|
|
|
| |
| | | |
§
*
2) Nae de wijse:
Adieu reyn bloemken
1).
+ AEnhoort
Godt hemelsche Vader
Och Heere weest ons bewaerder
Den Satan is beuangen met nijt
Om onse sielen te verderuen
En om v leden te doen steruen
Dat bewijst hy met grooter spijt
3).
Och Heere God almachtich
+
Datter om die waerheyt crachtich
En lijden hier so menighen stoot
Met onthoofden, verdrencken, verbranden
Comen sy hier tot schanden
Ist niet een iammer groot.
Dit heeftmen wel connen aenschouwen
Tantwerpen in corten termijn
Hoe veel datmer
4) sach benouwen
Die voor de waerheyt gestoruen zijn
So seggen wij, o Heere fijn
Geeft v knechten moet ten desen
Als sy so veruolget wesen
Dat sy aenschouwen v aenschijn.
Joncker Jan van Jmmercelen
+ Is
gecomen binnen der stadt
Marcgraef geworden, hoe soud ict helen
Int Jaer duysent vijfhondert plat
+
En vijfenvijftich, verstaet wel dat
Heeft hy beginnen te ontleden
5)
Die sochten te leuen in vreden
| | | |
En wandelen den rechten pat.
Ten eersten oock al voren
+
Peter met den cruepelen voet
+
Jan droochscheerder wilt hooren
+
Hans borduerwercker, zijt dit vroet
+
Frans sweertveger metter spoet
Dese zijn vrymoedich gebleuen
Op de Merct verlieten haer leuen
En verwachten den Bruydegom soet.
Een ionge dochter van Gent
Die en sal niet meer schreyen
Inde Schelde haer leuen geent
+
Bartholomeus potbacker bekent
+ Daer na
Rommeken
1)
gepresen
Sy storuen op de Merct present.
Int Jaer van sesenvijftich
+
Sijnder twee gegaen in vre
Seer wijs en oock voorsichtich
+
Abraham die seer wel dee
+ Ende
Jan de Cudse
2) oock mee
Op die Merct haer leuen gelaten
Saechtmoedich, willet vaten
Tantwerpen binnen der Stee.
Int Jaer seuenenvijftich
+
+
Joris doudecleercoper niet listich
+
Willem droochscheerder op dat pas
+
Peter die backer oock daer was
+
Victoor en ginck niet bezijden
Op de Merct moestense lijden
+ Int
vleys broos als glas.
+ Na huys was
Jeronimus verlangen
+ Met
Lauwereys van Gelder aensiet
+
Peter die muelenaer was mee geuangen
+
Jacob van Iperen, vaet dit bediet
+
Marten die Wael vergaten sy niet
Omdat sy op God betrouden
Syn sy den hals afgehouden
| | | |
Dit is op den Steen geschiet.
+
Margriet Jeroons huysurouwe
+ En
Janneken op Dexterlaer
+
Claerken was oock getrouwe
Op den Steen verdroncken, niet openbaer
Int Schelt geworpen daer naer
Daer heeftmense sien drijuen
Opt water, met schoone witte lijuen
Dat bleeck wel also claer.
Int iaer achtenvijftich
+ wilt mercken
+
Jacob die Metser metten breydel an
1)
Vrymoedich als den stercken
Op de Merct voor menich man
+
Lowijs die Weuer quammer niet van
Op den steen onthooft sonder sneuen
2)
+
Janneken isser oock gebleuen
+ En
Nohele
3) in den tobbe dan.
+
Frans Tibau wilden sy niet verschonen
Op den steen onthooft sonder geschal
+
Cleynen Dirck, Godt salt hem loonen
Op den Steen onthooft verstaget
4) al
+
Henrick leeruercooper sonder afual
+
Anthonis wilde hem verneeren
+
Dirck die schilder moest mee passeeren
Om te knielen voor den Buel seer mal.
+
Hans de duytsch
5) wilde lieuer verkiesen
Op den Steen te storten zijn bloet
Dan Godes rijck te verliesen
Dat bewees hy met cloecken moet
Voor tquaet sal hy hebben dat goet
Sy dooden hem met gewelde
En smeten zijn lichaem int Schelde
| | | |
+ Als
sotte menschen onuroet.
+
Hans de smit wilde niet swichten
+ Noch
Sander oock aldaer
+
Hans van Borculo doort verlichten
1)
+ En
Peter in de vette waer
+
Geert perssement wercker eerbaer
+
Arent al sonder verdrieten
Sy ghinghen haer bloet vergieten
Op de Merct voor de gheheele schaer.
+
Grietken en wilde niet versaken
+
Tanneken en spaerde niet haer lijf
+ Noch oock
Stijnken van Aken
+ Met
Lijnken Henricks Joncwijf
Bleuen by der waerheyt stijf
Dese ginghen sy verdrencken
Op den Steen, willet ghedencken
Crom gebonden, ist niet een vuyl bedrijf?
Int Jaer negenenvijftich
+
laetstleden
+
Fransken de vroeyvrouwe aenhoort
+
Naenken leervercoopster met goede seden
+
Pluenken vander Goes ooc ruste oorboort
2)
Die storuen inden tobbe ongestoort
+
Gielis van Gent heuet sweert ontfangen
+ Met
Adriaen aenden staeck ghehangen
Storuen op den Steen met goet accoort
3)
+
Mariken Frans met goet betrouwen
+ En
Neelken een dochter snel
Sy wilden Gods rijcke behouwen
+
Betken beweest oock also wel
+
Mayken Cadts en sochte niet el
4)
+
Magdaleenken wt God geboren
+ En
Aechtken van Sirckzee vercoren
+ Het oude
Mayken vol goede zeden
Is
†
dubbelder eeren weert
+
Grietken Bonauentuers heeft gheleden
+ Met
Mayken de Corte doort sweert
De
‡ Croone
hebben sy begheert
Hoe cant de Marcgraef verweruen
| | | |
+
Vroukens doort sweert te doen steruen
So iammerlijck, dat elcken deert.
+
Andries Langedul sonder beyen
+
Mattheus potbacker met hem
Waren als een Lammeken tem
1)
* En
hoorden na des Heeren stem
Bleuen inder waerheyt onuerdoruen
Daerom zijn sy doort sweert gestoruen
Om te comen int nieu Jerusalem.
Int Jaer tsestich
+, vaet dese reden
+
Anthonis Claessen, dit verstaet
+
Joris heeft
† den engen
padt ghetreden
+
Thielman beweest oock metter daet
+
Hans de backer was niet desperaet
Daerom zijn sy inden Tobbe verdroncken
‡ Nieuwen
wijn sal haer werden geschoncken
+
Gommer metser een vroom broeder
+
Peter van Spaengien
2) moester by
staen
+
Jacob goutsmit zijnder sielen behoeder
Inden tobbe moesten sy saen
+
Doof Betken en wilde niet afghaen
+ En
Betken van Gent sonder trueren
+ Noch
Lijsken smits tot geender vren
Inden Tobbe moesten sy haer baen.
Ten laetsten verstaet ons dichten
+ Een broeder
Lenaert Plouier
+
Janneken en wilde niet swichten
Altijt int wesen goedertier
+
Mayken van Aken heeft geleden hier
Sy sullen ontfangen de
*
Croone
Int eewich leuen seer schoone
+
Sy zijn beproeft
† alst gout int vyer.
Dese hebben alle gheleden
+
Al voor de waerheyt reyn
+
T antwerpen al binnen der Stede
+
| | | |
En betrouden op Christum haer greyn
Wy bidden v broeders gemeyn
+ Wilt
Godes woort doorgronden
En fondeert v op Christum alleyn.
Jan de Tasmaker sit noch geuangen
1)
Als wy dit stelden, nemet in danck
Nae Godts rijcke was zijn verlangen
Hy was int vleys so cranck
En hy was meer dan eens ter banck
Maer om zijn broeders niet te beswaren
En wilde hem seluen niet sparen
Vyerighe liefde hem daer toe dwanck.
Och houdet ons ten goeden
Dat wy hier hebben ghedicht
Wilt v tot duechden spoeden
2)
En wandelt altijt int licht
Met een open claer ghesicht
Het is gheschiet wt liefden reyne
Oorlof broeders en susters gemeyne
Siet dat ghy uwen naesten sticht.
|
2)De opgaaf in dit lied komt overeen met de
lijst der geëxecuteerden, uit antwerpsche archiefstukken opgemaakt door
Génard:
Antwerpsch Archievenblad, XIV, bl. 20 vgg.
Daar worden de meesten naar hunne geboorteplaats genoemd, in deze verzen naar
hun beroep. In onderscheiding van verscheidene andere liederen is dit louter
een klaagdicht; het is nog in 1560 vervaardigd: zie het voorlaatste couplet.
Ook in het
Nieu Liedenboeck, 1562.
1)N o. 1, 1563: ‘Bloemken
rosiere’.
+Van lxxij. Christenen binnen
Antwerpen ghedoot, tusschen tiaer lv. ende lx.
+Waer ghy aldus een # siet,
daer beginnen telcken nieuwe offerhanden.
5)Niet eigenlijk dooden, maar iemand van
een zijner leden berooven, verminken. Hier om 't rijm.
2)Van Cutsegem of
Cussegem.
1)Met iets in den mond gestopt om hem het
spreken te beletten. Later heeft
Alva daarvoor het tongschroefje in zwang
gebracht.
3)Noëlle Mazille, vrouw
van
Antonis Rocke. Deze laatste is insgelijks 11 Juni
des nachts op den Steen geëxecuteerd ‘overmidts zijn quaet geuoelen
ende dat hij hem hadde laten herdoopen’; zijn naam is echter in dit lied
weggelaten om de omstandigheid (Dr. Wieder, bl. 105, heeft dit terecht
opgemerkt), dat ‘hij openbaerlijck peniteert ende tot het herdoopsel bij
simpelheyt onnoselijck gebrocht is’:
Antwerpsch Archievenblad, VIII, bl. 444.
Ook
Gillis van Aken (†10 Juli 1557) is wegens
zijne herroeping niet in het lied opgenomen.
4)Verstagen, verlengd uit
‘verstaan’.
5)Hans Phleynshorn uit
Neurenberg.
1)N.l. van Gods geest; door de
verlichting met Gods geest.
2)Ook rust geniet; orboren is profijt van
iets trekken.
3)Eenstemmigheid,
samenstemming.
1)Hetzelfde als tam; lijdzaam.
2)‘Pedro de Soza,
Spaegniaert, die metten voirs. Jaques (Jacques Schot, goudsmid, en
met
Gommare de Clercq, metselaar), omme dat hij
herdoopt was, opten Steen verdroncken is geworden’:
Antwerpsch Archievenblad, IX, bl. 11. Hij
liet geene goederen na. Spaansche kooplieden en uitgewekenen waren er vele te
Antwerpen: men denke aan
Enzinas, eenige jaren vroeger.
1)'t Bewijs, dat dit lied nog in 1560 is
vervaardigd. Immers de drie, die het laatst zijn genoemd,
Lenaert Plovier,
Janneken Eeghels en
Maeyken de Hont werden 4 April 1560
terechtgesteld; en de doopsgezinde martelaars, die dan volgen,
Jan Cleeren 9 Aug.,
Willem Cleermaker 4 Oct., enz. kent de dichter nog
niet. Is
Jan de Tasmaker misschien
Jan Cleeren, die in de rekeningen van den
markgraaf ‘de hertekensmaeckere’ wordt genoemd?
2)Evenals fol. 40 v o en vgg.:
zie Inleiding, bl. 496.
|
|