Ons Erfdeel. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 13. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonk-Dorp, 1969-1970


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 84]

de historische betrekkingen tussen nederland en tsjechoslowakije

peter krug

Geb. 1920 te Den Haag. Studeerde Slavische talen. Verbonden aan de Ekonomische Voorlichtingsdenst in Den Haag. Redaktielid van Mens en Kosmos, Rekenschap en Oost-West. Publiceert regelmatig over Oost-Europa, Turkije en China.

Adres: Van Merlenstraat 74, Den Haag.



illustratie

Het recente Tsjechoslowaakse drama heeft opnieuw de aandacht gevestigd op de kwetsbare positie van Tsjechoslowakije dat in zijn gehele historie de dreiging heeft gevoeld van grote kontinentale machten: het Ottomaanse rijk, Oostenrijk-Hongarije, Duitsland, Rusland. Men heeft Bohemen wel de ‘citadel van Europa’(1.) genoemd. Bismarck verklaarde, dat wie Bohemen bezit, meester is van Europa. Hoewel de ontwikkeling van de moderne nukleaire wapens dergelijke geopolitieke uitspraken van hun geloofwaardigheid heeft beroofd, is Tsjechoslowakije politiek, ekonomisch en strategisch in Europa nog altijd een faktor van betekenis. De wisselvalligheden van het historische lot, dat de vrienden van gisteren tot vijanden van heden maakt (en omgekeerd), treedt in de geschiedenis van Tsjechoslowakije wel bijzonder sterk in het licht. Onwillekeurig denkt men aan een uitspraak in Schiller's ‘Wallenstein’:

 
‘Wenn es nicht bloss ein Elend mit dem andern
 
Vertauscht soll haben, muss das arme Land
 
Von Freund und Feindes Geissel gleich befreit seyn.’

Met reden noemde reeds Goethe de geschiedenis van Bohemen ‘das Traurigste von der Welt’: Wie deze geschiedenis kent, verwondert zich niet langer over het chaotisch-katastrofale karakter van de wereldgeschiedenis, meende hij. Goethe gaf zijn zoon de raad: ‘Man sollte sie auswendig lernen, und so wäre man über einen grossen Teil der absurden Weltgeschichte beruhigt.’

 

Wie in vogelvlucht de geschiedenis van Tsjechen en Slowaken overziet, komt tot de konkluzie dat door de eeuwen heen steeds nauwe kulturele ekonomische en dynastieke banden met West-Europa hebben bestaan, terwijl de relaties met Rusland van weinig betekenis waren. Het panslavisme dat nauwe betrekkingen met Russen en andere Slavische volken propageerde is in Tsjechoslowakije nimmer tot grote bloei gekomen.(2.)

 

In dit korte artikel kunnen slechts enkele feiten uit de bewogen historie van Tsjechen en Slowaken worden gememoreerd.(3.) Het Groot-Moravische rijk bereikte het hoogtepunt van zijn macht onder vorst Svatopluk (870-894), toen dit gebied niet alleen het eigenlijke Moravië maar ook een aanzienlijk deel van het huidige Oostenrijk en West-Slowakije omvatte benevens een gebied ten noorden hiervan tot de Saale en de Oder (tans de grensrivier tussen Germanen en Slaven). Onder Svatopluk's voorganger Rostislav hadden de Griekse missionarissen Cyrillus en Methodius, de ‘Slavenapostelen’, het kristendom naar deze streken gebracht. Cyrillus ontwierp voor de Slavische volken een fonetisch alfabet, waarin de Oud-kerkslavische literatuur werd geschreven. Het vormde de basis van het Russische ‘cyrillische’ alfabet. Svatopluk koos echter tenslotte voor het Latijnse kristendom, waardoor een eind kwam aan het Byzantijnse missiewerk, maar tevens een eerste breuk ontstond in de kulturele verbondenheid van West-Slaven (waaronder de Tsjechen) en Oost-Slaven, m.n. de Russen.

 

Vanaf de 9e eeuw tot 1306 heerst in Bohemen het Huis der Premysliden, van 1310 tot 1437 het Luxemburgse Huis, van 1471 tot 1526 het Poolse koningsgeslacht der Jagellonen, terwijl na 1526 de Habsburgers (tot 1918) de Boheemse troon bezetten, slechts met een korte onderbreking van een jaar (1619-1620) toen de protestantse ‘Winterkoning’ Frederik van de Palts koning van Bohemen was.

 

Twee vorsten uit het Luxemburgse Huis verdienen de aandacht. Allereerst Karel IV (1346-1378), tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk, opgegroeid aan het Franse hof, die Praag tot de fraaiste stad van Midden-Europa (‘de gouden stad’) maakte (men denke aan de Karelsbrug over de Moldau!) en het bovendien zijn universiteit gaf (1348), de eerste in het Duitse rijk! Zijn verblijf in Parijs had hem op de gedachte gebracht in Praag een soortgelijke universiteit als de Sorbonne te stichten. Men heeft hem wel de ‘vader van Bohemen’ genoemd. Onder zijn regering

[p. 85]

kwamen kunsten en wetenschappen tot grote bloei. Hieraan herinnerde de in 1966 in Rotterdam gehouden tentoonstelling ‘Boheemse primitieven’.(4.) Een tweede vorst, die vermelding verdient, is George van Podebrady (1458-1471), de ontwerper van een Europees vredesplan, dat een permanente bond tussen de Europese vorsten beoogde met als doel vrede in Europa en verdrijving van de Turken. Een afgezant van George van Podebrady heeft vermoedelijk ook Den Haag bezocht.

 

In de middeleeuwen bestonden er naast relaties tussen geestelijken en kloosters ook ekonomische banden tussen Bohemen en de Lage Landen. Bohemen importeerde uit Vlaanderen het befaamde Vlaamse laken en eksporteerde metalen (zilver, ijzer, tin van Bohemen,(5.) goud en zilver van Slowakije) en ambachtsprodukten. In 1512 werden in Joachimsthal (nu een voor de Russen belangrijke vindplaats van uraniumerts!) rijke zilveraders ontdekt. In 1520 begon men uit het hier gevonden zilver munten te slaan. In Duitsland werden deze ‘Joachimsthaler’ genoemd, dat tenslotte afgekort werd tot ‘thaler’. In Holland kregen zilveren munten hierdoor de naam ‘daalders’, in de Verenigde Staten werden zij later ‘dollars’ genoemd. Glasblazerijen kende Bohemen al sedert de middeleeuwen. Slowakije kreeg eveneens bekendheid door het zilver dat de Fuggers eksploiteerden.

 

In West-Europa verkreeg een Duitstalig Boheems boek grote bekendheid: ‘Der Ackermann aus Böhmen’ van Johann von Saaz (1401). Hollanders en Vlamingen bezochten de in 1348 gestichte Praagse universiteit. Onder deze studenten treft men bekende namen aan zoals Geert Groote, Jan Ceele van Zwolle, Gerard Zerbolt van Zutphen en Florens Radewijns (magister artium van de Praagse universiteit), alle namen verbonden met de ‘moderne devotie’ in ons land. Ongetwijfeld zijn zij geïnspireerd door de geestelijke vernieuwingsbewegingen in Bohemen.(6.) Dit hervormingsstreven kreeg duidelijke gestalte in de figuur van magister Jan Hus.

Hus en het hussitisme.

Hus was niet alleen een hervormer, die simpatiseerde met de teologie van de Engelsman Wiclif (deze stelde de bijbel centraal), hij was ook een nationale figuur(7.) die het gebruik van de Tsjechische moedertaal in de kerk voorstond, de Tsjechische ortografie verbeterde en het Tsjechische geestelijke volkslied en de literatuur bevorderde. Ook keerde hij zich tegen de rijkdom en de verwereldlijking van de klerus. Bekend is zijn veroordeling wegens ketterij in 1415 en zijn dood op de brandstapel, die de hussitische hervorming slechts kon stimuleren.

 

De strijd voor een eigen nationaal volksbestaan, de strijd ook voor een hervormde konfessie, kwam in 1620 tot een eind toen op de Witte Berg de Habsburgers en de kontra-reformatie triomfeerden (met Spaanse, Beierse en Poolse hulp!). Men zou dit gebeuren het ‘trauma’ van de Tsjechische geschiedenis kunnen noemen. Slechts een man van zeer groot formaat, nl. Thomas Masaryk(8.) heeft zijn volk weer het zelfvertrouwen en het nationale besef kunnen geven, dat in 1918 leidde tot de onafhankelijkheid.

 

Merkwaardig genoeg hebben ook Nederlanders in de kontra-reformatie een rol gespeeld en nog vóór 1620. Ferdinand I (1526-1564) liet in 1555 de orde der Jezuïeten naar Praag komen om het hussitisme te bestrijden. Hun leider was de bekende Petrus Canisius uit Nijmegen, die later heilig is verklaard. Hij verbleef tot 1556 in Praag. De Praagse bevolking stond tegenover deze Jezuïeten bepaald vijandig en wel om twee redenen: Zij vreesde niet alleen dat Bohemen (dat in meerderheid protestants was) gedwongen zou worden tot het katolicisme terug te keren, maar bovendien had zij reden om aan te nemen, dat de Jezuïeten de germanisatiepolitiek van de Habsburgers zouden steunen. Deze vrees bleek maar al te gerechtvaardigd te zijn!

 

Een belangrijke figuur in de Boheemse reformatie was Peter Chelcicky (gest.

illustratie

Praag, centrum van de Boheemse reformatie.

Houtsnede uit H. Schedel, Liber Chronicarum (Neurenberg, 1493).


[p. 86]

1460) die betoogde dat het kristendom van de bergrede geen plaats laat voor rechtbanken,(9.) voor wereldlijke machten als een leger, voor het onderscheid tussen ‘heren en knechten’. Iedere deelneming aan oorlogen achtte hij in strijd met de kristelijke beginselen. De kern van zijn radikaal-kristelijke overtuiging was een demokratische gedachte, die in Rusland in het geheel niet, in West-Europa nog nauwelijks tot ontplooiing was gekomen. Het hussitisme heeft zijn invloed in én buiten Bohemen doen gelden. Thomas Masaryk, de ‘vader des vaderlands’, verklaarde:

 

‘De grondslagen van het moderne humane en demokratische ideaal zijn gelegd door onze hussistische reformatie, waarin de Boheemse Broederschapskerk bijzonder belangrijk was, aangezien deze in morele waarde alle andere kerken en de vroegere pogingen tot hervorming overtrof.’

 

In zijn lijvige boek over Hus merkt Vischer op: ‘... ja sogar bis nach Lille, Holland, Seeland waren die hussitischen Lehren gedrungen. Der französisches Klerus wies darauf hin, dass die Bauernaufstände gegen Adel und Geistlichkeit in Burgund und im Lyonnais nur durch die von Böhmen aus - Prag, Tabor, Saaz - in alle Welt gesandten taboritischen Manifeste verursacht wurden. Die planmässig durchgeführte hussitische Werbetätigkeit war also überall erfolgreich, aber gerade in Deutschland wirkten die aufreizenden Lehren der Taboriten(10.) auf die unteren Schichten des Volkes, die unzufrieden waren und sich vielfach bedrückt fuhlten, besonders stark.’(11.)

 

In zijn bekende werk The rise of the Dutch republic schreef J.L. Motley:

 

‘The Pope proclaims a crusade against the Hussites. Knights and prelates, esquires and citizens, enlist in the sacred cause, throughout Holland and its sister provinces; but many Netherlanders, who had felt the might of Zizka's(12.) arm, come back, feeling more sympathy with the heresy which they had attacked, than with the Church for which they had battled...’

 

Ook later gold voor vele Hollandse protestanten de uitspraak van Luther:

 

‘Wir sind ohne es zu wissen, alle Hussiten!’

De Hollandse Republiek en de Boheemse onafhankelijkheidsstrijd.

De tragische nederlaag op de Witte Berg betekende niet alleen een breuklijn in de geschiedenis van Bohemen, maar evenzeer het einde van de reformatie in Midden-Europa, die zowel in Bohemen als in Polen aanvankelijk een grote bloei kende. In deze periode bestonden er uiteraard politieke relaties tussen Bohemen en onze Republiek. Beide streden immers tegen de katolieke Habsburgers. In het leger van prins Maurits bevonden zich verschillende Tsjechen. In de Nederlanden volgde men met simpatie de strijd van de Tsjechen tegen Habsburg in de jaren 1618-1620. De Staten-Generaal gaf aan Bohemen financiële hulp ten bedrage van 50.000 Hollandse guldens maandelijks. Hollandse soldaten vochten onder het vaandel van de tot koning van Bohemen uitgeroepen keurvorst Frederik V van de Palts, van moederskant een kleinzoon van Willem de Zwijger.(13.) In deze jaren verschenen in de Nederlanden verschillende pamfletten over de strijd van de Tsjechen. In 1620 vluchtte Frederik van de Palts, de ‘winterkoning’, (hij was slechts één winter koning geweest) met zijn gevolg naar Den Haag. Op het Voorhout betrok hij het huis Wassenaar. Hij kreeg een toelage van de Staten-Generaal. Tientallen Tsjechische geleerden en edellieden zochten in die jaren een toevlucht in de gastvrije Nederlanden. De lijfarts van de ‘Winterkoning’ Andreas Haberswessel von Habernfeld liet in Leiden een boek over de Boheemse oorlog verschijnen, getiteld ‘Bellum Bohemicum’ (1645). Sommige réfugiés studeerden aan onze universiteiten of traden zelfs op als docent zoals Jan de Laet (Laetus Veselsky). Een bekend Tsjechisch emigrant was de grafikus Vaclav Hollar (1607-1677), die zowel in

illustratie

In de Bethlehemkapel, die van het einde van de 14e eeuw dateert, mocht alleen in de volkstaal - dus niet in het Duits of Latijn - gepredikt worden. Als eerste predikte hier de Praagse magister Jan Hus.


[p. 87]

Engeland als in Holland verbleef en o.m. prenten van Nederlandse schepen vervaardigde. In deze periode verwierf in Praag de Hollandse bankier Jan de Witte enige faam. Zijn ondernemingslust blijkt uit zijn pogen in Noord-Bohemen ijzergieterijen op te richten.

 

De slag op de Witte Berg betekende, zoals gezegd, het einde van de zelfstandige ontwikkeling van Bohemen. Het mag een wonder heten dat de Tsjechische taal ondanks het germanisatiestreven van de Habsburgse regering in Wenen niet geheel verdwenen is. Dit geldt evenzeer voor Slowakije dat sedert de 11e eeuw deel uitmaakte van Hongarije en een ongelijke strijd moest voeren tegen de magyarisatie van de Hongaren, die niet toestonden dat op scholen het Slowaaks werd onderwezen of boeken en tijdschriften in het Slowaaks verschenen. De adel in Slowakije kreeg dan ook een volledig Hongaars karakter. De 19e eeuw zou mede onder invloed van de Romantiek en van figuren als (de Duitser!) Herder leiden tot een reveil van de Slavische talen en kulturen, niet alleen in Bohemen maar eveneens in het tot de dubbel-monarchie Oostenrijk-Hongarije behorende Kroatië en Slowenië. Niet ontkend kan worden dat Bohemen in de Habsburgse periode gunstige ekonomische mogelijkheden kreeg, aangezien de aanwezigheid van vele delfstoffen als ijzer en steenkool ertoe leidde, dat de regering in Wenen Bohemen als het belangrijkste industriecentrum ging beschouwen. In 1910 was 70% van de gehele industrie van Oostenrijk-Hongarije in Tsjechoslowakije gekoncentreerd terwijl hier maar 25% van de totale bevolking was gevestigd.

 

De slag op de Witte Berg betekende niet dat de vrije geloofsopvattingen en de demokratische visie van het hussitisme geheel verloren gingen. Wij wezen in dit verband reeds op een duidelijke uitspraak van Masaryk.

De Herrnhutters.

Na de nederlagen van de Hussieten werd uit de verschillende hussitische bewegingen in 1467 de Unitas Fratrum, de Boheemse of Moravische Broederschap, gesticht.(14.) Tekenend voor het karakter van deze beweging is, dat de Boheemse Broeders in hun benarde positie afgezanten naar Erasmus zonden om hulp te vragen. Deze bevond zich evenwel zelf in grote moeilijkheden. Dank zij hen kwam o.m. een Tsjechische bijbelvertaling (de Kralitzerbijbel 1578-1593) tot stand. Na de slag op de Witte Berg werden de Boheemse Broeders uitgeroeid en verdreven. Hun laatste bisschop was de bekende Comenius. Een ‘Hernieuwde Broederschap’ kwam in 1722 tot stand, dank zij de bescherming van de graaf von Zinzendorf (1700-1760) in Oberlausitz, waar zij ‘Unter des Herrn Hut’ (vandaar de naam) leefden. Herrnhutters vestigden zich in 1746 in het Slot te Zeist, voor hen gekocht door de Amsterdamse koopman Cornelis Schellinger.(15.) Zoals bekend hebben deze Herrnhutters als zendelingen belangrijk werk verricht in Suriname, waar zij zich het lot der negerslaven en melaatsen aantrokken. Ook tans nog zijn er vele scholen van de Herrnhutters in Suriname.

 

De Herrnhutters hebben grote invloed gehad op John Wesley (1703-1791), die de grondslag legde voor de latere Methodistenkerk, welke van betekenis is geweest voor de sociale en politieke ontwikkeling in Engeland.

Comenius in Nederland.

In Naarden herinnert een mausoleum en een museum aan het verblijf van de grote Tsjechische pedagoog Comenius in ons land.(16.)

 

Jan Amos Komensky werd in 1592 in Zuid-Moravië geboren. Zijn ouders behoorden tot de kerk van de Boheemse (of Moravische) Broederschap. Van 1611 tot 1613 studeerde Comenius aan de door Jan de Oude, broer van Willem de Zwijger, te Herborn in Nassau gestichte universiteit. Hij bracht toen vanuit Herborn zijn eerste korte bezoek

illustratie

Comenius.


[p. 88]

aan Nederland. In 1618 diende hij na zijn studie in Heidelberg als predikant bij de broedergemeente in Fulnek in Moravië. In dit jaar brak evenwel de dertigjarige oorlog uit. Deze gebeurtenis had voor Comenius noodlottige gevolgen. Zijn vrouw en zoon kwamen in hun huis in de vlammen om en de biblioteek ging verloren. In 1626 bracht hij een tweede vluchtig bezoek aan ons land. In de periode 1628 tot 1641 verbleef de grote Tsjech in Leszno (Lissa) in Polen, waar hij tot rektor van een gymnasium was aangesteld. Hier schreef hij zijn ‘lanua linguarum reserata’ (De poort der talen ontsloten), een op nieuwe leest geschoeid leerboek voor talenonderwijs. Het werd in twaalf Europese talen, in het Arabisch, Turks, Perzisch en Mongools vertaald! Eerst moet men de moedertaal leren, zo stelde hij, en pas later het Latijn en andere vreemde talen. Van 1641 tot 1642 vertoefde Comenius in Engeland en reisde vandaar via Nederland naar Zweden. Van 1642 tot 1648 verbleef hij op verzoek van de bekende Hollandse wapenfabrikant Lodewijk de Geer in Zweden teneinde daar adviezen te geven op het gebied van onderwijshervorming. Van 1648 tot 1650 verbleef hij wederom in Leszno, daarna woonde hij vier jaar in Sárospatak in Zevenburgen en vervolgens weer van 1654 tot 1656 te Leszno.

 

Het jaar 1656 was voor Comenius wederom een rampjaar. Leszno, waar hij toen verbleef, werd door de Polen verwoest en opnieuw verloor Comenius zijn huis en biblioteek. Wederom trok hij naar Amsterdam waar hij tot zijn dood in 1670, dus veertien jaar, woonde. Hier vond hij zijn ‘Eleutheropolis’, zijn stad van de vrijheid. In deze stad verschenen ook zijn ‘Didactica magna’ en ‘Centrum securitatis’. Wij moeten de familie de Geer (Lodewijk en zijn zoon Laurens) dankbaar zijn voor de steun, die zij Comenius gaven, waardoor o.m. de uitgave mogelijk werd van zijn werken ‘Angelus Pacis’ (1667), waarin hij de gezanten van Engeland en de Republiek trachtte te overreden vrede te sluiten, en ‘Unum Necessarium’ (Ned. vert. van dr. R.A.B. Oosterhuis, 1929), een boek over de ontwikkeling van persoonlijkheid en gemeenschap.

 

Slechts in het kort kan ik hier de betekenis van Comenius aangeven. Als pedagoog toonde hij zich een groot vernieuwer. Kinderen moeten geen dode boeken bestuderen, maar het levende boek van de wereld rondom ons. Zijn ‘Orbis sensualium pictus’ (1658) het geïllustreerde schoolboek was een opzienbarende noviteit. Noordam(17.) merkt op:

 

‘Het is een van de eerste kinder- en jeugdboeken, waarin de jonge mensen naar hartelust konden grasduinen. Anderzijds is het ook een wetenschappelijk werk. De hele zichtbare wereld wordt precies, systematisch en nauwkeurig in beeld gebracht en besproken. Het geheim van het boek is, dat het tegelijk wetenschappelijk is en geschikt voor kinderen.’

 

Voorts heeft Comenius voor het eerst gedacht aan een kristelijke oekumene en aan een wetenschappelijke wereldorganisatie als de UNESCO. Hij ontwikkelde niet alleen de idee van een internationaal genootschap van geleerden, maar meende ook dat een internationale taal vele tegenstellingen zou kunnen overbruggen. Met zijn filosofie van de ‘pansophia’ beoogde Comenius de mensheid te verbeteren en de volken en kerken tot samenwerking te brengen. De Unesco gaf in 1957 een herdenkingsboek in vele talen uit(18.) en dank zij de medewerking van de Tsjechoslowaakse regering kon enkele jaren geleden een begin gemaakt worden met de uitgave van de volledige werken in 43 delen.

 

Wie kennis neemt van het werk van Comenius en van zijn lijfspreuk ‘Omnia sponte fluant, absit violentia rebus’ (laat alles zijn vrije loop hebben en laat het geweld verre van de dingen zijn) valt het op hoezeer zijn werk naar de geest verwantschap vertoont met dat van pedagogen als Vives en Erasmus en met Nederlandse pacifisten van Menno Simonsz tot Bart de Ligt. In Nederland is door verschillende bewonderaars van Comenius gepoogd de herinnering

illustratie

Het Comenius-museum in het Spaanse huis te Naarden (1615).


[p. 89]

aan deze Tsjechische geleerde en zijn werk levend te houden. Ter herdenking van zijn driehonderdste geboortedag werd in 1892 in Naarden een tentoonstelling gehouden. Deze vormde de grondslag van het Comenius-Museum, dat in 1924 dank zij de medewerking van de Tsjechoslowaakse regering kon worden gevestigd in het Naardense ‘Spaanse Huis’. In 1967 werd het museum na een ingrijpende restauratie heropend.(19.) In 1929 droeg de Nederlandse regering de Waalse kerk met het graf van Comenius over aan de Tsjechoslowaakse staat. Vermelding verdient tenslotte ook de plechtige inwijding van het Comenius-Mausoleum in Naarden in 1937, tot stand gekomen mede dank zij de aktiviteiten van de Comeniuskenner en -vertaler, de arts dr. R.A.B. Oosterhuis.(20.)

Joodse vluchtelingen.

In de regeringsperiode van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk zochten vele Boheemse joden een toevlucht in ons land dat, anders dan de meeste Europese staten, een zeer tolerante houding tegenover de Joden aannam. Hier kende men geen pogroms, geen speciale Jodenwetten en Jodenbelastingen. Iedere Jood kon vrij zijn beroep uitoefenen.(21.)

 

Hoe geheel anders was de situatie in Polen. Daar heersten in de 17e en 18e eeuw middeleeuwse toestanden, zoals blijkt uit de pogroms, beschuldigingen van rituele moorden, afpersingen in de vorm van speciale belastingen (vooral op vlees), druk van katolieke kerkmagistraten, die (evenals de Joden) als geldschieters optraden.

 

In Bohemen scheen de toestand gunstiger. Reeds eeuwen woonden hier vele Joden. De beroemde Praagse Altneusynagoge dateert van 1267! Hierin kwam evenwel verandering. Ten tijde van Maria Theresia werd Praag, tengevolge van de oorlogen, die de keizerin voerde, meermalen belegerd en bezet door Beieren, Fransen en Pruisen. De soldaten plunderden en roofden in de oude stad aan de Moldau en verkochten hun buit aan de Joodse handelaren. Toen Maria Theresia de indringers had weten te verdrijven, vaardigde zij op 18 december 1744 een dekreet uit, volgens hetwelk de gehele Joodse bevolking, einde januari 1745 de stad Praag, en einde juni 1745 Bohemen en Moravië moest verlaten.

 

Talloze Joden zochten een nieuw vaderland in onze gastvrije Republiek en in het bijzonder in Amsterdam. De Staten-Generaal, bewogen door het lot van de Joden en bovendien nadelige gevolgen voor de handel vrezend, intervenieerden bij monde van onze gezant in Wenen, de Friese edelman Bartel Douwe, baron van Burmania, die werd gesteund door de Engelse gezant Thomas Robinson. Aangezien onze Republiek bondgenoot van de keizerin was in haar oorlog tegen Pruisen en Frankrijk, had de aktie van onze gezant sukses. In 1745 schortte de keizerin de uitvoering van het edikt op en in 1748 werd het geheel ingetrokken. Inmiddels hadden vele Praagse Joden echter reeds een blijvende woonplaats gevonden in de Nederlanden. Naar aanleiding van de interventie van de Staten-Generaal werd op 25 mei 1745 door Nicolaas van Swinderen een penning vervaardigd, waarop dit gebeuren is vereeuwigd.(22.)

 

Hoe nauw de hedendaagse Joden in Nederland zich nog steeds verbonden voelen met de geschiedenis van het Praagse jodendom bleek uit de in 1968 door de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam georganiseerde kulturele manifestatie: ‘Praag: 1000 jaar joods leven’.

Een Nederlander aan het Weense hof.

Een Nederlander, die in deze periode eveneens een belangrijke rol heeft gespeeld, was Gerard van Swieten uit Leiden (1700-1772), lijfarts en raadsman van Maria Theresia. Door zijn toedoen

illustratie

Gerard van Swieten.


[p. 90]

werd de invloed van de Jezuïeten in de universiteiten beknot.(23.) De universiteiten kregen meer vrijheid en Van Swieten wist zelfs te bewerkstelligen, dat het boek van Montesquieu ‘L'esprit des lois’, in Oostenrijk toegelaten werd. Het tolerantie-edikt van Jozef II (1781) stond godsdienstvrijheid aan niet-katolieken toe. De toegenomen intellektuele vrijheid, voor een belangrijk deel te danken aan Van Swieten, maakte het mogelijk, dat Boheemse geleerden als Dobner, Dobrovsky en Jungmann belangstelling gingen kweken voor de Tsjechische historie en literatuur. Drie namen moeten hier worden genoemd: Josef Dobrovsky (1753-1829), de schepper van de Tsjechische filologie en literatuurgeschiedenis, die de slavistiek tot een zelfstandige wetenschap maakte, maar bovendien de politieke, taalkundige en kulturele eenheid van de volken van Bohemen, Moravië en Slowakije beklemtoonde. Vervolgens Josef Jungmann (1773-1847) die zich grote verdiensten verwierf door zijn Tsjechische grammatika en het eerste Duits-Tsjechische woordenboek. Tenslotte Frantisek Palacky (1798-1876), die zijn ‘Geschichte Böhmens’ (nog in het Duits!) schreef.

 

In het jaar 1860 werd de Tsjechische komponist en musikus Frantisek Skroup tot direkteur van de opera in Rotterdam benoemd. In onze grote havenstad schreef hij de Duitse opera ‘Meeres Geuzen’ (Watergeuzen), geïnspireerd op de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd. Het was de eerste historische opera in ons land. In 1862 overleed hij in Rotterdam. In Tsjechoslowakije heeft hij blijvende roem verworven door zijn kompositie ‘Kde domov muj’ (Waar is mijn vaderland), dat later tot volkslied van de nieuwe republiek is verheven.

 

Nog een enkele opmerking over de Westeuropese invloeden op de Tsjechische architektuur. Reeds onder het middeleeuwse Huis Luxemburg hadden de Boheemse steden een sterk Westeuropees karakter gekregen. Gewezen werd reeds op het feit, dat Karel IV Italiaanse en Franse architekten naar Praag, ‘de stad der honderd torens’, liet komen. De invloed van de Duits-Oostenrijkse adel, die Italiaanse en Duitse architekten naar Bohemen uitnodigde, blijkt uit de barok-architektuur van steden, kastelen en kerken.

Het nieuwe Tsjechoslowakije.

De eerste wereldoorlog zou beslissend worden voor de toekomst van de Tsjechen en Slowaken. In feite was deze oorlog een kulminatiepunt in de eeuwenlange strijd tussen Duitsers en Slaven. Begrijpelijk is, dat vele Tsjechische soldaten deserteerden uit het Oostenrijkse leger en zo mogelijk naar het kamp van de geallieerden overliepen. Er vormde zich onder leiding van Masaryk en Benes een ‘Tsjechische Maffia’. In oktober 1914 hield de latere president Thomas Masaryk in het Rotterdams hotel Weimar besprekingen met de bekende journalist en Oost-Europa-specialist Seton-Watson(24.), de vertegenwoordiger van Lord Grey, en met andere journalisten, met het doel verbindingen met de geallieerden tot stand te brengen. Ook in Nederland vormden zich Tsjechische verenigingen. In Heerlen woonden Tsjechische mijnwerkers. De journalist Jan Hajsman verspreidde onder de Tsjechen in Nederland zijn blad ‘Ceskoslovenská Samostatnost’, Tsjechoslowaakse zelfstanheid).(25.)

 

Over de perioden tussen de beide wereldoorlogen moet ik kort zijn. Spoedig erkende Nederland de republiek Tsjechoslowakije. In de twintiger en dertiger jaren hebben prof. N. van Wijk(26.), de latere hoogleraar Th.J.G. Locher(27.) en W. Valk, sekretaris van de Vereniging Nederland-Tsjechoslowakije(28.) veel gedaan om belangstelling te wekken voor Tsjechoslowakije.

 

De bekende Tsjechische auteur Karel Capek legde zijn reisindrukken van Nederland neer in zijn ‘Over Holland’. Anton Coolen gaf na de tweede wereldoorlog op zijn beurt een beeld van Tsjechoslowakije in zijn boek ‘Tsjechische suite’. Helaas bleef de belangstelling voor de Tsjechoslowaakse literatuur

illustratie

Thomas Masaryk (1850-1937), eerste president van de Tsjechoslowaakse republiek.


[p. 91]

in Nederland betrekkelijk gering, ook na de tweede wereldoorlog. Er verschenen o.m. vertalingen van Jaroslav Hasek, ‘De avonturen van de brave soldaat Schwejk’, van verschillende boeken van Capek, voorts van J. Cep ‘Slagschaduwen’, E. Hostovsky ‘Het testament’, van B. Hrabal ‘Zwaarbewaakte treinen’, L. Mnacko ‘De dood heet Engelchen’ en ‘De smaak van de macht’, J. Otcenásek ‘Romeo, Julia en de duisternis’ en M. Pujmanova ‘Mensen op de tweesprong’.

 

Meer bekendheid verwierven de in Praag geboren Duitsschrijvende auteurs Rilke, Kafka, Max Brod en Franz Werfel (‘Het lied van Bernadette’). Er verschenen verschillende Nederlandse auteurs in het Tsjechisch: o.m. Multatuli, Henriette Roland Holst, Anton Coolen, Theun de Vries en ook het ‘Dagboek van Anne Frank’. Mevrouw Olga Krijtová, lektrice in de Nederlandse taal- en letterkunde, heeft veel gedaan voor de introduktie van de Nederlandse literatuur in haar land.

 

Na de tweede wereldoorlog hoopten zowel Nederland als Tsjechoslowakije op een snel herstel van de wederzijdse betrekkingen. Aanvankelijk ontwikkelden de ekonomische betrekkingen zich zeer gunstig. Nederland was in de jaren 1945 tot 1948 één van de belangrijkste handelspartners van Tsjechoslowakije. De kommunistische staatsgreep van 1948 met het tragische einde van Jan Masaryk en de dood van Benes nog in hetzelfde jaar maakte een eind aan vele illuzies. Nederland sloot zich als reaktie op deze gebeurtenissen in 1949 bij de N.A.V.O. aan. De handel tussen beide landen liep terug. Het Universitair Asylfonds gaf verschillende Tsjechische studenten de mogelijkheid in Nederland hun studie voort te zetten. Een aantal Tsjechen heeft zich hier blijvend gevestigd, zoals de hoogleraren Gadourek en Dittrich.

Handelsbetrekkingen tussen Nederland en Tsjechoslowakije.

Tsjechoslowakije behoort tot de meest geïndustrialiseerde landen van Europa. Sinds eeuwen verschijnen op de Europese markten typisch Tsjechische produkten. De Nederlander, die zijn ‘pils’ drinkt, weet meestal niet, dat dit bier oorspronkelijk uit Pilsen kwam: de bierbrouwerijen in Tsjechoslowakije dankten hun bloei aan de daar geteelde hop. Sinds 1443 kent Bohemen glasblazerijen. Beroemd zijn het glaswerk en de bijouterieën van Jablonec. Egermann wist bijna natuurgetrouwe edelstenen te maken door glas de kleur van agaat, jaspis, amethist of opaal te geven. Met reden noemt men Liberec wel het ‘Boheemse Manchester’. Porselein komt sinds lang uit Karlovy Vary (Karlsbad). Brno (Brünn) heeft belangrijke machinefabrieken.

 

Reeds vóór de tweede wereldoorlog eksporteerde men schoenen (Bat'a), glaswaren en tekstiel. De eksport van Tsjechoslowakije naar Nederland vertoonde na de tweede wereldoorlog een gevarieerd karakter. Tsjechoslowakije eksporteerde naar Nederland o.m. hout en cellulose, mout, hop, plantaardige oliën, delfstoffen, papier, meubelen, glas en glaswaren, keramiek, tekstiel, chemikaliën, metalen, walsprodukten en buizen, machines en apparaten.

 

In Nederland kent men de Tsjechische auto's Skoda en Tatra. (De Skodafabrieken in Plzen (Pilsen) fabriceren niet alleen auto's maar ook vliegtuigen en wapens!)

 

Nederland eksporteerde naar Tsjechoslowakije o.m. voedingsmiddelen, bloembollen, pootaardappelen, chemische en farmaceutische produkten, tekstiel, machines en elektro-technische produkten, rubber, metalen, huiden en vellen, tekstielgrondstoffen en -fabrikaten. Op 11 april 1967 werd een meerjarig handelsakkoord geparafeerd.

 

De handelsbalans van Nederland met Tsjechoslowakije is in de periode van vijf jaar tot en met 1966 steeds passief geweest. De Nederlandse invoer nam gestadig toe evenals de uitvoer.

 

Op de jaarbeurzen in Brno was Nederland regelmatig vertegenwoordigd.



illustratie

Edvard Benes, president van Tsjechoslowakije (1945-1948).


[p. 92]

Tsjechen en Nederlanders.

Naast diepgaande verschillen in geschiedenis en kultuur zijn er ook treffende overeenkomsten aan te wijzen in het karakter van Tsjechen en Nederlanders. Beide volken hebben zich grote inspanningen en offers moeten getroosten om tegenover de grote mogendheden een eigen identiteit en een zelfstandig volksbestaan te kunnen handhaven. De Nederlanders zijn hierin door allerlei omstandigheden beter geslaagd dan de Tsjechen.

 

De Tsjechen zijn onder de Slavische volken wel het meest burgerlijke, hetgeen verklaard moet worden uit de betrekkelijke welvaart en sinds eeuwen de aanwezigheid van een sterke middenklasse, die in landen als Rusland, Polen, Bulgarije en Servië vrijwel ontbrak. Bovendien had in de Boheemse landen de adel een geringere betekenis dan in Rusland of in de ‘adels-republiek’ Polen. De macht van de adel vond immers een tegenwicht in die van de rijke steden met vrije burgers. Ook de Nederlanders zijn over het algemeen een burgerlijk volk, zoals Huizinga in ‘Nederland's geestesmerk’ beklemtoont:

 

‘Het beeld van het Nederlandse volksbestaan in de bloeitijd heeft tot grondtrek, dat het onheroïsch is. Het mist de wildheid en de felheid, die wij plegen te verbinden aan het beeld van het Spanje van Cervantes tot Caldéron, het Frankrijk van de mousquetaires, het Engeland der Cavaliers en der Ironsides beide. Hoe kan het anders? Een staat, opgebouwd uit welvarende burgerijen van matig grote steden en uit tamelijk tevreden boerengemeenten, is geen kweekbodem voor hetgeen men het heroische noemt...’

 

Hetzelfde zou van de Tsjechen gezegd kunnen worden. Evenals de Nederlanders is de Tsjech enigszins voorzichtig van aard. Hij lijdt niet aan grootheidswaanzin zoals Polen en Hongaren in bepaalde perioden van hun geschiedenis. De katastrofes van 1620 en 1939 hebben hem geleerd, dat een klein volk slechts geringe politieke mogelijkheden heeft. Evenals de Nederlander is de Tsjech zakelijk en een goed organisator. Hij is bepaald minder emotioneel dan andere Slaven zoals Russen, Polen of Serven. De soldaat Schwejk van Hasek is wel het prototype van onheroïsche, nuchtere burgerlijkheid, welke overigens, zoals wel is gebleken, moed en vastberadenheid allerminst uitsluit. Het realisme is zowel in de Nederlandse als in de Tsjechische literatuur altijd een zeer sterke stroming geweest.

 

Er is meer. Bij beide volken is een hechte demokratische traditie aanwezig. Bij Jan Hus, de Boheemse Broeders en Comenius vinden wij al duidelijke sporen van een demokratische gezindheid. Rusland heeft nimmer, zoals Bohemen, een Renaissance en een Reformatie gekend. Terwijl in Bohemen de slavernij al in de vroege middeleeuwen werd afgeschaft, moest de boerenemancipatie in Rusland tot 1861 wachten. De Tsjechische nationale beweging aan het eind van de vorige eeuw had in tegenstelling tot vele revolutionaire groeperingen in Rusland een overwegend demokratische signatuur. De verdere groei van een krachtige middenklasse in de 19e eeuw gaf de Tsjechische nationale beweging een liberaal en demokratisch karakter. Frantisek Palacky (1798-1876), schrijver van een befaamde ‘Geschichte Böhmens’ en stichter van de eerste Tsjechische politieke partij, verbond de ‘Sternstunden’ der Tsjechische geschiedenis met de ontwikkeling van de demokratische gedachte. De groei van het onderwijs in Bohemen (in tegenstelling tot meer achterlijke landen als Rusland, Polen, Servië en ook het door Hongarije onderdrukte Slowakije) werkte uiteraard gunstig op een ontwikkeling in meer demokratische zin.

 

In onze tijd is de gedachte van het geweldloze verzet weer aktueel geworden, ook in Tsjechoslowakije. Gandhi trof de grondslagen van deze idee bij Tolstoj aan. Tolstoj op zijn beurt was een groot bewonderaar van de reeds genoemde Tsjech Peter Chelcicky (± 1390-1460), die in meer dan

illustratie

Alexander Dubcek, kortstondige triomf.


[p. 93]

één opzicht vergeleken kan worden met Menno Simonsz en de Nederlandse Doopsgezinden. Chelcicky wijst de oorlog op grond van het zesde gebod af en in verband hiermede de militaire dienst. De doop van volwassenen heeft meer zin dan die van kinderen, meent hij. Volgens zijn boek ‘Het net des geloofs’ is de kristelijke staat een ‘contradictio in adjecto’, omdat een staat gebaseerd is op dwang en geweld. Ook verzet Chelcicky zich tegen de adel, de kloosters en de kerkelijke bezittingen. Kristenen mogen geen rechter zijn, zegt hij, omdat de wetten slechts de ondergang en niet de verbetering van de zondaar beogen. Door de slag op de Witte Berg en de kontrareformatie is de hervorming in Bohemen grotendeels vernietigd. De vraag is evenwel hoe het geestelijk leven zich hier zonder gewelddadige invloeden van buiten ontwikkeld zou hebben.

 

De tolerantiegedachte, die zo sterk bij Comenius leefde, heeft in Nederland altijd een goede voedingsbodem gevonden. Zeker, er waren in onze Republiek onverdraagzame kalvinistische ketterjagers, maar tegenover hen staan de principieel tolerante gelovigen waaronder remonstranten, doopsgezinden, Collegianten en anderen. (In de verdraagzaamheid van kooplieden en regenten speelde overigens ook het ekonomisch motief vaak een rol!). In ‘De Nederlandse Geest’ merkt prof. dr J. Lindeboom op:

 

‘Daar is veel onverdraagzaamheid gepredikt, daar is minstens evenzeer altijd de verdraagzaamheid aangeprezen, en de laatste heeft het op de duur gewonnen, was in veel opzichten de sterkste... Wanneer hier te lande de godsdienstvrijheid oneindig meer betekent dan in verreweg de meeste andere landen van Europa, dan is dit alleen mogelijk geweest op de bodem ener principiële religieuze verdraagzaamheid, karaktertrek van ons volk...’

 

Daarom kon onze Republiek een toevluchtshaven zijn voor velen die om redenen van geloof of politieke opvatting elders het leven en werken onmogelijk werd gemaakt.(29.) Dit geldt niet alleen voor Comenius en de Hernhutters maar evenzeer voor Descartes(30.), Locke, Bayle(31.) en andere vluchtelingen, zowel katolieken als dopersen, lutheranen en socinianen.

 

Comenius vond hier te lande een geestelijk klimaat, dat hem na alle tegenslagen de mogelijkheden gaf zich opnieuw aan het werk te zetten en te voltooien wat vroeger was onderbroken en vernietigd. Merkwaardig ook hoe groot de verwantschap is tussen hem en zijn tijdgenoot, het ‘orakel van Delft’, Hugo de Groot. Ook Grotius zweefde de gedachte voor ogen van een durende vrede en een oekumenische kerk, al toonde hij zich hierin meer de praktische jurist dan Comenius, wiens overtuiging een chiliastisch en profetisch karakter heeft. Grotius gaf in zijn geschriften uitdrukking aan gedachten, die bij zeer velen in de Zeven Provinciën leefden. ‘'t Hol en 't hongrigh Europa hijght met smerte en open mont, naar 't gemeene vreeverbont’, dichtte Vondel.

 

In Rotterdam werd Erasmus geboren, in Delft Hugo de Groot, in Amsterdam Coornhert en Spinoza. Zij allen getuigden in hun werk van hun verlangen naar een nieuwe redelijke gemeenschap van volken, vrij van angst en geweld. Dit ideaal heeft Comenius evenzeer voor ogen gestaan. Van deze ‘leraar der volken’ is ook de profetische uitspraak afkomstig:

 

‘Ik vertrouw op God, dat na het voorbijtrekken van de stormen des toorns de heerschappij over uw zaken weer in uw handen zal terugkeren, o Tsjechisch volk!’