|
|
|
| |
§
* Nae de wijse: Met eenen droeuen sanghe.
+ IN bitterheyt der sielen
Claghe ick dit iammer groot
Datmen dus siet vernielen
| | | |
Die Gods woort belijden bloot
Veel hebben tHemels broot
Die Phariseeusche Fielen
1)
Brenghense meest ter doot.
Een Broeder goet van natueren
Heb ick na den gheest ghehadt
Die moeste den doot besueren
Te Vueren binnen der Stadt
Gods woort beleedt hy plat
Trijck Gods sal my ghebueren
Hoe sy my trecken en teesen
2)
* En wilt daerom niet vreesen
Die dat lichaem dooden siet
Mijn siel, also God riet
3)
Daer aen en hebben sy niet
Troosten, wat haer gheschiet.
Sijn vrouwe die hy beminde
Trooste hy met woorden soet
Hy vreesde voor haer ontspoet
4)
En sprack: Mijn vleesch mijn bloet
En acht niet watment my doet
En ghy Gods gheest versinde
5)
Aen al zijn Broeders te samen
| | | |
Hy lieffelijck oorlof nam
Hy en wilde hem dwoort niet schamen
Maer de
† Woluen die
daer quamen
Noch moestmen het hooft af saghen
Eer de martely was ghedaen
Die werden al eenen traen
Hoe condy Godt verdraghen
* Die uwen
gheest dus wederstaen.
Sijn arme beuruchte vrouwe
Die maeckte groot misbaer
Sy sterf van grooten rouwe
En oock de vrucht met haer
Mochtmen aenschouwen daer
† O God ghy
zijt getrouwe
‡ Ghy wreecket wel hier naer.
* Dit
doet tSerpents fenijn
† En vreest gheen sulck gepijn
Al toocht dat Helsche Swijn
Op ons een toornich schijn
1)
Het woort Gods moet al voren
Met bloede besegelt zijn.
Veruolcht int aertsche dal
En moeten een
‡ gaepsel
2) wesen
Als
*
Schaepkens wt den stal
Broeders diet woort betuyghen
| | | |
Den vrede en tnieuwe ghebot
+ En wilt
gheen knien buyghen
Al zijn wy des werelts spot
Wilt troost in Gods woort suygen
|
*[ no. 11.]
3)
3)Dit gedicht op een onbekende - het Groot
Offerboek van 1617 noemt 1553 diens sterfjaar - moet oudtijds een der meest
geliefde liederen zijn geweest. Het komt reeds in de
Veelderhande Liedekens van 1556 en in bijna
alle verdere verzamelingen voor. 't Is ook niet het minste uit onzen bundel.
Volgens Wieder, bl. 108, heeft de dichter verschillende uitdrukkingen
overgenomen uit het lied, door den martelaar zelven in de gevangenis gedicht:
‘Afgoderije en bedrieghen’, dat al in de Veelderhande
Liedekens van 1559 (?) stond. Over eene dergelijke opneming van dezelfde
coupletten of regels in meer dan één lied zie aanteekening 1 op
fol. 15 vo. ‘In bitterheyt der sielen’ zong men nog in
de 18de eeuw uit
Stapel's
Lusthof, die na 1700 ten minste driemaal
herdrukt is.
+Van een vroom Christen, te
Vueren deerlijc onthooft.
3)Deze raad omvat het geheele verband:
‘wilt niet vreezen enz.’
5)Waarschijnlijk is, 'tgeen althans in
negatieve zinnen meer voorkomt, ‘indien’ weggelaten en staat
‘verzinde’ om 't rijm voor ‘verzindet’. ‘Indien
gij acht sloegt op, uwen zin zettet op Gods geest, ware alles met u
goed.’
†Esai.51.b.7.
Mat.10.c.28.
1)Al toont ... tegen ons een toornig
gelaat.
1)De waarschuwing tegen afval, die o.a.
ook in de brieven van
Gielis Matthijsz. meermalen voorkomt, maar die
anders in de martelaarsliteratuur spaarzaam wordt gehoord, dus zeker niet
bijzonder noodig werd geacht.
|
|