2)Jan Schut is alleen bekend
uit dit gedicht van hem zelven en uit een ander, op hem gemaakt, dat in de
Veelderhande Liedekens (in 160) van 1569 voorkomt en (samen
met het eerste) bij Wackernagel, S. 144, is afgedrukt. Hij onderscheidt zich in
niets van de eigenlijke nederlandsche martelaars, en belijdt o.a. de
menschwordingsleer. Het Groot Offerboek van 1615 vermeldt, hoe zijn dood in
1561 valt en voegt dit toe aan een bericht, aan het lied uit ons
Lietboecxken ontleend; dat van 1617, hoe die dood door onthoofding heeft
plaats gegrepen; dat van 1626, hoe Schut in de gevangenis veel heeft gezongen
en de rechter, die hem veroordeeld had, een paar dagen na de terechtstelling
het lijk toeriep: ‘Jan, zing ons nu een liedeken’, waarop hij met
een aanval van beroerte werd gestraft. Dat van 1631 en Van Braght nemen dit
alles over.
Het lied roert evenals no. 22, alle betwiste
denkbeelden der Doopsgezinden aan; insgelijks alleen het eedverbod niet.
In een liedboek, dat Dr. Wieder meent in 1559 te moeten plaatsen, komt ons
lied al voor. Dan moet de opgaaf van het jaar 1561 voor dezen marteldood
natuurlijk onjuist wezen, of - eene andere mogelijkheid, waarop Wieder, bl.
145, wijst, - Schut heeft nadat zijn lied al verbreid was nog een paar jaren
gevangen gezeten. Dit komt ook in latere uitgaven van de Veelderhande
Liedekens voor en staat, in het duitsch vertaald, in Ein schon
gesangbüchlein, dat volgens Wolkan, S. 90, 91, 99, voor het eerst
tusschen 1565 en 1569 het licht heeft gezien.
Of ‘menichfalt’
en ‘gewalt’ in het eerste couplet den westfaalschen dichter
verraadt? ‘Swermen’ op fol. 53 ro zal wel geen
germanisme (‘schwärmen’ is bij
Luther: in afwijking van het woord der Schrift op
eigen invallen, fantasiën, wijsheid afgaan) zijn, zie de aanteekening
aldaar.