|
|
|
| |
§
* Na de wijse: O Sion wilt v
vergaren.
+ ICk mach wel
droeflijck singen
Want die Gods woort volbringen
Van des werelts wijsen onbedacht
Hoe dat sy mannen ende vrouwen
Dooden bij daech ende by nacht.
Twee vrouwen hebben sy genomen
| | | |
Ist niet een groot verdriet
In een huys dat syse brochten
De Schout haer ondersochte
Maer hy vantse int gelooue fier.
Hy heeft haer voort geuraget
Sy hebben daer op gewaget
* Ten is
niet dan Duyuels werck
Tis niet dan Duyuellarije
Van tbroot der Papen hy taelde
Oft niet en was Godt perfeckt
Dattet was een Duyuel bedeckt
† God en laet hem niet sluyten
Dus leyden sy daer buyten
Dese twee Jonckvrouwen stout.
Sy ginghen sonder beswaren
Voorby de
‡ Babelsche
Hoer
1)
+ Sprac
sy, O Duyuels Choer
Schouts knecht sprack: Wilt my seggen
Hoe spreeckt ghy so hooghen woort
Doen ginck sy hem wtleggen
* Datter
menich siel wort vermoort.
Men las die eene haer Sentency
Als dat sy hadde verneert
Den Kinderdoop in presency
En haer Sacrament niet begeert
Daer en bouen loopt ghy te samen
† In
vergadering, sprack de Raet
Dwelck v niet en mach betamen
Want tis tegen sKeysers placcaet.
Doen sprack sy met goeden aduijsen
‡ De Doop
coemt den geloouigen toe
| | | |
Ick wilt met de Schrift bewijsen
En waer moecht ghy God sluyten soe
1)
Hoe en doet ghy ons niet gelijcken
Mijn Broeders en Susters playsant
Want wy van ons geloof niet wijcken
Dat ghy ons niet mede verbrant.
De tweede tot haerder baten
Diemen oock haer vonnis las
Men soudese vry gaen laten
Want sy niet gedoopt en was
Wilt van v gheloof af vallen
Spraken sy sonder confuys
En gaet weder met ons thuys.
Ghy Heeren wilt dit weten
Dat v Brootgod de spinnen eten
Dat wil ick niet deelachtich zijn
Na de Poort zijn sy getreden
Vrolijck, als tot een Feest
* O Heer
ontfangt onsen gheest.
Dit docht de Heeren goedich
2)
Want sy bleven int hert verwoet
+
† Haer voeten loopen spoedich
Om te storten onnoosel bloet
Alsomen sach ghehenghen
3)
Drie broeders ter doot waert brengen
Wiens namen hier volghen pleyn.
Henrick Dircksz sonder beyden
Die quam al singhende gaen
‡ Salich
zijnse die hier schreyden
* Sy
sullen blinckende cleeder ontfaen
Men sal haerlieden loonen
Als de Heere selue belijt
En daer toe eewich
†
croonen
‡ Alle die volstandich strijt.
Dits des Heeren Sabbath bequame
| | | |
Daer ick lange na hebbe gehaeckt
Niet weerdich te lijden voor v Name
Maer Heer ghy my weerdich maeckt
Hy sprack, hoort mijn beurijden
1)
* Ten is
om Dieft noch moort
Dat wy hier moeten lijden
Maer om dat louter woort.
Dirck Jansz quam onbeladen
Hy sprack, hoort mijn bediet
Al ist dat ons
†
versmaden
Alle menschen, daerom God niet
Ghy Heeren denct dat hier bouen
Denct vry en wilt geloouen
* Dat hy oock eens ordelen sal.
Als hy nv stont om strijden
Sprack hy:
† Dit lijden is niet groot
‡ Christus moest veel meer
lijden
Die zijn bloet voor ons vergoot
Cracht en macht sal hy ons gheuen
Voor zijnen Naem te lijden saen
O Heer opent haer doogen beneuen
Dat sy int oordeel blijuen staen.
Hy sprack, hoort mijn beminden
+ Wy en
lijden om gheene Sect
Anders gheen geloof en suldy vinden
Nv noch inder eewicheyt perfect
* O Heer
wilt v mijns ontbermen
Sprack hy met sherten wensch
Adriaen Cornelisz quam oock mede
Hy sprack, vroom en wel ghemoet
Dit padt heeft Christus voorghetreden
En zijn lief Apostolen vroet
† De knecht
bouen zijn heere
Niet is, als de Schrift belijt
Doen viel hy op zijn knien neere
En dede zijn ghebet ter tijt.
Doen hy daer hadde geleghen
Met zijn hooft al op de aert
| | | |
En had seer stil ghesweghen
Stont hy op al onueruaert
Sy meynent
1) wt te rooden
Sprack hy met woorden wel
Maer weet waer sy een dooden
Hondert weder opstaen sel.
* En wiltse
doch niet vreesen
Al die dat lichaem wtroon
Maer vreeset alleen desen
Die siel en lijf mach doon
Al moeten wy hier besueren
2)
Sprack hy, staende op de banck
Maer vreest dat
† eewich
eewich dueren
Want eewich is so lanck
3).
Dese zijn ghestoruen met lusten
‡ Onder den
Altaer en rusten
Als ons de Schrift tuycht claer
Met cleederen die blincken
Sijn sy aenghedaen seer schoon
* Nieuwen
wijn sal haer schincken
De Vader in sHemels throon.
Om dat
† sy niet
wilden aenbeden
Dat Beelt noch oock zijn Beest
Noch haer teecken ontfangen
Int voorhooft oft rechterhant
Dus moesten sy eer langhe
Seer swaerlijck worden verbrant.
Nv hoort ghy Princen der Beesten
Die Gods kinderen hier bedwingt
Daer toe ghy valsche geesten
‡ Hoe ghy
den grooten grouwel drinct
De Schrift doet ons voorstellen
En na ick daer in gheuoel
* Hoe
tBeest en zijn gesellen
Moeten inden vyerigen Poel.
Die dit Liedeken eerst bedochte
Wt liefden hoort zijn stem
| | | |
De geest dat in hem wrochte
Och Vrienden bidt voor hem
Dat hy als dees vijf bekande
1)
Doet, en vastelijck sy ghesint
Om doen een sulck offerande
Daermen deewige
* Croon mede
wint.
|
*[ no. 6.]
1)
1)Zie over
Adriaen Cornelisz. en de beide te gelijk met hem
veroordeelde broeders aanteekening 1 op fol. 95 ro van het Offer
des Heeren en vooral die op fol. 37 ro hierachter. De
terechtstelling der beide vrouwen kan vroeger hebben plaats gegrepen en
Mariken eene der twee personen van dien naam zijn,
met andere leidsche martelaars door Adriaen Cornelisz. zelven bezongen in zijn
lied, no. 18 van dit Lietboecxken, fol. 37 ro
vgg.; maar zie aldaar.
+Van ij. vrouwen, genaemt
Mariken ende
Anneken, ende noch iij. mannen, ghenaemt
Henric Dircsz Dirc Jansz, ende
Adriaen Cornelisz gedoot te Leyden,
int Jaer. 1552. Soect Adri. Corn. Belij. Fol. 95.
1)De St. Pieterskerk, die zij op haren
weg uit de gevangenis voorbij kwamen.
1)Waarin (in welk zichtbaar voorwerp)
moogt gij God zoo besluiten als gij meent in uw sakrament te doen?
2)Niet ons ‘goedig’, maar:
goed. ‘Dit’: n.l. dat zij ten brandstapel gingen.
3)Men zag het toelaten, laten
gebeuren.
1)Mijne bescherming, verdediging,
rechtvaardiging.
1)‘Het’, n.l. Gods
Woord.
3)Deze stokregel uit een lied van
Johannes Brugman was een gevleugeld woord
geworden:
Wieder, bl. 68.
1)Bekenden, hetzelfde als
vrienden.
|
|