Ons Erfdeel. Jaargang 33


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 33. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1990


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Braak

Reeds in haar debuutroman Havinck (1984) slaagde Marja Brouwers erin af te dalen naar de geheime spelonken van een bewustzijn, in casu dat van de gelijknamige mannelijke hoofdpersoon. Ook in haar derde roman De lichtjager, waaraan ze drie jaar heeft gewerkt, wordt de ‘ziel’ van Paul de Braak zo genuanceerd en trefzeker ontrafeld, dat de lezer uit pure gêne en herkenbaarheid soms haast niet verder kan lezen.

[p. 590]



illustratie

Marja Brouwers (o1948).


De Braak keert na vijftien jaar uit de States naar Nederland terug. Hij was er prof in de kunstgeschiedenis aan een universiteit in Chicago, en zijn tweede huwelijk met Michal - een fout ‘die je in je eigen land niet zou maken’ - is deerlijk mislukt. Pas helemaal op het einde van de roman vernemen we dat Michal, een bekende antropologe, een zwarte vrouw is. Volgens Paul is Michal een egocentrisch kind-vrouwtje, hysterisch en onberekenbaar, liefdeloos en leeg. Volgens Michal - de wisselende focalisatie is hier bijzonder effectief - is Paul paranoïde, chaotisch, sadistisch en gewelddadig. Ze haat hem, ze haat zichzelf en ze haat het bestaan. Als hij zwaar begint te drinken, voelt ze zich bedreigd. Michal en Paul breken elkaar zo genadeloos af, dat ze beiden kijken in hetzelfde ‘pikzwarte gat’ van de leegte. Ze slagen er zelfs niet meer in fictieve ordeningen aan te brengen in hun uit elkaar gevallen bestaan. Alles wat ze nog voelen, is een dichtgeknepen strot om ‘frustraties, onafgeronde dreigementen, verbrijzelde liefde en gebrek aan vergiffenis’.

Paul de Braak tracht te ontsnappen in een back-to-the-roots beweging, die hem terugvoert naar Amsterdam, maar zijn tocht leidt niet naar een echte thuiskomst, zijn total loss krijgt nog scherpere vormen. Er is niet alleen de lege, ongezellige en lawaaierige flat in Buitenveldert en het clichématige denken, de kleinbehuisdheid en het gemoraliseer van de Nederlanders, er is vooral het gevoel dat ook de idee ‘thuis’ niet méér is dan een slecht functionerende fictie. Hij kan geen oriëntatiepunten vinden, heeft het gevoel dat hij in stukken uiteen valt, is alweer terecht gekomen in de gapende leegte. Van zijn werk aan een kunstkatern komt niets terecht, hij gaat zwaar aan de drank, vecht met politie en slaat het interieur van een kroeg stuk. Scherven van buiten en van binnen. Als hij nadenkt over zichzelf, ziet hij de doorzichtige bromtol van zijn zoon Christopher: ‘Als je aan het haakje draaide, wervelden de figuurtjes op een veelkleurig platform wild door elkaar’. Ook ontmoetingen met zijn eerste vrouw Lea van Nes brengen geen troost. Haar kern is onbereikbaar diep verborgen en bestaat uit haat en dodelijke verveling. Daaromheen is er een ‘afstotende laklaag’ die haar moet beschermen tegen de buitenwereld. Hoewel zij ziet dat Paul zich alleen nog door haar staande zou kunnen houden, dat hij ‘in oorlog geraakt (is) met de hele schepping’ en van slagveld naar slagveld holt, kan ze hem niet helpen: ook zij valt telkens opnieuw uit elkaar. Spiegelingen alom.

Paul de Braaks terugkeer naar het vaderland is geen terugkeer naar zichzelf geworden: ‘Het was of hij, door zijn verleden binnen te struikelen, in een doolhof was beland waar een steile rotswand gaapte achter iedere bocht van de weg’. Hij had zichzelf ontdaan van zijn maskers willen leren kennen, ook de lafaard en de leugenaar in hem. Maar hij graait wanhopig in de leegte van zijn binnenste en stoot vertwijfeld op de ‘denkbeeldigheid’ van zijn bestaan. Alleen door een einde te maken aan zijn leven, kan hij paradoxaal bewijzen echt bestaan te hebben. Alle andere middelen hebben gefaald en worden na een tijdje gereduceerd tot ‘autobiografische ficties’. Hij valt in het gat tussen Amerika en Europa; zijn ‘persoonlijke mythologie van de stiefmoeder’ leidt tot diepzittende vrouwenhaat; zijn geschrijf vlakt de grenzen tussen realiteit en fictie steeds verder uit, o.m. door een dossier over de meesterbedrieger (of bedrogen idealist?) Weinreb of door onvoltooide brieven aan reeds lang overleden figuren zoals Menno ter Braak.

Menno ter Braak (1902-1940) heeft veel gemeen met Paul de Braak: beiden zijn gekant tegen elke schijnwaarde in opvoeding, godsdienst, kunst en wetenschap, tegen elk overgeleverd gezag. Ze zijn vooral afkerig van elke zwendel met ‘hogere waarden’ en beschouwen het polemisch ageren daartegen als een vorm van zelfbevrijding. In die zin is Paul de Braak

[p. 591]

écht ‘partijloos’, net zoals Menno ter Braak (Politicus zonder partij, 1934). Hoewel Ter Braak bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde, hield hij zich zijn hele leven vast aan de idee van de democratie; juist die idee werd door de Duitsers kapot gemaakt. De democratie was voor hem een minimumplatform voor de vrijheid van denken van de ‘honnête homme’. Paul de Braak zou ook dit een fictie, een illusie vinden. Dat blijkt overigens uit een discussie die hij voert met Simon Walraven, die uit Menno ter Braak citeert. De Braak noemt Ter Braaks ‘democratische vrijheid’ een produkt van ‘een of andere heilsbegeerte of hiernamaals illusie’. Voor hem is de mens ten hoogste een ‘geneutraliseerd beest’. Hij weigert consequent elke vorm van reddende mythe. Ironisch is hierbij wel dat zijn Amerikaanse vrouw een scriptie schreef over Urban society and the loss of myth, waarin ze betoogt dat mensen die de symbolen van hun samenleving niet meer gebruiken, krankzinnig worden.

Zowel Menno ter Braak als Paul de Braak zijn lichtjagers. Alleen, Ter Braak zag af en toe het licht, of dacht het te zien; voor Paul de Braak is het bestaan zwart en kil, net zoals de afgrond waarin hij springt. Scherp en zonder mededogen heeft Marja Brouwens het moderne verbrijzelde bewustzijn getoond: de opgeslotenheid in het eigen ‘ik’, het tragische zelfverlies, de volstrekte vervreemding. De mens als losgeknipte marionet. Zo komt ze dicht in de buurt van de romanwereld van J. Bernlef. Alleen is Brouwers explicatiever, breedsprakeriger, en daardoor minder scherp en ontroerend.

 

Hugo Bousset

marja brouwers, De lichtjager, De Bezige Bij, Amsterdam, 1990, 327 p.