1)Van dit gedicht van
Adriaen Cornelisz. is reeds boven bll. 195, 206, 526
in de aanteekeningen melding gemaakt. Het Groot Offerboek van 1615 heeft er een
verhaal uit opgesteld en er bijgevoegd, dat deze executie in 1550 heeft plaats
gegrepen. Meer dan 'tgeen lied en randschrift bevatten wisten echter zijne
verzamelaars van deze vier martelaars niet, ook niet b.v. de wijze, waarop zij
ter dood gebracht waren; en hunne opgaaf van het jaartal is onjuist. Alle
volgenden, ook
Van Braght, hebben eenvoudig het Groot Offerboek
nageschreven.
De vrienden van dit lied zijn echter in hetzelfde jaar
gedood als de vijf leidsche martelaars uit no. 6 van dit
Lietboecxken: in 1552. Dát is het jaar der vervolging voor de
gemeente in die stad geweest. 't Blijkt uit het sententieboek, dat op het
leidsch archief berust. Den 21sten Aug. werden als herdoopers
veroordeeld:
Marijtgen Jansdr. tot den brandstapel als zij
persisteert, anders om gedolven te worden in eene put;
Marijtgen Adriaensdr. en
Dieuwertgen Jansdr. om gedolven te worden;
Willem Matthijsz. om ‘geworcht ende mitten
vure gebrandt te worden tot dat die doodt daer nae volcht’;
Pieter Matthijsz., als hij berouw toont, tot het
zwaard, anders tot den brandstapel;
Jannetgen Matthijsdr. om verdronken te worden. Dit
zijn de martelaars van ons lied, van ‘Eylaes ick mach wel suchten’.
Die van no. 6, van ‘Ick mach wel droeflijck singen’,
fol. 13 vo van dit Lietboecxken zijn op 24 November
gevonnist. 't Zijn volgens het sententieboek:
Annetgen Symonsdr. om verdronken te worden;
Dirck Jansz van Bocholt,
Adriaen Cornelisz van Schoonhoven,
Heynric Dircsz. om als zij hardnekkig blijven
verbrand, anders onthoofd te worden.
Men ziet, het sententieboek geeft op
21 Aug. twee veroordeelden meer, op 24 Nov. één minder op dan het
Lietboecxken. 't Kan zijn, dat
Pieter en
Jannetgen Matthijsz. wel te gelijk met de vier
anderen zijn gevonnist, maar iets later dan deze waren gevangen genomen en nog
niet in den kerker zaten, toen
Adriaen Cornelisz. ons lied, no. 18, op
dat viertal dichtte. 't Mag eveneens wezen, dat Maritgen inderdaad volgens het
lied no. 6 te gelijk met
Annetgen Symonsdr. c.s. is geëxecuteerd,
terwijl haar vonnis in het sententieboek op 21 Aug. en dus vroeger dan dat van
dezen staat. De uitvoering daarvan is dan uitgesteld. Dat de dichters der
liederen, die evenals de kring, voor welken zij dichtten, die gevangenen zoo
goed kenden, zich hebben vergist, is niet aan te nemen. Eerder, dat de
griffiers wel eens een onjuisten naam opgeven; terwijl het ook wel zal zijn
voorgekomen, dat zij vonnissen eerst een poos nadat zij waren gewezen
boekten.
Het randschrift geeft
Adriaen Cornelisz. op als vervaardiger van dit lied,
met verwijzing naar fol. 103 ro van het Offer des Heeren (bl.
296 boven). Daarin vindt men diens ‘belijdinghe’ en brieven. Hij
was glazenmaker, te Schoonhoven geboren, had zich in Vlaanderen
opgehouden en was thans te Delft gevestigd (t. a. p. bl. 205);
blijkbaar een ijveraar voor de gemeente. De leidsche overheid had een vijftal
brieven van hem in handen, benevens dit lied op ‘de vier vrienden’.
't Laatste, dat hem bij zijne gevangenneming was afgenomen, in schrift (t. a.
p. bl. 207); waaruit men mag afleiden, dat die offerliederen toch niet altoos
op losse blaadjes in druk verspreid, maar dikwijls alleen in geschreven
exemplaren in omloop waren. Adriaen bekende, vermeldt het leidsche
sententieboek, op 25 Oct. 1552, dat hij ‘op den dag als de laatste
justicie van den herdoopers gebeurde, .. langs die straeten heeft lopen singen
ende roepen .. tenderende tot seditie ende uploop, segghende .. gy stort het
onnosel bloet..’ Hij heeft toen waarschijnlijk heel of half wederroepen,
is alleen voor 15 jaren gebannen maar in de stad gebleven, weêr gegrepen
en 24 Nov. geëxecuteerd. Uit de brieven in het Offer des Heeren
blijkt zijne heftigheid maar ook (bl. 203 boven) zijne voorzichtigheid, op
oneerlijkheid af, waarvoor hij niet schroomt ook tegenover zijne
geloofsgenooten uit te komen. Deze maakten zich anders daaraan zelven weinig
schuldig: ‘ick weet,’ zegt de schout (fol. 10 ro van dit
Lietboecxken), ‘ghijlieden sult niet lieghen’.
Van
Adriaen is het geheele lied; ook (anders Wieder, bl. 107) het laatste couplet,
waarin gezegd wordt, niet dat hij in den dood, maar dat hij naar de gevangenis,
op den lijdensweg de zijnen is gevolgd.
Het gedicht komt in het Nieu
Liedenboeck van 1562 en later elders voor. Ook bij Wackernagel staat het
afgedrukt.