Ons Erfdeel. Jaargang 24


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 24. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1981


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Gerrit Komrij: ‘Averechts’ en ‘Verwoest Arcadië’.

Niet alleen in poëzie, maar in elk genre is het persoonlijke van belang. Tussen auteurs wordt een concurrentieslag geleverd om de prijs voor oorspronkelijkheid en inventiviteit. Dit individualisme en de pogingen om het schrijven zo authentiek mogelijk te maken zijn er altijd geweest. Alleen is dit persoonlijke aspect al te vaak ijdel aangewend. In een actueel, wat zijdelings verschijnsel als de ‘column’ bijvoorbeeld, een tussenstadium tussen anekdotisch cursiefje en beschouwend proza dat in elk Nederlands persorgaan druk beoefend wordt, bleek en blijkt hoe weinigen er eigenlijk uitverkoren zijn om in hun specialiteit een gezaghebbende positie te veroveren. Gerrit Komrij is iemand die, geschuwd om zijn compromisloze en onberekenbare mening, vandaag de dag zijn persoonlijkheid in de Nederlandse letteren op een zeer indringende manier doet gelden. Maar ook op een paradoxale manier: zijn steeds heel individualistische kritieken en essays schuwen namelijk ongewettigd sentiment. Komrij's woede als polemist,

[p. 593]

naar eigen zeggen in gewone omstandigheden overdekt door een dikke laag mildheid, is doorgaans beheerster, stijlvoller en scherper dan bij zijn collega's. Het onderkoelde engagement dat hem zo eigen is, is bepalend voor de impact van zijn woorden.

Twee recente publikaties maken 't mogelijk Komrij's ware gedaante als schrijver heel precies te reconstrueren. Averechts, een lijvige bundel kritische arbeid uit de krant, laat hem zien als de verdediger van het principe ‘schoenlapper, blijf bij je leest’, die bijvoorbeeld op politieke carrièremakers en hun culturele beleid niet erg gesteld is. Het tweede boek, Verwoest Arcadië, beschrijft dezelfde conflictsituatie in een fictiever kader. Het verhaal over een jongen die met zijn omgeving overhoop ligt, verscheen eerder als een autobiografisch feuilleton in Vrij Nederland. Verwoest Arcadië trekt al evenzeer van leer tegen de onverdraagzaamheid van een kind-onvriendelijke wereld als Averechts tegen de verregaande, modieuze tolerantie waarmee de huidige samenleving zich schijnheilig omhult. De vaak valse ‘openhartigheid’ die in de media en in de literatuur opgang maakt, zet de klok eerder achteruit dan vooruit. De ernst waarmee ze gehanteerd wordt, is niet per se zo vooruitstrevend als men wil doen geloven. ‘Er is niets op tegen wanneer iemand over intieme zaken schrijft. Er is alleen wat op tegen als hij er humorloos over schrijft, met veel zelfbeklag en zonder spot, zonder enig gevoel voor betrekkelijkheid’ (Averechts, blz. 49).

Dat doet Komrij niet. Zijn openhartigheid bij het behandelen van het onderwerp homoseksualiteit, is verziender en afstandelijker dan het collectieve geweten van deze nog altijd marginale groep vermag te zijn. Zelf homoseksueel, betreurt hij het dat minderheden in de openbare opinie soms de toon kunnen aangeven, alleen omwille van het feit dat ze een minderheid zijn. Op die manier behoeft Komrij zich niet te manifesteren, omdat het niet overtuigt en snel slijt. ‘Ik houd niet van minderheden waarvan de leden samenhokken. Ik wens alleen te worden gerekend tot de kleinst mogelijke minderheid: die van mezelf. Die vrijwaart me, goddank, van elke aanvechting tot solidariteit’ (Averechts, blz. 218).

In de onafhankelijkheid schuilt ook de kracht van de kunstenaar. Komrij gaat wel enigszins ver om de kunstenaar met de homoseksueel op dat punt te vergelijken, en zelfs te associëren. Beiden bezitten een grotere gevoeligheid voor het andere, stellen zich met meer overtuiging op voor hun doel en zijn, omdat materiële zaken voor hen op de tweede plaats komen, ook ontvankelijker voor het esthetische en artistieke. ‘Uit de dubbelzinnigheid, de gespletenheid en de paradox van de homoseksualiteit komt alle experimentele kunst voort. Homoseksualiteit kan zich, wel te verstaan, in vele gedaantes vermommen. Het suffix seksualiteit leidt maar af van de travestie en de spiegel’ (Averechts, blz. 241). Deze speculatieve benadering kan men niet zomaar naast zich neer leggen, als is ze vrij theatraal, letterlijk en figuurlijk. Ze baseert zich inderdaad ook op de essentie van de toneelkunst, en dat is de kern van Komrij's stijl. Zoals een acteur zich pas echt geven kan in zijn rol moet ware openhartigheid zich bewust achter een masker kunnen verschuilen. De vergelijking die Komrij met de Portugese dichter Pessoa maakt, illustreert hoe een literair werk daarom het produkt moet zijn van een ‘auteur’, en niet van de persoon achter die auteur.

Literatuur gaat uit boven het persoonlijke, want ze omvat het, vervult het, en maakt het universeel. ‘Wat telt is het gedicht. Uit gevoel, uit politieke overtuiging ontstaat geen gedicht. Uit sexualiteit ontstaat geen gedicht’ (Averechts, blz. 241). De technische kant van literatuur bezet daarmee een minstens even belangrijke plaats als de inhoudelijke. Komrij stelt het maakwerk van een vergeten rijmelaar boven de opzichtige experimenten van de Vijftigers. Hij neemt zelf het risico dat de zwier van zijn eigen barokke poëzie voor oppervlakkigheid versleten wordt. Poseren, op gevaar af van verkeerd begrepen te worden, wordt een noodzakelijke voorwaarde om zich te kunnen uiten. Maar achter dit formalisme kan ongetwijfeld een aanmerkelijke dosis authenticiteit schuilen. In ‘het opwerpen van wegversperringen, het plaatsen van verkeersborden, en het bouwen van hekken om zelf buiten schot te blijven’ (Averechts, blz. 304), kan de vereiste wisselwerking tussen maskerende techniek en gevoel gewaarborgd blijven.

Het beredeneerde van dit alles zal sommigen als onecht overkomen. Komrij stelt echter dat dit precies ook alles met kunst te maken heeft. Kunst is een poging van de volwassene om de onschuld van het vóór-verstandelijke kind-zijn te herstellen, met inachtneming van de afstand die er tegenover gegroeid is. Welk masker een dichter ook opzet, hij zal nooit ‘de oorsprong van de poëzie ontrouw worden, nooit zal hij haar bron vergeten: de jeugd en het verloren paradijs. De prijs van het verstand’ (Averechts, blz. 304). In Verwoest Arcadië, het boek dat tegelijk met Averechts verscheen, wordt die verhouding afgetast. Deze gestileerde autobiografie, ‘de reconstructie van een leven tussen jongens en boeken’, is zowel intuïtief als cerebraal: ze is geschreven onder een dekmantel om een bepaalde intimiteit op een aanvaardbare manier mee te delen. De maskerade wordt ingevoerd, om via een stand-in hoofdpersoon, Jacob, de verloren bronnen van het eigen ego op te zoeken: ‘Wie

[p. 594]

is Jacob anders dan hij tussen aanhalingstekens? “Hij”’ (Verwoest Arcadië, blz. 200).

Verwoest Arcadië is een anti-jeugdboek, een antwoord op de betuttelende kinderliteratuur waar Jacob niettemin als kind zo van hield. Maar hij was niet het voorbeeldige jongetje dat in die boeken figureerde. Hij was in eerste instantie onopvallend gewoon; en in de tweede plaats asociaal, verlegen, gemeen en vals. Zijn verdediging tegenover de wereld bestaat erin de anderen voor de gek te houden. Hij zal zich anders voordoen dan de anderen: voor schoolfeestjes zal hij toneelstukken schrijven en ook de uitvoering ervan verzorgen. Zijn persoonlijkheid richt zich steeds meer op maskerade, travestie, op een ironie in wording. Hij wordt ertoe gedwongen, omdat hij zich anders genegeerd of gebruikt weet. Alleen non-conformisme houdt hem in stand. ‘Eerlijk moest je zijn. Het was noodzakelijk dat hij met zijn billen bloot ging. Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken’ (Verwoest Arcadië, blz. 14).

Jacobs troost is zijn boeken, al is het aanvankelijk het materiële aspect ervan dat hem interesseert. De ruggen te lezen van zijn bijeengejatte verzameld bezit schenkt hem de meeste voldoening. Zijn bibliokleptomanie groeit echter mee met zijn veranderende persoonlijkheid tot een behoefte om zelf te schrijven. De emoties die opeengeklemd zitten in de kast van zijn herinneringen, zoals Komrij het uitdrukt, moeten vrij: ‘Schrijven was een bittere drift bij hem, want la na la moest worden gelucht. Er moest wat wind doorheen, anders stikte hij. Hij moest zich blootgeven, of hij wilde of niet’ (Verwoest Arcadië, blz. 189). Met deze ontwikkeling breekt ook zijn homoseksuele identiteit door, ook al moet hij wanneer hij in Amsterdam gaat studeren eerst het stadium door dat hij zich duidelijk tot de homoseksuele minderheid rekent. Pas het slot van het boek dwingt hem de isolatie die hij langzamerhand gezocht heeft, ook echt te beleven. Een krantenknipsel dat hem de weg terug wijst naar de onschuld van de kindertijd, levert hem de aanzet tot de reconstructie van zijn leven. Hij weet dat zijn Arcadië verwoest is, maar is nu klaar om zijn herinneringen eraan 'n boek te laten worden. Pas na de voltooiing van het boek zal het verleden bestáán.

 

Komrij schrijft met een merkwaardige taalvaardigheid, die ingegeven is door een allergie voor omslachtige taal. De idee indachtig dat pathetiek eigenlijk nog gevaarlijker is dan oorlog, laat hij in zijn afgemeten proza een afkeer voor onwaarachtigheid doorklinken. Zijn op zich genomen sober woordgebruik is zo nauwkeurig gewogen dat het als geheel toch somptueus en indrukwekkend klinkt. Binnen een strenge, zuinige vormelijkheid is ruimte genoeg om zich bloot te geven. Komrij ensceneert dus letterlijk zijn emoties - hij kleedt ze in, wat niet wil zeggen dat hij ze bedenkt. Zijn existentiële zin voor de absurditeit van het bestaan doet hem relativeren en structureren wat door andere Nederlandse schrijvers die van een Calvinistische opvoeding wakker liggen soms met veel meer geborneerdheid gebracht wordt.

 

Het vaak groteske en clowneske van Komrij's gewilde pose - vooral in zijn poëzie - geeft zijn woorden een universeler geluid. Zoals hij Jacob geschetst heeft als het produkt van een samenloop van omstandigheden (anderen, ideeën van anderen, boeken), zo heeft hij ook zichzelf benaderd als een kaleidoscopische persoonlijkheid. Het boeiende in de mens, aldus Komrij, is daarom niet direct het persoonlijke, maar wat de persoonlijkheid determineert. ‘Het is het onzichtbare dat in woorden gevangen moet worden’ (Verwoest Arcadië, blz. 14). Komrij is een meester in deze suggestie. Uit de twee hier voorgestelde boeken blijkt dat hij een authentiek schrijver is, voor wie het schrijven veel meer dan alleen maar spel is. Maar zijn eigenschap om te doen alsof hij speelt geeft hem vaak lengten voorsprong op anderen die veel guller met confidenties omspringen.

Karel Osstyn.

Gerrit Komrij, Averechts, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1980.
Gerrit Komrij, Verwoest Arcadië, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1980.