|
|
|
| |
§
* Na de wijse: Ick roep v o Hemelsche
Vader aen.
+ VErhuecht verblijt groot ende cleyn
| | | |
Een metten Vadere ghemeyn
Met dat wtuercoren greyn
1)
Een Dochter ionck van Jaren hoort
Heeft haer gheloof beleden
Als sy quam voor die heeren voort
Niet gesien op smenschen woort
Maer totter doot ghestreden.
De Marckgraef biddende
Janneken soet
Wilt afstaen al metter spoet
+ Tleuen
sal ick v gheuen.
V leuen dat en begeer ick niet
Dat ghy my nv wilt gheuen
V beloften die zijn als een riet
Om te brenghen int verdriet
Sullen in boosheyt leuen.
Doen seyde my
2) een Preecker blent
Dat God was int Sacrament
Dat en heb ick niet bekent
3)
Maer ick seyde hem: Leest wijsselijck
Hy las dat hy is in Hemelrijck
Wie sal wesen zijns gelijck
Die ons niet en beswijck
4)
| | | |
Al wilt ghy ons verpletten.
Sijt ghy niet een luegenaer
Want ghy leset doch nv claer
† Dat hy is by zijnen Vaer
Hoe wilt ghy hem benijden
1).
De Schout vraechde met woorden ras
Oft ick niet herdoopt en was
Spreect vry int openbare.
Vraecht na mijn gelooue vry
Aen den Heer verblijden
2).
‡ Eenen doop beken ick
recht
+ Die
niet en roert van kinderen slecht
Maer die van beteringe secht
Hoe zijt ghy aldus dooue.
Wy hebben genoech daer toe gedaen
Hadt ghy v willen laten beraen
Mijn vleys dat hebt ghy nv bemint
Ghy hadtse so geerne verslint
Maer de Heere heeft versint
3)
Dat sy wesen sal zijn kint
Al zijt ghy nv seer excellent
| | | |
Ghy sullet beclagen in het ent
Dat ghy niet en waert bekent
Voor een schaepherder ient
Ghy Heeren
† wilt v bekeeren al
Wilt ghy wesen van Gods getal
Staet af vant oordeel smal
God salt v ‡ al vergeuen.
Hoe dat sy my meer quelden fel
Hoe ick my meer verblijde
* Wacht v
van de valsche propheten wel
Die met listen comen snel
Benijt
2) was ick van
Caims
3) saet
Om dat ick volge des Heeren raet
Willen sy met listen quaet
+ In den
tobbe versmooren.
† Ick beueel v (o Heere) mijnen geest
Brengt hem in v eewich Foreest
Daer na is mijn verlangen.
Antechrist met zijn goden gelijck
Die met comenschap worden rijck
Dat en is niet prijselijck
Om een weynich tijtelijck
V moetmen louen, o Goddelijcke Heer
Die ghy geeft oueruloedich seer
| | | |
Oorlof aen broeders en susters ghemeen
Fondeert v op Christum den
* Steen
Daer en is oock anders geen
† Die metten Vader is een
|
*[ no. 13.]
3)
3)Dit lied, waarin
Janneken in den eersten persoon spreekt, zou wel
slechts op haar naam gesteld kunnen zijn; maar nu hare executie daarin niet
wordt beschreven, is het waarschijnlijk van haar eigen hand. Vreemd, dat zij
met geen woord melding maakt van hare lotgenooten. Toch is
Janneken Eghels, van Haerlebeke bij
Kortrijk, 3 April 1560 te gelijk met
Lenaert Plovier (zie aanteekening 1 op fol. 209
ro van het Offer des Heeren) veroordeeld en met dezen op den
Steen verdronken (Antwerpsch Archievenblad IX, bl. 7,
12); en ‘Janneken van Houte, jonkmeyssen, geboren van
Antwerpen, 5 Juli 1557 met
Claerken Boucket, huysvrouwe van
Martin Le Josne, en
Margriete Venneau, huysvrouwe van
Jeronimus vander Capellen,’ veroordeeld en
evenals deze ‘al levende in eenen sack verdronken geweest’ (t.a.p.
VIII, bl. 434, 438). Wie van deze beiden in het Lietboecxken is bedoeld,
laat zich niet meer uitmaken.
+Van een ionge maecht genaemt
Janneken, die tAntwerpen opten Steen
verdroncken is.
1)Graan, in den zin van: de kern, het
uitgelezene, de keur.
2)Dit lied kan dus van Janneken zelve,
maar ook haar in den mond gelegd zijn.
4)Transitief: in den steek
laten.
†Mat.6.a.9. Collo.3.a.1.
Heb.10.b.12.
2)Intransitief: blijde zijn.
‘Schaemdes’ is ‘schaamt daarvan, deswege.’
‡Mat.28.c.19.
Mar.16.b.15. Acto.8.b.11. Ephe.4.a.5.
3)Heeft acht op haar geslagen, harer
gedacht. Of: heeft bedacht, goedgevonden.
†Esa.55.b.7.
Eze.18.c.30.
1)IJdele taal, spotternij.
3)Zoo alle uitgaven; eerst n o.
11, 1599: Cains.
†Luc.23.e.46.
Acto.7.g.59.
4)Aan allen, die in hun leven een keer
nemen, zich bekeeren.
*Psa.118.e.22. Mat.21.e.42.
1.Pet.2.a.7.
|
|