Ons Erfdeel. Jaargang 32


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 32. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 682]

[Gedichten
Willem Wilmink]

Henkie

 
Een heel klein hondje dat Henkie heette
 
liep wenend langs de Herengracht,
 
hij had geen baas en ook geen eten,
 
hij had geen lief dat aan hem dacht.
 
 
 
Dat hele kleine hondje dat Henkie heette,
 
niemand in de wereld kende hem,
 
maar hij was dat net aan het vergeten,
 
toen hij zich doodschrok van een tram.
 
 
 
Men zag het hondje opzij toen springen,
 
met een plons in de koude gracht,
 
daar hoorde hij hondjes met vleugeltjes zingen,
 
tamelijk mooi en tamelijk zacht.
 
 
 
En nog weer een paar dagen later,
 
of eigenlijk was het al nacht,
 
zag iemand hem drijven op het water,
 
l'inconnu de la Looiersgracht.
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986.
[p. 683]

Gastarbeiders

 
Voor al het rotste werk te huur
 
in onze vette welvaartsstaat -
 
op zondagmorgen om tien uur
 
lopen ze doelloos over straat.
 
 
 
De lichte huizen rij aan rij
 
die zijn zo keurig ingericht,
 
daar is geen enk'le wanklank bij,
 
en alle deuren zijn potdicht.
 
 
 
De hoeren trekken ook één lijn,
 
scheiden het koren van het kaf,
 
ook zij houden het liever fijn:
 
weren die donk're jongens af.
 
 
 
Wat dan nog rest is het station,
 
en voor de restauratie ligt
 
een klein terrasje in de zon.
 
De ober trekt een zuur gezicht:
 
 
 
zijn lot is akelig en wrang,
 
hij is er weer eens mooi mee klaar, die zwarten zitten urenlang
 
op één consumptie bij elkaar.
 
 
 
Daar zit je in de kille zon:
 
een microfoonstem kondigt aan
 
dat op het zoveelste perron
 
een trein gereedstaat naar Milaan.
 
 
 
Er klinkt een fluit - daar gaat-ie dan,
 
en straks kun jij vertrekken naar
 
een hol dat je gehuurd hebt van
 
de een of and're woekeraar.
 
 
 
Berustend, zonder zelfbeklag,
 
denk je aan de week die voor je ligt,
 
met weer aan 't eind die lange dag,
 
die ober met zijn zuur gezicht.
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986.

Dat overkomt iedereen wel

naar een idee van Aart Staartjes
 
Ik moet je even wat gaan vertellen,
 
dus kom eens dichterbij.
 
't Is lang geleden. Ik was een jongen
 
net zo oud als jij.
 
 
 
Ik stond in een bos, in een heel mooi bos,
 
en plaste tegen een boom,
 
en dan werd ik wakker van de schrik,
 
want het bos was maar een droom.
 
 
 
Dan had ik in mijn bed geplast
 
en was bang voor de volgende dag,
 
dat ik weer mijn pyjamabroek
 
aan de waslijn hangen zag.
 
 
 
Aan de waslijn mijn pyjamabroek
 
en de lakens van mijn bed.
 
En ik dacht: dat zien mijn vriendjes ook,
 
en dan hebben ze grote pret.
 
 
 
En weet je waarom ik het zo naar
 
en zo verdrietig vond?
 
Ik dacht dat ik de enige was
 
die zoiets gebeuren kon.
 
 
 
Want als je aan een jongen vraagt:
 
'Heb jij dat ook wel, man?'
 
Dan zegt zo'n jongen altijd 'nee'.
 
En meestal liegt hij dan.
 
 
 
Want Pietje Keizer en Johan Cruyff
 
die overkwam dat wèl.
 
En ook Epi Drost en Van Hanegem,
 
en Rinus Israel.
 
 
 
Dus plas je weer eens in je bed,
 
geef je moeder dan een zoen,
 
en zeg maar: ‘Er zijn er wel meer, hoor moeder,
 
die dat 's nachts per ongeluk doen.’
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986.
[p. 684]

Die mooie kindertijd

 
Ze schrijven in de boeken:
 
‘De kindertijd is fijn.’
 
Maar voor jou zijn er wel dagen
 
dat je liever dood zou zijn.
 
 
 
Want jij wordt uitgescholden
 
door kinderen van je klas,
 
en je wordt door hen behandeld
 
alsof je waardeloos was.
 
 
 
‘'t Is zo erg niet,’ zegt de meester.
 
Hij heeft het ditmaal mis,
 
want op school kan het zo rot zijn
 
als het later nooit meer is.
 
 
 
Al dat gescheld is later
 
heel ver van je vandaan.
 
Je leert ook nog wel verdragen
 
dat er rotzakken bestaan.
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986.

Rondeel van Tom van Deel

 
Alles staat stil bij Tom van Deel:
 
het weerhuis geeft voor eeuwig regen,
 
de vogels blijven opgestegen
 
in een bedrieglijk duintafereel.
 
En in de predikantenkeel
 
stokken het amen en de zegen,
 
alles staat stil bij Tom van Deel,
 
het weerhuis geeft voor eeuwig regen.
 
Doornroosje slaapt in haar kasteel,
 
maar langs de landelijke wegen
 
komt men geen enkele prins meer tegen
 
op zoek naar haar verstard perceel:
 
alles staat stil bij Tom van Deel.
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, 1986.