Ons Erfdeel. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 12. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonk-Dorp, 1968-1969


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Romantiek en ironie bij Simon Vestdijk.

In 1968, het jaar van zijn zeventigste verjaardag, zijn van S. Vestdijk maar liefst drie romans verschenen en twee boeken aan hem en zijn ontzagwekkend oeuvre gewijd. Deze laatste zijn een bundel brieffragmenten en gesprekken met Theun de Vries (Hernomen konfrontatie met S. Vestdijk, De Arbeiderspers, Amsterdam, Floretboek 23) en een belangwekkende speciale aflevering van het tijdschrift Raster (Raster, II/3, Polak & van Gennep, Amsterdam). Twee van de drie romans van Vestdijk, nl. De hôtelier doet niet meer mee (Nijgh & van Ditmar, Den Haag) en Het schandaal der blauwbaarden (id.) zijn historische romans. Met de nog in 1967 uitgekomen Venetiaanse kroniek De leeuw en zijn huid (Nijgh & van Ditmar, Den Haag) betekent dit dus dat drie van de vier laatst verschenen Vestdijken historische romans zijn, en dit is toch wel een opmerkelijk feit. Vestdijks belangstelling voor de historische roman is natuurlijk al lang bekend, hij heeft er nu in totaal 14 gepubliceerd (plus twee over de tweede wereldoorlog), maar een speciale studie werd er tot nog toe niet aan gewijd, zoals de ernstige essayistische benadering van zijn werk trouwens helemaal van vrij recente datum is.

 

De fascinatie van het verleden vormt één van de centrale tema's in het hele werk van Vestdijk. Het proustiaanse wederkerig perspektief van ‘toen’ en ‘nu’, de wisselwerking tussen wat voorbij is maar in geest en herinnering het leven blijft bepalen, beheerst de hele Anton Wachter-cyklus en aanverwante romans als De koperen tuin en Zo de ouden zongen... De Essays in duodecimo handelen grotendeels over het verleden; één ervan, een verhandeling over de historische roman als genre, draagt de nadrukkelijke titel ‘De betovering van het verleden’, en bevat o.m. de volgende uitspraak: ‘De historische roman is de zondeval van de schrijversziel die door het verleden bezeten is - en dus als genre onvermijdelijk.’ Over die bezetenheid door het verleden heeft Vestdijk zich ook weer uitgelaten in de interviews met Theun de Vries, zoals voorheen al in de radiogesprekken met Nol Gregoor (Nol Gregoor in gesprek met S. Vestdijk, De Bezige Bij, 1967). Zijn voorliefde voor de historische roman heeft hij daar in verband gebracht met zijn onstelpbare ‘honger naar weten’ en met zijn uitgesproken romantische aanleg. Het is ‘een gedreven worden naar dat verleden, naar grotendeels onbekende romantische verwikkelingen die daarin hebben plaatsgehad of in plaats konden vinden. Het is merkwaardig dat bij iedere romantikus het verleden altijd een grote rol speelt, en aangezien ik mijzelf voor laten we zeggen 90% romantikus houd, was dit alleen maar een consequentie.’

 

Vestdijks romantische aanleg en eklektische belangstelling gaat samen met een dialektisch en sterk kontrapunterend denken. Hoezeer dit ook in zijn essayistisch en kritisch werk het geval is, heeft J.J. Oversteegen overtuigend gedemonstreerd in de speciale aflevering van Raster. In de gesprekken met Nol Gregoor heeft Vestdijk zich zelf trouwens nadrukkelijk over zijn skeptische levenshouding uitgelaten: ‘Dat zal waarschijnlijk wel samenhangen met m'n sterke neiging tot relativisme, die dan door de schok, die ongeveer in 1925 Nietzsche bij mij teweegbracht, alleen maar in hoge mate versterkt kon worden, een breidelloos relativisme, dat tenslotte zo consequent kan worden dat het op zichzelf weer iets absolutistisch krijgt. Dat is wat Nietzsche perspectivisme noemt. Dat er wel misschien een waarheid bestaat, maar dat de waarheid voor het menselijke altijd vanuit een bepaald perspectief benaderd wordt zodat je eigenlijk niets met zekerheid kan weten. Zo-

[p. 132]



illustratie

Simon Vestdijk.


dat je eigenlijk alleen maar voor jezelf iets kan nastreven. En begrijpen en zien en opvatten.’ Ik blijf bij dit citaat even stilstaan omdat het zijn belang heeft meer bepaald voor Vestdijks opvatting van de historische roman. Het is bekend dat hij zich voor het schrijven van een historische roman zorgvuldig dokumenteert, maar het ophangen van een zgn. objektief beeld van een brok werkelijkheid uit het verleden (naar de wijze van Flaubert b.v.) is toch niet zijn hoofdbekommernis. Veeleer is hij als auteur geinteresseerd in de tegenstrijdige mogelijkheden die naast elkaar in hetzelfde wezen of dezelfde situatie verborgen liggen. Voor Vestdijk is het potentiële steeds belangrijker dan het werkelijke of verwezenlijkte. Van die aard is tenslotte ook het Proustiaanse Ina Damman-motief, dat in allerlei variaties overal in zijn werk te vinden is: voor Anton Wachter was de potentiële Ina Damman, de verbeeldingsmogelijkheden die van haar uitgingen, van meer waarde dan het werkelijke meisje dat hij op school ontmoette. Polyvalentie, in tema's en motieven zowel als in identiteit en gedragingen van de personages, kenmerkt vooral ook de meeste historische romans. Vandaar ongetwijfeld ook de keuze van hoofdpersonen over wie historisch weinig eksakte gegevens bestaan, zoals El Greco en Pilatus, of van tijdperken waar myte en geschiedschrijving nog door elkaar lopen, zoals het vóór-Homerische Griekenland.

 

In dit spelen met mogelijkheden en deze lust tot relativeren toont zich vaak ook de Vestdijkiaanse humor en ironie (een facet van zijn werk dat veel te weinig beklemtoond wordt) en dit is met name het geval in de twee laatste historische romans De hôtelier doet niet meer mee en Het schandaal der blauwbaarden. In tegenstelling tot de meeste vorige historische werken, kunnen ze beide gerekend worden tot de historische avonturenroman, waarover Vestdijk zich in zijn gesprekken met Theun de Vries met jeugdig en aanstekelijk entoesiasme heeft uitgelaten en waar hij kennelijk zelf enorm veel plezier aan beleeft. Eerstgenoemde roman speelt tijdens de ballingschap van Napoleon op St.-Helena en eindigt met het bericht van Napoleons dood, dat met vertraging Frankrijk bereikt. De historische achtergrond wordt gevormd door plannen die gesmeed worden om de keizer te ontvoeren en eventueel via Noord-Amerika naar Frankrijk terug te brengen. In het verhaal zitten de samenzweerders in Grenoble, waar ze vermomd als handelsreizigers in dienst van een koopman en hôtelier, erop wachten dat Napoleon zal opdagen om hem dan in de bergen te verstoppen. Ze vormen een ruwe en pittoreske bende oudsoldaten, die slempen en intrigeren en onderling ruzie maken, tot ineens alles afbreekt op een dubbele en tegenstrijdige pointe: op dezelfde dag dat Bonapartisten in Grenoble oproer maken en het er even de schijn van heeft dat Napoleon werkelijk al in de stad is teruggekeerd, druppelt het eerst ongeloofwaardige nieuws binnen dat hij al sinds meer dan een maand op zijn eiland gestorven is. De hele roman, met de gebruikelijke verve en het feilloos geworden vakmanschap opgebouwd, is aldus weer het verhaal van een mogelijkheid, die op het eind ironisch te niet wordt gedaan. De afstand die voor deze ironie wordt vereist, wordt handig teweeggebracht door het feit dat de roman in de ik-vorm verhaald wordt door een Duitser, die in 't begin als huisonderwijzer bij de hoteluitbater in Grenoble terecht komt. Hoewel op een gegeven moment aangestoken door de Bonapartistische sympatieën van zijn omgeving, blijft hij toch aldoor een Duitser, wat iedere identifikatie in de weg staat. Wegens de technische trefzekerheid en de grote kunde waarmee hij geschreven is, levert deze roman ontspanningsliteratuur op van de bovenste plank. Hij vindt ook zijn plaats in het totale oeuvre van Vestdijk, maar tot de grote werken van deze angstwekkend vruchtbare auteur kan hij niet gerekend worden.

De komische en parodistische bedoeling is nog veel duidelijker in Het schandaal der blauwbaarden. Vooreerst wordt deze roman, die zich afspeelt in het Italiaanse stadje San Gimignano, verhaald door een schrijver van historische romans die zich luchtig uitlaat over zijn ‘historische noties die in hoofdzaak stammen uit toeristische boekjes vol oncontroleerbare grootspraak’. Aan Theun de Vries had Vestdijk over dit boek het volgende meegedeeld: ‘Zo heb ik b.v. net iets geschreven dat in S.G. speelt, - daarvoor heb ik eigenlijk geen enkel dokument gebruikt behalve het reisgidsje dat ik aldaar in een boekwinkel vond.’ De ironie tegenover zichzelf en tegenover het métier duikt

[p. 133]

op die manier geregeld in de roman op, o.m. nog in een badinerende discussie waarin de schrijvende hoofdpersoon beweert dat een historische roman niets met de historie hoeft te maken te hebben, dat het enige materiaal van de schrijver uit blanco papier bestaat en soms ook uit... sprookjes. Dit laatste vindt dan zijn onmiddellijke weerslag in Het schandaal der blauwbaarden zelf, waarin een historische navorsing inderdaad op avontuurlijke en kostelijke wijze verzinkt in het drijfzand van het sprookje. Strikt genomen is het dan ook geen historische roman, maar een verhaal over de mogelijkheid en onmogelijkheid tot de precieze interpretatie van een historische familiekroniek uit de Italiaanse Renaissance. Spitsvondig worden de diverse mogelijkheden telkens weer gerelativeerd, en ook met de meest serieuze hulpwetenschappen wordt geestig de draak gestoken: ‘Het verheugt me meer dan ik zeggen kan dat wij na de historie, de psychologie, de theologie, het spiritisme, de anatomie en het Sanskriet ook de erfelijkheidsleer in onze beraadslagingen kunnen betrekken. Onze opzet kan niet breed genoeg zijn.’ Aldus de Italiaanse lektor in de geschiedenis die, in gezelschap van de Hollandse romanschrijver en een Amerikaanse historikus, tijdens zijn archiefonderzoek in de drakerigste avonturen verstrikt raakt. Al met al een leuk boek, waarin op virtuoze en zeer sympatieke manier de romantische en geleerde Simon Vestdijk zichzelf glimlachend en speels in de spiegel bekijkt.

Paul de Wispelaere, Damme