Ons Erfdeel. Jaargang 13


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 13. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonk-Dorp, 1969-1970


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Kikker en Nachtegaal.

Deze Literaire Reuzenpocket van De Bezige Bij is een aangename verrassing: hij bevat ‘buitenlandse poëzie over Nederland en Nederlanders van de 17e eeuw tot heden’, en is samengesteld en ingeleid door Sybren Polet.

 

Niet zonder reden verduidelijkt hij in zijn inleiding waarom Vlaanderen niet mee in aanmerking genomen werd: ‘onderwerp is de nederlandse natie, omdat deze kwa historie en volkskarakter markante verschillen vertoont met de zuidelijke Nederlanden en door het buitenland dus anders beoordeeld werd, iets waar het hedendaagse Noord-België overigens niet rouwig om hoeft te zijn. De eerste gedichten dateren dan ook uit de tijd nà de stichting van Noord-Nederland als zelfstandige staat’. Ik onderschrijf dit standpunt volledig, maar kan niet nalaten aan te stippen dat de samensteller Nederland een paar keer groter ziet dan het werkelijk is: om het bezit van Jeroen Bosch en zelfs Pieter Bruegel willen we desnoods nog dobbelen, maar Memlinc? Nee, Polet, die is van ons!

 

Die enkele geleende veren waren er trouwens niet eens nodig, want de bundel is zeer gevarieerd en revelerend van inhoud. De inleiding probeert eerst uit de bekendste reisbeschrijvingen af te leiden hoe het buitenland op de Nederlandse natie reageerde ‘door de eeuwen heen’. Het is te begrijpen dat het Nederland van de Gouden Eeuw anders beoordeeld werd dan dat van nu. Konkurrent Engeland noemde alles wat namaak of schijn is ‘Dutch’ (vandaar de titel van Polets boek:

[p. 183]

een ‘Dutch nightingale’ is een... kikvors); Frankrijk keek afwisselend verbaasd en spotziek naar die kleine buur met zijn grote manieren. In de beschrijvingen der 18e eeuw vindt Polet meer nuances en meer objektiviteit, in de 19de eeuw begint de belangstelling van het buitenland zich meer en meer te beperken tot Nederlands verleden, om na de Tweede Wereldoorlog (tijdelijk?) over te lopen van welwillendheid, ook voor het heden.

 

Het tweede deel van de inleiding gaat over het waarom en het wat van de opgenomen poëzie in Nederlandse vertaling. De selektie steunt dikwijls meer op het Nederlandse tema dan op de poëtische waarde van het oorspronkelijk gedicht of van de vertaling, zodat de lezer af en toe heel wat geduld moet opbrengen. Gelukkig zijn er ook tal van geslaagde vertalingen opgenomen (Bernlef en Ernst van Altena, om maar een paar vertalers te noemen, zijn dat aan zichzelf verplicht), en beantwoordt het boek daardoor grotendeels aan de verwachtingen die de inleiding wekt.

 

De verzameling bevat werk van dichters uit een dertigtal landen, vertaald uit een twintigtal talen (Heere Heeresma ten spijt zijn de gedichten van Paul van Ostaijen en Karel van den Oever niet uit het Vlaams in het Nederlands vertaald), over onderwerpen die ruimer zijn dan een aantal aardrijkskundige of historische gegevens, maar land en volk omvatten, kunstenaars en prominente geleerden.

 

Kikker en Nachtegaal is een boek dat werkelijk om een zuidelijke tegenhanger vraagt. Met dezelfde kritische ingesteldheid gebloemleesd, kan er beslist ook over Vlaanderen en de Vlamingen een gelijkaardige antologie samengesteld worden. Karel Jonckheere heeft trouwens in Leer mij ze kennen... de Vlamingen al ten dele het terrein verkend. Dat er voor de Nederlandse uitgave steun nodig was van het Prins Bernhardfonds en het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan geen onoverkomelijk beletsel zijn. En persoonlijk ben ik meer dan benieuwd om te weten wat de vergelijking van die twee bloemlezingen zou geven...

 

Jan Deloof

Kikker en Nachtegaal, buitenlandse poëzie over Nederland en Nederlanders van de zeventiende eeuw tot heden. 231 blz. Samengesteld en ingeleid door Sybren Polet. Uitgegeven door De Bezige Bij, Amsterdam, Literaire Reuzenpocket 315, met steun van het Prins Bernhard Fonds en het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. 1969. f 12.50.