|
|
|
| |
§
* Na de wijse: O Heer al in der
eewicheyt.
+ GHy Christen al te samen
Wilt v Gods woort niet schamen
Voor de menschen vol van spijt
Al in der Engelen crijt
3).
† Wacht v
voor valsche Propheten
Die comen in Schaeps gewaet
‡ Die der
weduwen huysen eten
Binnen zijnt Woluen quaet
Want Godes woort door haet
+ Soecken
sy te versteken
Te Ghent, so hier na staet.
Alsmen vijfthien hondert schreue
| | | |
Dauid seer vroom van leuen
Hy was seer ionck van Jaer
Hy heeft te Ghent ter stede
Sijn ghelooue vroom beleden
Hy sprack: Ick achtet niet
My dooden door v ghebiet
1).
Een Pape al met verseeren
2)
Ghy zijt verdwaelt so veere
Men sal v tlichaem crencken
Wilt ghy v niet bedencken
Eer den tijt ouerlijt
3).
* Ick ben
bereyt met moet
Ten sal niet zijn so goet
4)
Dat ghy ter seluer steden
Sult storten noch v bloet
+ Sprack
hy met wreeden moet
Maer men sal v met schanden
Aen eenen staeck verbranden
| | | |
In de Vierschaer voor allen
Men salt tot gheenen tije
Met Schrift my wijsen aen.
Daer wert oock mee verwesen
Om Godes woort toequaemt
2)
Sy liet achter ses kinder
Maer tdeed haer gheenen hinder
Christelijck was sy befaemt.
Als sy tschauot op quamen
Wou Dauid doen zijn gebet
En staken hem voort bet
3)
Lijdtsaem was hy om winnen
* De Croon van God beset.
Aen den staeck met ootmoet
Dauid sprack totter vrouwen
† Tgheen dat
wy hier nv lijden
Gelijckt tot geenen tijden
Doen souden, riepen meest
Buspoer gafmen haer eest
4)
Daer na sachmen haer branden
| | | |
Int openbaer met strops banden
Maer wonder bleeck int lest.
Na tverbranden so isset vuere
Dauid deed thooft noch rueren
1)
Siet, men siet hem noch leuen
Hoort wat hy heeft gedaen.
Hy nam (tis claer ghebleecken)
En heeft daer mee ghesteecken
Driemael in zijn ingewant
| | | |
* Op Godt
stont al zijn hopen
Dus quam hy niet te schant.
Als dat nv was volcomen
1)
Noch leuen aen hem vernomen
De Buel die bant seer ras
Een keten aen staeck en hals
Met cracht, en heeft ghesteken
† Wilt v doch niet versaghen
Cleyn hoopken voor torment
Tis des Vaders welbehagen
V te gheuen trijck seer ient
Blijft vast opt
‡
Fondament
Twelck is Christus verheuen
Druck neemt hier corts een ent.
† Als sy v in haer Scholen
Brenghen voor Vorsten fier
+ Gods
Gheest sal onuerholen
Door uwen monde schier
2)
Dus wilt den Heere prijsen
Door v zijn lof laet rijsen
‡ Die
Godsalich willen leuen
Heer dat ghy v lief Bruyt
Sult goedertier ontfermen
Daer op maeck ick besluit.
|
*[ no. 7.]
2)
2)Wij kennen
David Van der Leyen en
Levina Ghyselins, weduwe van
Willem van Luevene, insgelijks te Gent
verbrand, alleen uit dit en nog een tweede lied (zooals al meer is opgemerkt,
is het gentsche sententieboek over dat en de voorafgaande jaren verloren), welk
laatste begint: ‘Och Heer, ick moet u claghen, Ontfanct mijn reden
soet,’ benevens uit de korte vermelding van het wonder bij hun dood in
berichten van tijdgenooten. Zie daarover en over dat wonder zelf, dat in beide
liederen voorkomt, aanteekening 2 op fol. 17 ro. Het lied
‘Och Heer, ick moet u claghen’ heeft meer dan één
couplet en bovendien eenige paren regels woord voor woord met: ‘Ghij
Christen al te samen’ gemeen; in andere coupletten munt het boven dit
laatste uit. Het komt reeds in het
Nieu Liedenboeck van 1562 en in
verscheidene latere verzamelingen voor en is door Wackernagel, Lieder der
niederl. Reformirten, S. 132, 133, afgedrukt. In dat ‘Och Heer,
ick moet u claghen’ zegt de dichter uitdrukkelijk in het derde couplet:
‘Ick hebbe, verstaet mijn rede, Ghesien in 't openbaer, Te
Ghent al binnen der stede enz.’ Iets dergelijks wordt op
fol. 22 vo gezegd.
+Van een ionc gesel genaemt
Dauid, ende een vrou genaemt
Leuina, gebrant te Gent, int iaer
1554.
3)Perk, gebied. Zie aanteekening 2 op
fol. 250 v o van het Offer des Heeren.
2)Kwetsen, bedroeven, kwellen.
4)Zoo goed, met onthoofding, zult gij er
op die plaats (gerechtsplaats) niet afkomen: de smadelijke dood op den
brandstapel wacht u.
1)Eigenlijk ‘spoedig’: hier
louter stopwoord om 't rijm.
2)Het kwam toe, gebeurde.
*4.Esd.2.e.43.
Apo.2.b.10.
‡Psa.13.a.6.
Luc.23.e.46. Act.7.f.59.
4)Voor ‘eerst’: om 't op
‘gheest’ te laten rijmen. Evenzoo fol. 28 v o; en meer in
gedichten van dien tijd. Zie
Oudemans. - ‘Buspoeder’ is buskruit:
zie aanteekening 2 op bl. 426 boven.
1)Zie over meer dergelijke wonderverhalen
aanteekening 2 en 3 op fol. 5 r o. In het hier verhaalde geval
bezitten wij een voorbeeld van de wijze, waarop zulke wonderen in de wereld
komen. Het wordt n.l. ook verhaald door twee tijdgenooten. De
Chronycke van Ghendt van
Jan van den Vivere e.a., uitg. door
Frans de Potter, Gent 1885, verhaalt bl. 196:
‘In dit jaar, den XXIII Sporcle (Sprokkelmaand), waeren upde
Vrijdachmaerct verberrent van herdooperie de wed e van
Willem van Luevene, Schoemaeckere, die hier te
vooren ooc ter selver causen verbrant was; ende met haer wiert noch verbrant
eenen
David vander Leyen, ooc om de zelve saecke; maer
den scheerprechtere, ghierich zijnde, spaerde het haut, want de stadt geeft
hemlieden om zulcke justicie te doene een zeker ghetal van haute, ofte de
weerde daervooren; soo dat naer dat tvier gheblust was, hy David zweyfde zijn
hooft up ende nedere, zoo menich meinsche sach, zoo datter een remoer onder
tvolck was; in somma den scheerprechtere nam een groote ijseren vurcke ende
stack hem duer de bust, ende ghinck boven dien hem den necke nederbuyghen ende
breken, dat hem tseevere ten monde uuytliep. Sij hadden nocthans te vooren met
coorden ghewoelt gheweest; maer aen de vrauwe en sach men gheen leven. Dese
faulte der justicie was des scheerprechters schult, want soo gheseyt es, hij
hadde te luttel hauts ghenomen ende bluste tvier ooc te tijlic, om noch tzelve
haut, dat daer was, uuyt den brande te ghecrijghen, daer hij niet dan schande
aen en behaelde.’ En het
Memorieboek der stad Ghent,
II de deel, 1853, bl. 278, vermeldt uit een werk van een anderen
tijdgenoot, van een schrijver ten minste uit de tweede helft der
16 de eeuw: ‘In dit scepen dom den XIIIJ en in
Sporcle was up de Vrindachmaert deser stede verberrent
Livine Ghyselins, weduwe van
Willem van Luevene, die hier te vooren ooc
verberrent was, omme huerlieder gheloove, ende noch eenen
David van der Leyen, die, naer dat 't vier
uutgheghoten was, noch leefde en wart doe van den hangmeestere met eender
vurcke deerlick vermoort’. Zooals men ziet, stemmen de beide
berichten wat den datum der executie aangaat, niet overeen. De zoon van
Willem van Luevene en
Levina heeft insgelijks den marteldood voor 't
geloof geleden in 1573; hun kleinzoon
Jan Doom was in 1617, toen het Groot Offerboek van
dat jaar voor 't eerst hunne namen opnam, nog leeraar te Haarlem.
Dat Offerboek evenals de volgenden, ook Van Braght, geeft te onrechte het
jaartal 1554 op.
1)Volbracht, vervuld was.
†Esa.41.b.14.
Luc.12.d.32.
†Mat.10.c.19.
Luc.12.b.11.
|
|