucht te geven maar toch vooral om den indruk van al wat er heerlijks en
verheffends, vertroostends en vermanends in dien marteldood, in de vrome
houding en stemming der gedooden, in hunne laatste woorden lag vast te houden
en bij de leden van hun kring in gedachtenis te doen blijven: dat zijn de
liederen van het ‘Lietboecxken’. Soms richten zij zich ook tot
degenen, die buiten hunne kringen staan. Niet zelden bevatten zij de opwekking
tot de rechters en vorsten om toch niet langer onschuldig bloed te vergieten,
om gedachtig te zijn aan het oordeel dat de vervolgers van Gods kinderen wacht
en zich te bekeeren. Hebben zij gehoopt inderdaad door de verbreiding hunner
liederen op de openbare meening te werken? Of gaven zij zoo schrijvende
eenvoudig lucht aan wenschen, die de bekommering om het zieleheil van anderen
en de droefenis over den dood van zoovelen bij hen deden rijzen? | | | |
Naar wat de liederen als liederen kenmerkt behoeven wij niet lang
te zoeken. Het is echte rederijkerspoëzie, die wij hier voor ons hebben.
Bij lange na niet in alle gedichten, niet in alle coupletten in den ongunstigen
zin van het woord. Zeker, meer dan één dichter, wiens werk in
onzen bundel voorkomt, ontbrak het aan meesterschap over taal en vorm.
Dichterlijke smaak en kunstvaardigheid zijn soms ver te zoeken. Een lied als
No. 16, eene lijst van al de te Antwerpen tusschen de
jaren 1555 en 1560 gedooden, is grootendeels niet veel meer dan rijmelarij.
Maar dat lied is eene uitzondering. Om der wille van rijm en maat veroorloven
de dichters zich echter wel eens de wonderlijkste woordenkeus en woordschikking
of verwringen zij hunne volzinnen zóó dat deze soms bijna
onverstaanbaar worden. Om dezelfde reden maken zij van stopwoorden als
‘saen, ydoone, bekent, vaet, wilt hooren’ enz. meer dan eens een
zonderling gebruik. Kunsteloos rijgen zij meestal hun verhaal en hunne
opwekkingen aaneen: slechts een enkel lied heeft een referein. Zoo
No. 20 ‘Noyt grooter vruecht Die meer mijn hert verhuecht En
oock verweckt tot duecht’.
Men mag bij dit alles niet vergeten, dat wij hier, behalve in
No. 22, geene eigenlijk gezegde lyrische uitstortingen van eigen
persoonlijk doorleefde aandoeningen, maar bijna uitsluitend verhalende of
beschrijvende poëzie lezen; dat het voor de dichters er op aankwam de
bijzonderheden van het gebeurde en vooral de woorden van de martelaars zelven
zoo nauwkeurig mogelijk in hun lied weêr te geven - zulk een lied bood
immers diens testament, diens uitersten wil, zijn afscheidswoord aan de zijnen,
- en dat de eisch om hieraan te voldoen hunne taak als dichters niet
gemakkelijker maakte. En tegenover al het opgenoemde staan geheel andere
eigenschappen. Ja, deze dichters hebben soms iets van rijmelaars. Maar zij
hebben toch blijkbaar gerijmd met het hart; en dit, ook al maken zij soms van
reeds bestaande liederen gebruik (zie b.v. de aanteekening op fol. 23
ro: ook de eerste regel van No. 22 is overgenomen). Zij
zijn met ziel en zinnen vervuld geweest van de tooneelen, die hen tot dichten
dreven. Al het kunstige en dikwijls gekunstelde van de rederijkers heeft bij
hen plaats gemaakt voor iets beters: voor levendigheid, aanschouwelijkheid,
warmte van echt en diep gevoel, dramatische voorstelling. Dat | | | | geeft
zelfs aan een zoo gebrekkig lied als No. 10 gang en beweging en
gloed. En hoevele fraaie liederen en coupletten bevat het
‘Lietboecxken’, hoeveel versregels die, eens gelezen, in het oor
blijven hangen! Hoe zangerig en innig is, om maar een enkel voorbeeld te noemen
No. 21, ‘Van
Calleken Strinx’, of het ontroerende ‘Een
eeuwighe vruecht die niet en vergaet’, No. 22!
Maar wat hier vooral in aanmerking komt is iets anders.
Niet slechts namelijk dat deze liederen geenszins zijn gedicht om
proeven te bieden van poëzie in fraaien kunstvorm; ook dat zij alleen
vervaardigd zijn om herinneringen levendig te houden en om denkbeelden en
gezindheden in te prenten zegt niet genoeg om ze te karakterizeeren. Zij zijn -
dit vooral - opgesteld om te worden gezongen. Dat zegt, zie boven bl. 489 vg.,
de voorrede; dat blijkt uit de zangwijze, boven ieder lied opgegeven. Om den
zang en niet alleen om de poëzie was het den vervaardigers te doen. Die
zang moet toen ter tijd, ook in de godsdienstige burgerkringen voor welke het
‘Offer des Heeren’ bestemd was, veel meer dan in eenigen lateren
tijd de vorm zijn geweest, waarin men voor zich zelf en elkander uitsprak wat
het hart vervulde. Over ieder nieuw voorval of nieuw denkbeeld, dat de zielen
trof, moest men kunnen zingen; liefst onderscheidene liederen op verschillende
zangwijzen. En die navraag lokte waarschijnlijk niet eerst den dichtlust in die
kringen uit, maar deze kwam van zelf aan die navraag te gemoet. Van de meeste
doopsgezinde oudsten uit de eerste tientallen jaren van het bestaan der
broederschap, van
Menno, Dirk Philips, Pieter Willemsz. Bogaert, Jan
Jacobs, enz., bezitten wij nog liederen op melodiën gesteld; en
welk een groot aantal godsdienstige liedboeken, waarin insgelijks bij ieder
gedicht een zangwijze wordt aangegeven, uit de 16de eeuw nog over
is, weet ieder. Die boekjes zijn meestal uiterst fijn en dicht in elkaâr
gedrukt, daardoor buitengewoon klein van omvang: evenals het ‘Offer des
Heeren’ en het ‘Lietboecxken’ zelven. Zij waren dus, welk een
groot aantal liederen zij ook bevatten, gemakkelijk en zonder dat zij in het
oog vielen meê te dragen. Natuurlijk moest er ook over de martelaars
kunnen worden gezongen. Maar het spreekt eveneens van zelf, dat een gedicht nog
meer gevaar liep van iets gedwongens te krijgen, als het, toch reeds het werk
van een zanger van niet groot talent, ook nog in eene bepaalde zangwijze moest
passen. - Men had aan | | | | zulk een overvloed van liederen behoefte. Hoe
dikwijls vermelden niet de briefschrijvers in het ‘Offer des
Heeren’, dat zij in den kerker alleen zijnde of reeds bij hunne
gevangenneming, ook wel wanneer zij met hun tweeën of drieën samen
hun lot verbeidden, dit of dat lied aanhieven. Maar zeker vooral voor de
samenkomsten en waarschijnlijk voor de godsdienstoefeningen, die in den aanvang
van andere gelegenheden, waarbij een gezelschap bijeen was, weinig zullen
hebben verschild. Toen later de gezangboeken van
Hans de Ries en
Leenaert Clock allengs ingang vonden, die b.v. ook
psalmen bevatten en bepaald met het oog op godsdienstoefeningen waren
samengesteld, zal in deze laatsten het zingen van martelaarsliederen in de
meeste gemeenten wel hebben opgehouden. Een indirekt bewijs dat zij daar
vroeger werden gezongen is het volgende. De gemeenten in Pruisen
(aan den Weichsel) hebben met de Oudvlaamsche hier te lande de kerkelijke
gewoonten der 16de eeuw het langst aangehouden. Welnu, nog in de
18de eeuw deden bij de eerstgenoemden als kerkgezangen dienst de
‘Veelderhande Liedekens’, die eenige martelaarsliederen met ons
‘Lietboecxken’ (Nos. 11, 17, 20, 22, 25) gemeen hebben.
Evenzoo is in vele zwitsersche gemeenten de ‘Auszbundt’ van 1571,
die verscheidene liederen uit het ‘Offer des Heeren’ en ons
‘Lietboecxken’ in vertaling bevat, het gezangboek in de kerk
geweest en gebleven. Ik zelf heb nog in 1864 in eene godsdienstoefening dicht
bij Bazel het lied op
Peter van Wervick, hierboven bl. 192 vg., hooren
zingen. Ook de zwitsersche gemeenten in ons land gebruikten dien bundel,
Sappemeer tot c. 1800. Verder zijn de gezangen uit ons
‘Lietboecxken’ hier te lande na 1600 meest in onbruik geraakt,
behalve die, welke ook elders voorkomen: no. 11 in het
‘Hoornsch Liedboek’, no. 22 in
Stapel's ‘Lusthof’.
Wat de godsdienstige richting van de dichters uit het
‘Lietboecxken’ aangaat, deze onderscheidt zich niet van die der
briefschrijvers uit het ‘Offer des Heeren’. Het is opmerkelijk (zie
ook hierboven, bl. 29 vg.) hoe bijna nergens een dank- of juichtoon verraadt
dat iets nieuws hun deel is. Kort te voren wandelden zij nog met hunne ouders
en hunne geheele omgeving op den weg der roomsche kerk, die hun thans immers
was gebleken de weg ten verderf te wezen. Toch: van een gevoel van verlossing
daaruit of van verrassing blijkt weinig of niets. Nu ja, fol. 9 ro
o.a. heet het, dat | | | | ‘zy van het vleyschelycke Christendom zyn
afgegangen’. Maar verder is het veeleer alsof zij met die kerk in geene
betrekking hebben gestaan, alsof hunne eigene gemeente en hun geloof de van
ouds geldige zijn. Evenmin bestaan er voor hen onopgeloste vraagstukken,
verschil van gevoelen, onzekerheid over geloof, waarheid, roeping. Zij worden
vervolgd, omdat zij de ware gemeente des Heeren zijn, gelijk die ware gemeente
altijd vervolgd is; omdat zij de waarheid of Gods woord gehoorzamen en
godvruchtig wandelen. Telkens betuigen de martelaars, dat zij niet om eenig
misdrijf noch omdat zij eene of andere sekte (ook niet de luthersche, zie fol.
9 vo) aankleven en dus zich van de Christenheid afscheiden zoo
hebben te lijden. Zij vragen gedurig, wie hun dan in hun wandel iets kan
verwijten, wien zij dan onrecht hebben aangedaan. En op die rechtschapenheid
leggen ook de dichters telkens nadruk; niet minder dan op zich aan Gods woord
houden en het kruis dragen. ‘Al die willen van 't quade ghewent,
Ghenieten zyns Cruys torment (n.l. den zegen daarvan), Die moeten hier als
ledekens bekent Navolghen 't Hooft excellent’, heet het fol. 3
vo en ‘Syt hoorders en doenders vermaert, Toont so der
Christenen aert.’ Elders wees ik reeds op het ‘De vromen, die daer
de duecht hantieren’, en op ‘Wilt u tot duechden spoeden en wandelt
altyt in 't licht’, fol. 32 ro; op het referein; ‘Noyt
grooter vruecht Die meer mijn hert verhuecht En oock verweckt tot
duecht’, fol. 40 ro- 42 vo. ‘Christen leden
zyn zy die 't quaet laten en doen dat goet’, fol. 58 vo; en
zij die overal verdreven worden zijn juist degenen ‘die godsalich willen
leven’, fol. 17 ro. Worden de beschuldigingen vermeld, waarop
zij in de verhooren hadden te antwoorden, dan handelen die bijna altijd
uitsluitend over doop en avondmaal, hetwelk eenvoudig eene gedachtenisviering
is; slechts een enkele maal, fol. 46 ro, 50 ro, over de
menschwording. Als
Frans van Bolsward met zijne rechters over het
eedverbod redetwist, is dit niet omdat dat voor hem of voor de zijnen eene zaak
van zulk overwegend gewicht was: ook
Menno heeft niet iederen eed maar een eed in aardsche
aangelegenheden voor onchristelijk gehouden; maar omdat toevallig eene
eedsweigering de aanleiding tot zijne gevangenneming was geweest evenals bij
Lenaert Plovier, zie boven bl. 367. Wordt
éénmaal de drieëenheid beleden, het is om zoo te toonen: wij
wijken niet af van het algemeen Christelijk geloof. | | | | Eindelijk treft
ook in de liederen de buitengemeen groote vertrouwdheid met den Bijbel in die
kringen. Hun steunen op Gods woord was waarlijk geen ijdele klank. Dat
tegenover 's keizers mandaat niet dat woord Gods maar ‘het Nieuwe
Testament’ wordt gesteld, fol. 41 vo, 50 ro, geeft
m.i. geene reden om daaruit achterstelling van het Oude af te leiden.
In hun oordeel over de vervolgingen bewegen zich al de dichters
der liederen in de schommeling, de tegenspraak als men wil, die eveneens in het
‘Offer des Heeren’ valt op te merken en ook in den aard der zaak
ligt, maar die zeker door hen niet als tegenspraak is gevoeld. Alle liederen
zijn doortrokken van droefheid over die bloedige vervolging, vervuld van de
diepste deernis met de slachtoffers. Alle bidden en smeeken God, dat Hij ze
moge doen eindigen; en de vorsten, dat zij toch tot inkeer mogen komen en
ophouden onnoozel bloed te vergieten. De zangers worden niet moede de hunnen te
waarschuwen toch niet te vreezen voor degenen die het lichaam dooden maar ook
het lichaam alleen, hen op te wekken Christus ook in zijn kruis na te volgen;
maar.... alléén ‘wanneer ghy des Cruys persse treden
moet, Beraet niet met vleysch noch bloet’, fol. 3 vo. Doch te
gelijk moeten niet alleen die vervolgingen Gods kinderen treffen en moet het
getal der uitverkorenen vol worden (‘God hadse’, n.l. die
martelaars, ‘alderwegen vercoren end wtgesocht’, fol. 32
vo); niet alleen treft hen de marteldood door Zijn wil, soms door
Zijn ‘gedulden’, en op Zijne ure; maar met alle ontroerende
klachten wisselen evenveel uitstortingen af van de rijkste en innigste
blijdschap over die vromen, die zoo hebben ‘doorgestreden’,
opwekkingen om toch God te danken en te ‘verjolijsen’ over al die
jammeren, al dat lijden, dat zooveel heerlijks te aanschouwen geeft en
meêbrengt. Vergelijk verder boven bl. 32 vgg. - En nog op eene andere
althans schijnbare tegenspraak stuit men in deze liederen. Aan bedreigingen met
den oven van Gods toorn en het helsche vier, die zeer fel zullen branden,
ontbreekt het niet. Meer dan eens wordt de Rechtvaardige Rechter aangeroepen om
Zijne waarheid en Zijne getrouwen te wreken. Maar steeds is het met de bede er
bij, dat de personen der vervolgers nog dat vuur mogen ontvlieden; nog zich in
tijds mogen bekeeren, boete doen, de Schriftuur lezen en gezond en vroom worden
van hart. Al heet het een enkele maal, dat ‘des Heeren | | | | dach
sal naken’, fol. 28 ro: van eigenlijk vertrouwen in de
nabijheid van den grooten, den algemeenen oordeelsdag, in het ophouden der
vervolging en de zegepraal van Christus over de wereld bespeurt men nergens
iets. Alleen voor ieder persoonlijk zien deze dichters blijde uit naar de
verlossing en de hemelsche heerlijkheid of duchten zij het gericht. In de
wereld reikt naar het schijnt hun blik niet verder dan de toestanden van het
heden, de toestanden juist van vervolging en druk. Wel behoefden de vervolgers
zich niet te vleien met de hoop dat het hun gelukken zou door eenigen te dooden
Gods woord uit te roeien. Maar iets geheel anders dan deze zekerheid zou het
vertrouwen zijn, dat de waarheid of Gods woord op aarde zal zegevieren. En dit
ontbreekt in het ‘Lietboecxken’.
Ook de gedachte aan de mogelijkheid dat zij zelven de hand er toe
zou hebben te leenen om die zegepraal te behalen, laat staan dat zij tot Gods
bestraffing van hunne vervolgers zouden moeten medewerken is blijkbaar bij die
dichters in het geheel niet opgekomen. Dit hangt geenszins hiermeê samen,
dat hunne liederen van vóór het geuzenjaar 1566 dagteekenen: met
dat jaar zou dan de berusting onder de vervolgingen beginnen plaats te maken
voor den moed tot verzet. Dit stelt
Dr. Wieder op den voorgrond, die echter doorloopend
onder de doopsgezinde liederen die uit andere kringen vermengt en ze samen
onder den geheel onjuisten naam ‘Hervormde liederen’ samenvat.
Neen, het Christendom zelf van het ‘Offer des Heeren’ en het
‘Lietboecxken’ sluit ieder denkbeeld buiten, dat òf dit
Christendom òf zij Christenen ooit macht zouden oefenen. Nog minder
wettigt het pogingen om de wereld met geweld in haar kwaad te stuiten, om
geweld met geweld af te weeren. De gebeurtenissen van het geuzenjaar zijn voor
de Doopsgezinden in 't geheel geen keerpunt geweest, zij zijn spoorloos aan hen
voorbijgegaan. Van aanraking of betrekking tusschen hen en de bewegingspartij
ten onzent, die kringen, die later de hervormde kerk zouden worden, blijkt
niets; dienaangaande laat zich ten hoogste een enkele maal - zie de
aanteekeningen op bl. 258, 448, 454 boven - iets gissen. Zij leefden tusschen
‘de wereld’ in als niet van de wereld; wel in 't minst niet in
ascetischen geest, die hun geheel vreemd was, maar zóó dat zij
staatkundige bemoeiingen en maatschappelijke regelingen aan anderen overlieten,
niets vragende dan dat men hen in vrede op hunne wijze liet | | | | leven,
hunne zaligheid zoeken, arbeiden. De geldelijke ondersteuning, die
Prins Willem voor zijne onderneming in 1572 van
Pieter Willemsz. Bogaert c.s. ontving, is zeker
opmerkelijk, maar staat alleen en is, als ik mij niet bedrieg, met het hier
opgemerkte niet in strijd. Die geldelijke steun moest hun de bescherming der
eventueele overheid verzekeren.
Over de zangwijzen, die in het ‘Lietboecxken’ genoemd
worden, moge men
van Duyse,
Wolkan enz. raadplegen. Aan de liederen, in de hier
herdrukte uitgaaf van No. 4, 1570 voorkomende, is in No.
5 en 7 één en zijn in Nos. 6 en 8-11 nog een tweetal
andere toegevoegd, die in dit werk achter de bijvoegsels van de latere
‘Offer's des Heeren’ eene plaats zullen erlangen.
|
1)Men ziet, dat ‘copie’ (op den
titel van het Lietboecxken) niet juist een geschreven stuk aanduidt; het
woord werd oudtijds ook gebruikt voor ons ‘exemplaar’.
|
|