Ons Erfdeel. Jaargang 33


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 33. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1990


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Aardse engelen

De nieuwe bundel gedichten die dit jaar van Bernlef verscheen, draagt dezelfde titel als een boek met essays van Wallace Stevens. In het boek van de grote Amerikaan gaat het onder andere over de vraag of er zoiets bestaat als het absolute, kunnen we met andere woorden terugvallen op een onomstotelijke en Bovenpersoonlijke ‘waarheid’? Stevens beantwoordt die vraag ontkennend, er is niets buiten ons, waarachter we ons kunnen verschuilen. Bovendien is er in zijn werk sprake van een notie over wat ik nu maar de uiterlijke dingen noem. Die notie komt erop neer dat de materie en de uiterlijke wereld als het ware slechts bestaan en waarde krijgen binnen de waarneming van het bewustzijn. In één van zijn meest bekende gedichten: ‘Local Objects’, gaat hij nader in op zijn verhouding met die uiterlijkheden. De dichter is daarin een ronddolende

[p. 742]



illustratie

J. Bernlef (o1937).


geest, voor wie slechts de afzonderlijke dingen in het hier en nu van belang zijn. Het zijn er maar ‘a few’, maar ze vertegenwoordigen iets belangrijks, namelijk ogenblikken van inzicht.

Deze afwijzing van het bovenpersoonlijke, het ronddolen van een ‘man in het midden’ tussen de dingen, die soms momenten van inzicht verschaffen, dat lijken me belangrijke elementen juist binnen de poëzie van Bernlef, zoals die zich de laatste jaren en ook in deze nieuwe bundel ontwikkelt. Stevens ideeën over het belang van de waarneming voor het bestaan van de uiterlijke wereld hoort zeker bij deze opsomming. Aan deze notie kun je namelijk de gevolgtrekking verbinden dat aan kunst, aan poëzie zo men wil, groot belang moet worden toegekend. Hierin krijgt immers dat waarnemend bewustzijn gestalte. Het valt mij op dat in een aantal gedichten uit de nieuwe bundel de kunst boven de mens wordt geplaatst, je zou bijna van een nieuwe ontwikkeling binnen Bernlefs poëzie kunnen spreken.

Dat blijkt al direct uit de cyclus waarmee de bundel begint. Het gaat daarin om drie gedichten over jazz-musici. Ik geef uit deze reeks gedichten, een tweetal voorbeelden. In ‘Requiem’, een ‘In memoriam Warne Marsh’ geschreven voor de saxofonist, die in 1987 op het toneel in elkaar zakte, staan de volgende regels:

 
Het onderwerp is groter dan de man
 
die daar op het podium ligt

en even verder lees je de klankrijke, chiastische regels:

 
Melodieën lieten hem los
 
fladderden weg uit hun harmonieën

De engel uit de titel en die uit het motto van de bundel zien we op veel plaatsen terug. Hij verschijnt voor het eerst in het gedicht waarmee de reeds genoemde eerste cyclus opent. De aanleiding lijkt me zoiets als de muziek van Steve Lacy. De beginregels benadrukken het aardse van de hier bedoelde engel. Hij is

 
noodzakelijk en dus
 
gevallen, vleugels als nagels in
 
het vlees gegroeid. Hij gaat gebukt

Deze aardse engel, die het volgens de laatste woorden niet meezit, ‘is niet onder ons om / wonderen te verrichten maar / ons de kale plekken voor te spelen.’ Hij is er met andere woorden om onze blik te richten naar iets anders dan de schone schijn.

De manier waarop Bernlef over jazz schrijft, vind ik knap. Hij probeert niets van buitenaf te ‘be’-schrijven, maar neemt bepaalde technieken en gewoontes uit de muziek over en vertaalt die naar zijn poëzie. Zo zijn er bij het improviseren bepaalde rustpunten, clichés, licks genoemd waarop een musicus terugvalt. In het gedicht over Chet Baker, die uit zijn hotelraam viel (een gevallen engel), zie je, volgens hetzelfde principe, hier en daar een oud, versleten, raadsel verschijnen. Het betreft de bekende en in deze context betekenisvolle vraag over het gewicht van een pond veren en een pond lood. Het langzaam op gang komen van de muziek, wordt daarnaast ‘vertaald’ in de omwegen waarmee bijvoorbeeld het eerste gedicht begint.

In deze cyclus komen ook het vergaan en de dood nadrukkelijk aan de orde. Niet alleen is er tot tweemaal toe sprake van in memoriam-gedichten, maar bovendien spreken vele beelden duidelijke taal. Zo lezen we bijvoorbeeld over ‘de hoop zwarte sintels’, sinistere restanten, die even verder ‘de juiste noten’ blijken te zijn. Misschien zijn in dit verband de volgende regels over het komend verval het meest duidelijk:

 
Al kon het minder, moest het
 
beslist minder want daar
 
zat de toekomst in.

In de tweede cyclus komen twee gedichten voor waarin een figuur uit de poëzie van de Poolse dichter Zbigniew Herbert optreedt: ‘De heer Cogito’. In deze groep gedichten zien we opnieuw de dood,

[p. 743]

de engel treedt hier op als brenger ervan:

 
De engel wenkt, zijn grafsteen wordt gelegd.

Daarnaast is er sprake van aangeduide verschrikking, die wellicht met hetzelfde samenhangt en op lakonieke Herbert-wijze wordt verwoord:

 
Meneer Cogito tilde een kei op.
 
Ik deinsde achteruit.
 
En dit is nog maar het begin
 
zei meneer Cogito.

Wie Bernlefs roman Publiek geheim gelezen heeft, zal moeite hebben om de oude Oosteuropese schrijver, die de hoofdpersoon is van dat boek, niet te herkennen in de figuur die voorkomt in het gedicht ‘phoenix’, dat de cyclus afrondt. Hier lijkt de bejaarde Szass weer bezig:

 
Hij werkt aan zijn vergeten
 
tot hij het niet meer harden kan

Ook de dood keert terug in regels met een droefgeestige klank:

 
Grafstenen-een eindeloze straatweg
 
zover het oog reikt.
 
Poznan. Jalta.

Toch komt er hier een bezwaar bij mij op. Door het noemen van juist die plaatsnamen en de suggestie die het geheel wekt, komt het laatste deel van het vers me té anekdotisch voor. Oost-Europa, vlak voor de dooi en niets meer. Dat is te weinig dunkt me voor de schrijver van Publiek geheim, een boek dat zover uitstijgt boven de erin gesuggereerde identieke plaats en tijd. Er treden, zoals gezegd, heel wat noodzakelijke en tegelijk aardse engelen in de bundel op. Ze komen voor in vermomming, zoals het vliegtuig of worden opgeroepen als onderdeel van beeldende kunst (een geliefd thema bij Bernlef). Soms worden ze liefdeloos tegemoet getreden, zeker als ze een transcendente implikatie hebben. Leonardo's engel van de annunciatie wordt bijvoorbeeld op de volgende wijze behandeld:

 
Maria doet uiterst afwereld - zo van
 
waar blijft Jozef, mijn liefste, mijn timmerman.

Beelden, die in het verleden kerken versierden, worden ‘Met de sloopbal de muren ingeslagen’. Maar toch blijft er van die verslagen engelen iets over. Dat ‘iets’ met zijn vele betekenismogelijkheden, wordt dan met behulp van zo'n typisch concreet Bernlefbeeld als volgt verwoord:

 
Iemand klaagt over een steentje in zijn schoen
 
dat dat zo moeilijk loopt met nog zo veel
 
voor de boeg

Aardige, knappe en soms goede verzen staan in deze thematische bundel. Gemeten met de maatstaf van ‘Geestgronden’ uit 1988 valt het geheel me hier en daar toch wat tegen, zoals ik hierboven al in één geval aangaf. Te slordig soms, als in een toevallig lijkend Audenbegin: ‘Ook bij de oude meesters hingen / ze er maar zo'n beetje bij / de bevestiging der vleugels’, of te veel Kopland als in het Leonardo-gedicht over de aviatiek.

Mijn grote bewondering gaat echter uit naar het gedicht waarmee de bundel afsluit. Hier gaat het om zo'n moment van inzicht, waarvan bij Wallace Stevens sprake was. Ik citeer er tot slot de eerste en de laatste strofe van:

 
Alleen en onderaards vliegend
 
wiekend van aardlaag naar aardlaag
 
van het ene zwart naar het andere: een vleugel.
 
 
 
Alles is roerloos. Zover het oog reikt
 
niemand te zien in dit landschap
 
waaronder de vleugel bergen verzet.

Kees van 't Hof

j. bernlef, De noodzakelijke engel, Querido, Amsterdam, 1990, 40 p.