|
|
|
| |
§
* Na de wijse: Het was een
Joden dochterken.
+ ALsmen duysent vijfhondert heeft gheschreuen
| | | |
Heeft
Gerrit Corneliszoon verheuen
1)
Ghelaten zijn ionge leuen
In een vlotschuyt natvermonden
Tot wercken was hy bereyt
Daer heeft hem de Schout geuonden
Ende na Stadthuys geleyt.
Sanderdaechs is hy voortgecomen
En hebben seer neerstich vernomen
En vraechden hem sonder schromen
Welck dat zijn gelooue was.
Sijn geloof tot dien tijden
Maer sy wilden dat hy sou belijden
Sommighe die waren bezijden
2)
Maer Godt heeft zijn mont bewaert.
Hebben zijn cleederen wtgetogen
En met doecken verbonden zijn oogen
+ Merckt
doch der slangen fenijn.
Al om des rechts verstrangen
3)
Hebben sy zijn handen ouerstuer
En zijn so van hem gegangen
Och vrienden dit was so suer.
De Heeren hooge van moeden
Hem doen slaen met scherpe roeden
Godt ginck zijn tonge behoeden
Dat hy niemant heeft beclaecht
4).
Den Buel seer wreet van sinnen
| | | |
By haer ontboden daer binnen
Om tontcleeden ginck hy beginnen
De Buel moeste zijn werck doen.
Handen en voeten ginck hy binden
En themde voor zijn gemacht
1),
Daer saten de Leeuwen en grinden,
O Godt hoe connen zijt al geuinden
Dat opt onnoosel is bedacht
2).
Op de pijnbanck heeft hy gelegen
Merckt wat geslachte dat dit is
Hem daer met roeden geslegen
En met een aker vol, ten dient niet geswegen
In zijn lijf gegoten met pis
3).
De draeck moeste hem noch wreken
Tegent Lam met grooten spijt
Merckt wat hier is gebleken
Bernende keerssen hebben sy ontsteken
4)
Onder zijn armen des seker zijt.
Tweemael gehangen sonder worgen
Eens met gewicht aen zijn voet
O Godt al zijt ghy lang int borgen
5),
Sult noch wel betalen sonder sorgen
Die dus vergieten tonnoosel bloet.
Dus hangende aen de koorde
Liepen sy wech al met verdrach
6)
Na vraechden sy als de verstoorde
+ Wilt
ghy niet lijden met corte woorden
Sullen dus handelen al den dach.
Hy danckte Godt almachtich
Die ons doet behouden het velt
En bewaerde zijn mont seer crachtich
Voor synen naesten warachtich
7)
| | | |
Daerom was hy seer gequelt.
Seer gepijnicht naet gewagen
1)
So dat hy niet conde gaen
Op een stoel was hy gedragen
Alsmen voort recht soud gaen claghen
In de vierschare was hy gedaen.
Merckt wat eer sy hem toonden
In de vierschaer als een sot
Met een hoet met bloemen hem croonden
Ghelijck als sy Christum loonden
Also hielden sy met hem den spot.
Sentency met cleene verstanden
2)
Vuytten sy, en deden wraeck
Datmen sou worgen en branden
En also brengen van handen
Ghebonden aen eenen staeck.
Hy danckte den Schout gehuldich
3)
En droegen hem seer verduldich
4)
Voort volck menichuuldich
Tot voor de pael die was bereet.
Seer vierich tot God beradich
5)
O Vader weest my genadich
Maeckt my een van v minste schaepkens dadich
6)
Ofte tminste lit aen v lichaem.
O Heere die hooch zijt geseten
Die een kender sy van alle secreten
De herten hoe hooch int vermeten
7)
Voor hem isset gerekent al niet.
| | | |
Driemael geroepen seer vyerich
Heeft hy, o Vader coen
1)
+
Vergeeft haer seer goedertierich
Hoe wel sy my quellen onmanierich
Sy en weten niet wat sy doen.
Och volck, eewich is so lange
Vader, eewich is lange tijt
Riep hy met herten banghe
Och dese Crijch, is seer stranghe
Vecht nv vleesch, dits de laetste strijt.
Als de koorde was aen zijn keele
Riep hy voor minst en meest
2)
O Vader ick v hier beuele
Voor de menschen ick dit niet heele
In uwe handen mijnen gheest.
Dus dede hy zijn offerhande
Hy vreesde werelt, doot noch schande
Noch de heeren van den lande
Hy street met ghewelt totten ent.
Dus wilt nv niet meer vechten
Ghy Rechters van Amsterdam
Tegen des Heeren knechten
Is seer quaet om te rechten
3)
Want onnoosel is dat Lam.
Ende des Conincx placcaten
Int ordeel niemant helpen sal.
|
*[ no. 2.]
4)
4)Volgens het amsterdamsch sententieboek
('t vonnis is afgedrukt bij
Van Braght, bl. 541: zie ook
Ter Gouw, VI, bl. 286) is ‘Gerrit
Cornelisz., anders
Gerrit Boon genaemt, groot Schuytvoerder, Poorter
dezer Stede, 26 Juni 1571 veroordeeld om metten vijere te worden
geëxecuteert’. Ook de pogingen, aangewend om hem tot afval te
bewegen, en de herhaalde folteringen, die men hem aandeed, worden daar vermeld.
Gerrit is evenals
Clement Henricksz. (bl. 478 boven) een der
slachtoffers te Amsterdam van de reactie na
Alva's komst, uit den tijd toen
Amsterdam ‘Moorddam’ heette. Onbegrijpelijk blijft
het, dat men hier zoo naar Doopsgezinden moest zoeken, terwijl in de nabijheid
Waterland vol was van hunne gezindte. Maar dit raadsel doet zich telkens voor:
slechts een enkele martelaar ook daar waar de broederschap zeer talrijk was. -
Het lied steekt evenals het voorafgaande en het volgende ongunstig af bij de
oudere martelaarsliederen. De versbouw en vooral de zinsbouw zijn tamelijk
onbeholpen. Zie Inleiding, bl. 624.
+Van
Gerrit Corneliszoon tot Amsterdam
ghebrant An. 1571.
1)Deze uitdrukking klinkt voor
Gerrit Cornelisz. al heel vreemd. Kan
‘verheven’ ook zijn: ‘op een hoogen brandstapel
gezet’?
2)Zij wilden, dat hij sommige
geloofsgenooten, die zich verborgen hielden, zou bekennen of
aangeven.
3)De folteringen, die
Gerrit Cornelisz. tot tweemaal toe heeft moeten
doorstaan en die in de nu volgende coupletten uitvoerig worden beschreven,
waren bijzonder zwaar: zie bl. 167, 408 hierboven. Natuurlijk was het te doen
om hem te noodzaken geloofsgenooten aan te geven, maar ‘God heeft zijn
mond bewaard’.
4)Aanklagen; hier: aangeven.
1)De pudenda: nog tegenwoordig hier en
daar in de volkstaal.
2)Hoe kunnen zij dat alles uitvinden, wat
op (tegen) het onnoozele (de onnoozelheid, de onschuld) is bedacht, n.l. om
deze te treffen, haar kwaad te doen.
3)Zie bl. 408 en aanteekening 2
aldaar.
4)Zie bl. 408 en aanteekening 2
aldaar.
5)‘Al gunt gij hun lang uitstel van
de afdoening van hunne schuld, van 't ondergaan van hunne straf: gij zult hun
dat kwaad wel eenmaal vergelden, zonder dat er reden is om zich bezorgd te
maken dat misschien die betaling geheel zal uitblijven, de straf hen nimmer
bereiken zal’.
6)‘Terwijl hij dus aan het koord
hing, liepen zij langzamerhand de een na den ander weg; terwijl zij met weinig
woorden in hunne boosheid hem vraagden: wilt gij niet (be)lijden (hetzelfde als
bekennen; hier: anderen aangeven)? Zoo zullen wij den geheelen dag aldus met u
doen’.
7)‘Trouw’; voor zijne naasten
waarachtig, een trouw vriend zich betoonend.
1)Naar 'tgeen men ervan
vertelde.
2)N o. 9, 1590: uytten;
n o. 11, 1599: wtten. - ‘Verstand’ is hier niet het
zielsvermogen, maar drukt de werkzaamheid uit: het verstaan. Derhalve:
‘zonder dat zij veel van het geval verstonden, met niet dan weinige
pogingen om daarin door te dringen of dat grondig te onderzoeken spraken zij
maar vonnis en bepaalden zij als straf, dat men hem zou worgen en branden en op
die wijze op zijde zetten, van kant doen’ (‘hand’ dient
dikwijls ter aanduiding van iemands linker-, rechterzijde), d.i.
dooden.
3)Of ‘gehoudig’: goedgunstig,
trouwhartig.
5)‘Welberaden, riep hij
liefelijk.’
6)Eigenlijk: ‘werkzaam’: die
‘metterdaad’, n.l. in het lijden van het martelaarschap, zich uwe
schapen toonen.
7)In hunne raadslagen,
plannen.
1)‘Coen’ kan moeilijk eene
eigenschap van God uitdrukken. Dus moet het bij ‘roepen’
behooren.
3)‘Te procedeeren’; vandaar:
‘te strijden; want het lam (Christus) is (en ook de zijnen zijn)
onschuldig (en staan dus onder des Almachtigen bescherming)’.
|
|