|
|
|
| |
§
* Na de wijse: Mijn
Siele mach gheen troost ontfaen.
+ VErhuecht v Gods kinder alletijt
Looft Godt den Heer gebenedijt
Zijn naem is hooch te prijsen
†
Zijn licht schijnt nv soo claer als dach
Dat welck men niet wel lijden mach
+ Daer af so
willen wy singhen.
Daer was een schaep Christlijck geaert
Te Boolsweert binnen der stede
Genaemt Frans
‡ recht
en slecht vermaert
Hy wilde niet sweeren een eedt
Dies waren die Heeren seer tonvreedt
En lieten hem daer vangen.
Op eenen Slee wert hy gesent
Te Leeuwerden voor die Heeren
Sy vraechden hem daer int present
| | | |
Waerom wilt ghy niet sweeren?
En houden met ons geen Auontmael
1)
Ter Kercken in dat heylige sael
Daer wilt ghy oock niet wesen.
Ghy Edel heeren verstaet wel my
Wy hebben een claer leere
Mathei vijf spreect Christus vry
*
Geensins en sult ghy sweeren
Ghy zijt niet geloouich nochte reyn
‡ Dus word ick niet met v
gemeyn
V sonden wil ick niet eten
2).
Doen waren die Heeren seer verstoort
Die Priesters daer beneuen
Wy zijn geen dieuen, nochte moort
En hebben wy niet bedreuen
Ons dunct ghy hebt een valsche leer
Der Ketters zijnder noch veel meer
Die willen wy gantsch wtrooden.
Ghy Edel Heeren hoort sprack hy
En wilt v niet verstooren
Ghy hooge Priesters leeret my
Na Gods woort wil ick hooren
Ick heb my also wel bedacht
Den Bibel heb ick mee gebracht
Daer wt so wilt my leeren.
Die Heeren zijn gegaen te raet
Hy heeft ons met die Misse versmaet
+ Noch hout
niet van ons seden
† Wy hebben
so stercken mandament
Dus moet hy steruen, dats ons consent
Dat moetmen gehoorsaem wesen.
Int Jaer vijfenveertich getelt
Recht des dages voor Palmen
Wert Frans voor die Heeren gestelt
| | | |
Dies looft nv God met Psalmen
Dat vonnis ginck daer hert en fel
Nochtans behaechdet hem al wel
Dat hy tot asch sou bernen
1).
Hy sprack: ick danck v Heeren vroet
Den Geest moet v verlichten
Dat ghy v betert metter spoet
Ende in Gods woort wilt stichten
Ick wil v al vergeuen dat
Ick vaer al na een
† heilige
stadt
* Als een
slachschaep wert hy geleyt
‡ Veel weenden tot dier
stonden
Hy sprack: Weest getroost en bereyt
Gelooft, dit is de rechte straet
* Waer door
men totten leuen gaet
Maer weynich die hem vinden.
Die Hencker heeft zijn ampt bereyt
Dat Schaep stont ongebonden
Hy heeft daer Godes woort verbreyt
Die Christenen dat verstonden
Hy sprack daer menich troostlijck woort
Den Godureesenden tot confoort
Die daer om aensien stonden.
Hy heeft zijn cleeder heen gedaen
Hy sprack:
* God
wil mijn siel ontfaen
Na den post hy seer lieflijck trat
Met zijn armen blijdelijck om vat
‡ Hy
verlangde na zijn Vader.
+Met eenen
strick wel vast en goet
De Hencker soud hem worgen
De strick brack (zijt Hencker gemoet)
Hy viel in ancxt en sorgen
Aent lichaem en is geen vyer gespaert
Van torf en hout na sulcker aert
Om hem tot asch te bernen.
| | | |
Nv hoort Gods volck seer wonderlijck
Tvleys mochtmen niet verbranden
Dat lichaem bleef euen gelijck
Wat sy toogen te handen
1)
God toonde daer zijn groote macht
* Dat vyer
verloor zijn rechte cracht
Ten mocht hem niet verbernen
2).
Dit wonder sachmen openbaer
Die Heeren met tooren ontsteken
Hy wert getelt Gods martelaer
Sy wildent nochtans wreecken
Aen den Hencker en zijn geslacht
Niet houts genoech was daer gebracht
* Als
Christus was gestolen
3).
Dit is een man van Godes aert
‡ Sijn huys
heeft hy behinde
Gebout op den Steen wel bewaert
Voor regen, storm en winde
Dit is Christus ghetrouwe Bruyt
† Hy hoorde
geen vreemder geluyt
Laet ons zijn volgers wesen.
Looft God al inder eewicheyt
Hy toont ons zijn genadicheyt
*
Sijn woort doet ons versaden
Sijn geest ons ooc verlichten can
Die daer is een rechte Leytsman
Ontwaect Princen en Coningen al
Bekent doch God den Heere
† Gelooft Gods
woort groot ende smal
Geeft hem prijs ende eere
+Hy wil
alleen de Rechter zijn
| | | |
Sijn kinderen helpt hy wt de pijn
† Wie mach
tegen hem vechten.
Alsmen dit liedeken eerstmael sanck
Al hooren wy alsulck geclanck
Laet ons doch niet versagen
O Vader helpt ons wter noot
V kinderen cleyn ende groot
Door Christum onsen Heere.
|
*[ no. 2.]
2)
2)Dit lied op
Frans van Bolsward - volgens het sententieboek van
het Hof van Friesland is ‘Frans Dammasz den 28sten Martii 1545
gecondempneert gebrant te worden ende zijne goederen verclaert
geconfisqueert’ - is volgens het laatste couplet op den dag na zijn dood
‘voor 't eerst gezongen’, d.i. gedicht:
Wieder, bl. 107. In no. 1 en 2 van dit
Lietboecxken, 1563 en 1566, wordt als zangwijze opgegeven: Nun frewt
euch lieben Christen gmeyn: zie mijne Inleiding bl. 39. Eene eedsweigering
schijnt de aanleiding te zijn geweest, dat op Frans als ketter de hand werd
gelegd; zie het 2de en 3de couplet. In de gevangenis
dichtte hij het lied: ‘Wel hem die in Gods vreeze staet’, dat reeds
in de
Veelderhande Liedekens van 1559 (?), zie
Wieder, bl. 142 vgg. en in tal van latere liedboekjes voorkomt, door
Wackernagel, Lieder der niederl.
Reformierten, 1867, S. 97, is afgedrukt, en in Ein schon
Gesangbüchlein, een doopsgezind liederenboek dat tusschen 1565 en 1569
het licht zag, vertaald is opgenomen: Wolkan, Die Lieder der
Wiedertäufer, 1903, S. 98. Over het wonder bij Frans' dood zie
aanteekeningen 2 en 3 op fol. 5 ro.
+Van Frans van Boolsweert ghedoot tot
Leeuwerden, int iaer 1545 op palmavont.
1)Is dit lied inderdaad van 1545, dan moet
toen reeds die naam (voor mis of communie) in ons land vrij algemeen zijn
geweest. Dat was hij ook reeds c. 1530 bij de hervormingsgezinden, Gnapheus, de
Doopers. Hier kan hij wel door den doopsgezinden dichter aan de rechters zijn
in den mond gelegd; evenals de benaming ‘predikant’ en
‘leeraar’ (voor pastoor) op fol. 7 v o wel meer het
spraakgebruik van den dichter dan dat van de landstreek, waarover zijn verhaal
loopt, zal weêrgeven.
*Mat.5.d.34. Jaco.5.b.12.
2)Gij zijt geen geloovigen; met uwen
zondigen eeredienst wil ik dan ook (in het eten bij de communie) geene
gemeenschap hebben.
1)N o. 7, 1580 heeft hier en
verder voor ‘bernen’ ‘branden’; de latere uitgaven
weêr ‘bernen’. Evenzoo heeft alléén
n o. 7 fol. 4 r o en 15 r o
‘wtroeien’ voor ‘wtrooden’; elders ‘moeght’
voor ‘mueght’; enz.
1)Wat zij ook ter hand namen,
deden.
2)Een nog grooter wonder wordt bij de
executie van David verhaald, fol. 17 r o. Zie over dat wondergeloof
aanteekening 2 aldaar; die op fol. 5 v o; en (nog in 1582 bij de
Staten van Holland)
Doopsgezinde Bijdragen, 1899, bl.
142.
3)Om het wonder natuurlijk te verklaren -
bedoelt de vervaardiger van dit lied - verzon men, dat er geen hout genoeg op
den brandstapel was geweest, evenals de overpriesters om aan het ledige graf
van Christus en dus aan de opstanding het wonderdadige te ontnemen verzonnen
hadden, dat de discipelen het lichaam hadden gestolen. Intusschen 'tgeen hier
als een verzinsel wordt voorgesteld is inderdaad te Gent bij de
offerande van David en Levina voorgekomen: zie de aanteekening op fol. 17
r o.
|
|