|
|
|
| |
| | | |
De muzikale betrekkingen tussen Nederland en België
Max Prick van Wely

MAX PRICK VAN WELY
werd geboren in 1909 op Java (Indonesië). Studeerde muziektheorie en compositie aan het conservatorium van Amsterdam. Publiceerde over het orgel en zijn meesters, de bloeitijd van het Nederlandse volkslied, Chopin, Dworsjak e.a.
Adres: Burg. Hogguerstraat 353, NL-1064 CR Amsterdam.
In de tijd dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nog één geheel vormden, was er vanzelfsprekend een geregeld en intensief muzikaal verkeer tussen Noord en Zuid en vice versa.
De naweeën van de Franse revolutie en van het Napoleontisch bewind hebben zowel het Zuiden als het Noorden gevoelig getroffen. Eerst langzaam heeft het muziekleven zich hersteld.
In 1826 werd onder Nederlands bewind de Koninklijke Muziekschool (tweetalig) te Brussel en een Muziekschool te Luik (eentalig) gesticht in hetzelfde jaar als het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. Nadat de Onafhankelijkheid van België was uitgeroepen, begon de discrepantie zich duidelijk af te tekenen. Een jaar daarvóór - zo lezen wij in de annalen van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst -, die ik verder kortweg ‘Toonkunst’ zal noemen - wilde men de muziekbeoefening en het muziekonderwijs in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden op gelijke wijze steunen en bevorderen door de oprichting van plaatselijke Afdelingen in Gent, Antwerpen en in andere plaatsen, maar de gebeurtenissen in 1830 gooiden roet in het eten en het hoofdbestuur te Amsterdam liet weten dat men ‘onder dergelijke politieke omstandigheden weinig lust noch tijd had over muziek te praten’ (1) Terwijl men in Nederland al spoedig dertien plaatselijke afdelingen telde, bleef België hiervan verstoken, hetgeen vooral voor de stimulatie van componisten en de bevordering van de amateuristische muziekbeoefening minder gunstig was.
Pas jaren later kwam er een betere verstandhouding tot stand, maar dan nog schoorvoetend en mondjesmaat.
Peter Benoit werd in 1866 tot lid van verdienste van Toonkunst benoemd. In 1877 en in 1878 viel deze eer ook te beurt aan resp. Jos Mertens en F.A. Gevaert. Daarbij zou het voorlopig blijven. Om aan één van deze Belgen een erepremie of een eredukaat toe te kennen, vond men te ver gaan, terwijl men toch zeer kwistig was met het uitdelen van deze onderscheidingen aan buitenlandse componisten. Brahms b.v.
| | | | ontving niet minder dan 22 ereducaten (zij waren van zuiver goud), en Gade bracht het zelfs tot 31! De enige Belg die met een eredukaat geëerd werd, was Henri Vieuxtemps, maar die had als violist en componist dan ook een grote internationale faam (2)
De toonkunstenaars die in de 19de eeuw in Nederland een leidende functie bekleden, waren, wanneer zij uit het buitenland kwamen, steevast van Duitse origine. De werken die op de Toonkunst-concerten werden uitgevoerd waren hoofdzakelijk van Duitse, Franse en ook Nederlandse componisten, maar het werk van een Belg treft men sporadisch in de programma's aan. Pas tegen het einde van de 19de eeuw kwam hierin verandering.
In 1874 werd te Zwolle de Fantasieappassionata voor viool en piano van Vieuxtemps uitgevoerd en in 1876 van dezelfde componist het Conzertstück, op. 20 voor violoncelle en piano te Rotterdam. In 1881 komt Gevaerts ‘Jacob van Artevelde’ in Alkmaar tot uitvoering, echter niet met orkest, zoals oorspronkelijk bedoeld, maar met piano- en orgelbegeleiding.
In Middelburg werd in 1886 het kinderoratorium ‘De Wereld in’ van Peter Benoit ten gehore gebracht door een koor van 350 kinderen.
Verder vond ik dat behalve de genoemde Benoit, Ch. de Bériot, E. Tinel en A. de Greef de enige Belgische componisten zijn die in Zeeland zijn uitgevoerd (3). Ook Rotterdam liet zich niet onbetuigd. In 1896 werd hier het oratorium ‘Franciscus’ van E. Tinel uitgevoerd, in 1897 volgde ‘Les Béatitudes’ van C. Franck en in 1901 vond de eerste uitvoering plaats van het 4de vioolconcert, op. 31 van H. Vieuxtemps (4).
Wat de Vlamingen en de Nederlanders tezamen bond, was en is de taal. Door de gemeenschappelijke taal zijn er contacten gevormd en is er ook een soort samenwerking ontstaan wat het Nederlandse lied betreft.
Ik behoef hier niet uitvoerig uit te weiden over de betekenis van Peter Benoit in dit opzicht. Zijn stuwende kracht voor de Vlaamse muziekbeweging, zijn voorkeur voor nationale onderwerpen en nationale figuren als Rubens en Conscience die hij in muziek verklankt heeft, zijn genoeg bekend. Zijn voorkeur voor Nederlands voor de libretti van zijn opera's en de teksten van zijn oratoria en cantates (hierbij zijn er slechts enkele in het Frans) maakten hem tot een voorbeeld van zijn Vlaamse tijdgenoten en opvolgers. Het is dan ook begrijpelijk dat hij in Nederland de meeste aandacht kreeg, ja, dat hij zelfs als een Nederlander beschouwd werd!
In Onze hedendaagse toonkunstenaars van Mr. Henri Viotta (1893-1896) worden er niet minder dan 17 grote bladzijden aan Benoit gewijd, gevolgd door een groot fragment uit diens ‘De Schelde’. Merkwaardig, want de andere toonkunstenaars in dit lijvige en bijna niet te tillen boekwerk zijn allen Nederlanders. Hoe dan ook, Benoit is hier bijgezet in het Pantheon van de toenmalige Nederlandse corypheeën en daar is verder niets aan te veranderen. In het door M. Kessels te Tilburg uitgegeven tijdschrift ‘De Muziekbode’ dat twee keer in de maand verscheen, werd tevens aandacht geschonken aan belangrijke concerten en opera-voorstellingen die in Brussel, Antwerpen, Luik en Verviers hadden plaatsgevonden. Er verschenen ook artikelen in over bekende Belgische componisten zoals Pieter Benoit en François Gevaert.
Hoe het gesteld was met de tegenkanting van Waalse zijde tegen het gebruik van Vlaamse teksten blijkt uit de vraag van Pr. van Duyse aan minister de Theux of er bij de ‘Prix de Rome’
| | | |

ook gebruik gemaakt mocht worden van het Nederlands. Het antwoord was een botte weigering. Eerst achttien jaar later mochten ook cantates met een Nederlandse tekst aan de Rome-prijs mededingen. En in het jaar daarop kwamen er drie cantates met een Vlaamse tekst binnen en slechts één met een Franse (5).
Wat het Nederlandse volkslied betreft zijn de Vlamingen ons voorgegaan. In 1848 verschenen van J.F. Willems Oude Vlaemsche Liederen ten deele met de melodieën, door F.A. Snellaert uitgegeven. Daarop zijn nog ettelijke publikaties gevolgd, terwijl men er in Nederland pas veel later aan toe was.
Het standaardwerk van Florimond van Duyse Het Oude Nederlandsche Lied werd in België geschreven maar in Nederland uitgegeven (bij Nijhoff in Den Haag, 1903-1908) evenals zijn andere studies. Een voorbeeld dus van eendrachtige samenwerking! Samenwerking was eveneens tot stand gebracht door een initiatief van het ‘Willems Fonds’, een instelling die vanaf 1852 verschillende series Oude en Nieuwe Liedjes uitbracht naast Nederlandse Zangstukken, waarvan er zeker tweeentwintig reeksen, maar mogelijk nog meer zijn uitgekomen bij W. Rogghé (J. Vuylsteke) te Gent. Zij wijken in geen enkel opzicht af van de in die tijd populaire ‘Fransche romancen’, behalve dan door het Nederlands taalgebruik. De melodie ligt ‘goed in het gehoor’ en is vrij eenvoudig evenals de pianobegeleiding. Terwijl de romances bijna altijd gesierd worden door een fraaie lithografie op het titelblad geven de ‘Zangstukken’ een overzicht van de separate uitgaven van een gehele serie. Het aardige is dat zowel Belgische als Nederlandse dichters en componisten hun bijdragen leverden. Zo zien wij b.v. W. de Mol, G. Huberti, H. Waelput, E. Blaes, Jan van den Eeden, J. Blockx, F.A. Gevaert, O. de Burbure, K. Miry, P. Benoit en L. van Gheluwe broederlijk de hand reiken aan de Nederlanders R. Hol, H. Viotta, J.F. en M.A. Brandts Buys, G.A. Heinze en W.F. Nicolai. Met de tekstdichters is het precies zo, doch het zou te ver voeren deze allemaal op te sommen. De enige vreemde eend in de bijt is Hoffmann von Fallersleben, die echter niet als een vreemdeling beschouwd wordt, omdat hij in staat was in het oudNederlands te dichten (‘Looverkens’).
Er moet nog een andere reeks in omloop zijn geweest: De Kempische Lier, uitgegeven
| | | |

Peter Benoit (1834-1901) (Copyright A.M.V.C.).
door V.J. Dumoulin te Herenthals, althans in de ‘Maxate Bibliotheek’ vind ik van deze serie het 2de nummer van de 12de jaargang. Men kan nagaan hoeveel van dergelijke muziek verloren is gegaan! Tevens doet men interessante ontdekkingen. Wie weet b.v. dat Flor. van Duyse ook ‘Mijne Moedertaal’ van Frans de Cort op muziek heeft gezet? Maar dit lied is thans geheel vergeten, terwijl de toonzetting van L.F. Brandts Buys verscheidene malen werd herdrukt en nog steeds gezongen wordt. Ook treft men in de 21ste reeks van de Zangstukken een ‘Idylle’ van Cath. van Rennes aan, dat later in een verzamelbundel van haar liederen werd opgenomen.
De Vlaemsche Zangstukken die H. Possoz te Antwerpen uitgaf zijn nog ouder dan de edities van het Willems Fonds. Ik schat dat ze uit 1840/50 stammen, en zij worden dan ook nog romances genoemd. Volgens een gepubliceerde lijst moeten er minstens 76 van gedrukt zijn, maar ik heb er maar één van kunnen vinden.
Wij moeten dus concluderen dat Belgische uitgevers ook het werk van Nederlandse componisten publiceerden, vooral wanneer het liederen betrof. Was dit omgekeerd ook het geval?
Wis en waarachtig en zeker in latere tijd. Een vroeg voorbeeld is de in Venlo geboren Nederlander Hendrik Messemaeckers die een groot gedeelte van zijn leven in Brussel heeft doorgebracht en die naast componist ook muziekuitgever was, zoals in die tijd zo dikwijls voorkwam. Evenals Messemaeckers wel eens een werk van een Nederlandse collega uitgaf, wilde F.L. Dony in Den Haag niet achterblijven en liet hij ‘Trois Valzes favorites’ van zijn collega in Brussel verschijnen. Het is aardige muziek, maar ook niet meer dan dat. Waarschijnlijk zijn zijn grotere werken, pianosonates met obligaat viool, kamermuziek en opera's van beter gehalte. R. Eitner weet van hem alleen het pianowerk ‘Le Bataille de Belle Alliance’ op te noemen en meent dat er verder niets van hem is gedrukt, hetgeen door het bovenstaande wordt gelogenstraft. Ook ‘l' Invitation à la Valse’ - een titel die blijkbaar van von Weber gestolen is - is mij bekend. Dit pianostuk van niet meer dan 3 bladzijden is door Dony op de allergoedkoopste manier uitgegeven en werd door de componist gesigneerd (een niet geheel onfeilbaar middel om roofdrukken tegen te gaan).
De reeds genoemde uitgever Possoz heeft in zijn liederenserie alleen maar werken van Vlaamse componisten opgenomen die voor het grootste gedeelte minder bekend zijn. Het laatste lied uit deze serie is getiteld ‘Holland en Belgiën’ en pleit voor de verbroedering van beide landen. Of men dit ook ter harte heeft geno- | | | | men, is nog de vraag. In ieder geval werden de gedichten van Guido Gezelle en Frans de Cort óók door Nederlandse componisten op muziek gezet.
De Kleengedichtjes van de Vlaamse priester-dichter op de muziek van Cath. van Rennes waren in Nederland zó populair dat zij bijna 40 herdrukken beleefden.
De programma-overzichten geven ons inzicht in de stand van zaken wat het officiële muziekleven betreft, maar daarnaast mogen wij het privé-domein van de huismuziek niet uit het oog verliezen. Werden de werken van Belgische componisten ook door de Nederlandse amateur gespeeld en gezongen? Het is natuurlijk veel moeilijker hier achter te komen.
Het enige en dan nog vage antwoord geven de albums met piano- en zangmuziek voor privé gebruik samengesteld, die blijkens de vindplaatsen en namen van de bezitters of bezitsters uit Nederland stammen.
Ik heb de inhoud van meer dan honderd van dergelijke albums, voor het merendeel in de tweede helft van de vorige eeuw samengesteld, met elkaar vergeleken en ben tot de conclusie gekomen dat werken van Belgische componisten - zij het dan maar enkele - een deel van het repertoire vormden.
Daarin komen o.a. voor pianowerken van P. Benoit, A. Dupont, E.G.J. Grégoir, F. Godefroid en Fr. Riga. Het ‘Chanson hongroise’, op. 27 van Dupont moet zelfs zeer populair zijn geweest, want dit stuk komt in de albums niet één keer, maar verschillende malen voor.
Wat de liederen betreft, schijnen vooral composities van F.A. Gevaert, E. Hullebroek en Fr. Riga favoriet geweest te zijn. Ook liederen van X. van Elewyck uit de tijd dat hij rechten studeerde aan de Universiteit te Leuven ontbreken niet. Alles bij elkaar is dit een vrij willekeurige dwarsdoorsnede, maar het geeft toch wel aan dat Belgische componisten in Nederland geen onbekenden waren.
Belgische muziekuitgevers hebben een wezenlijke bijdrage geleverd tot de verspreiding en bekendmaking van Nederlandse componisten, en andersom is dit eveneens het geval geweest. Het betrof vooral zangmuziek waarbij men het voordeel had van de gemeenschappelijke taal. De liederen van C. van Rennes waren in het Vlaamse gebied even populair als bij ons en de sappige liederen van Emiel Hullebroek vonden ook in Nederland een gretig onthaal.
Wat de instrumentale muziek betreft was de toestand minder rooskleurig. Het concertrepertoire was in ons land bijna geheel gericht op Duitse en Weense componisten. Franse, Deense en Noorse componisten mochten hun stem ook nog wel eens laten horen, maar een Belgisch werk op een concertprogramma was een hoge uitzondering. Slechts enkele van onze Zuiderburen gelukte het deze barrière te doorbreken.
Toonkunst heeft in een aantal periodiek uitgegeven albums met vocale en instrumentale muziek geen enkele aandacht besteed aan Belgische componisten. In de door deze Maatschappij in verschillende steden georganiseerde concerten voor haar leden kwam alleen H. Vieuxtemps aan het bod met zijn eerste vioolconcert te Amsterdam, zijn vierde vioolconcert dam en zijn celloconcert in a kl.t. in dezelfde stad.
Daarentegen waren Belgische vocalisten en instrumentalisten in ons land zeer gezien, vooral wanneer zij een internationale reputatie bezaten. Dit verschijnsel deed zich al in de vorige eeuw voor en zou zich later voortzetten.
De wereldberoemde violist Eugène Ysaye (1858-1931) die in geheel Europa en in Amerika triomfen vierde, is ook in Rotterdam opgetreden. Arthur de Greef (1862-1940) excellent pianist en componist, trad eveneens te Rotterdam op, en zo zijn er meer voorbeelden.
Enkele Belgische musici voelden zich zozeer tot Nederland aangetrokken dat zij zich in dit land vestigden.
Daartoe behoort o.a. Désiré Pauwels die in 1861 te Gent geboren werd en aldaar ook zijn muzikale opleiding kreeg. In 1907 vertrok hij naar Amsterdam waar hij als heldentenor aan de Nederlandse opera verbonden werd.
Jean Baptiste de Pauw (1852-1924) kwam uit een zeer muzikale familie en ontving zijn eerste pianolessen van zijn vader. Later studeerde hij aan het Conservatorium te Brussel waar hij in 1873 de Prijs van Uitnemendheid voor orgel behaalde. Na van 1872 tot 1879 organist geweest te zijn aan de Bonifaciuskerk te Brussel
| | | |

Florimond van Duyse (1843-1910) (Copyright A.M.V.C.).
werd hij in het laatstgenoemde jaar benoemd tot organist van het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam (dit paleis is een jaar na zijn dood afgebrand). In 1884 werd hij piano- en orgeldocent aan het Conservatorium van de hoofdstad en zijn buitengewone kwaliteiten als muziekpedagoog maakten dat zijn leerlingen later een belangrijke plaats in het Nederlandse muziekleven zouden innemen.
Helaas zijn zijn verdiensten als componist onderschat. Zijn liederen, sonaten, cantaten en symfonieën verdienen een beter lot dan totaal genegeerd te worden.
Minder bekend was Eugen Baudot die in 1855 te Waver geboren werd en die Vieuxtemps en Wieniawski zijn leermeesters mocht noemen. Ook hij vestigde zich later definitief in Amsterdam waar hij tweede concertmeester werd aan de Orkestvereniging onder Stumff en daarna eerste concertmeester van het orkest in het Paleis voor Volksvlijt. Josef (Jos) de Klerk (1885-1969) is uit Merksen geboortig en kwam in 1914 met de stroom Belgische vluchtelingen de Nederlandse grens over. Hij zocht eerst in Amsterdam naar een betrekking en kwam tenslotte in Haarlem terecht waar hij Philip Loots opvolgde als muziekrecensent aan de Haarlemsche Courant. Hij werd ook dirigent van het koor van de Sint-Josefkerk aldaar. Voor dit koor schreef hij een aantal kerkelijke werken. In deze stad werd zijn zoon Albert geboren die in een onlangs gepubliceerd interview verklaard heeft dat zijn besluit om organist te worden vaststond nadat hij Flor Peeters op het orgel in de Bavokerk had horen spelen, Jos de Klerk publiceerde een groot aantal artikelen over Nederlandse liederen en liedboeken en hij bracht heel wat gegevens aan het licht over het Haarlems muziekleven in de loop der tijden die in 1965 bij Tjeenk Willink te Haarlem zijn uitgegeven. Hij was tevens een verdienstelijke componist die in Haarlem een openlucht-uitvoering heeft gegeven van de ‘Rubenscantate’ van Benoit en van zijn eigen cantate ‘Nederlands Gouden Eeuw’. De reputatie van Albert de Klerk als organist, componist en dirigent mag eveneens als bekend worden verondersteld.
Onder de titel Van Harmonie tot Philharmonie heeft Jos de Klerk de geschiedenis beschreven van het Noordhollands Philharmonisch Orkest vanaf de oprichting in 1813 tot 1963. Deze gedocumenteerde studie is in boekvorm te Haarlem verschenen.
Er bestonden sterke muzikale banden tussen Maastricht en Luik. Toen de eerstgenoemde stad nog geen Conservatorium bezat, togen de meest belovende leerlingen uit het Zuiden van ons land naar Luik om hun opleiding aan het
| | | | Conservatorium aldaar te voltooien. Zo ook Charles Smulders die in 1863 te Maastricht geboren werd, maar in Luik werd opgeleid en daar later ook als leraar aan het Conservatorium fungeerde. Nog later gaf hij zijn loopbaan als concertpianist op om zich geheel aan de compositie te wijden.
Charles Smulders heeft enorm veel gecomponeerd en zijn voornaamste werken zijn zowel in zijn geboorteland als in België uitgevoerd, maar op het ogenblik zijn zij totaal vergeten.
Toen Maastricht slechts over een muziekschool beschikte, stond het onderwijs er sterk onder Luikse invloed. Voor het solfègeonderricht gebruikte men dezelfde boekjes als die in Luik verplicht waren en de vioolleraren waren - op een enkele uitzondering na - allen Luikenaren, die natuurlijk ook hun eigen methode hadden. De dirigent van het Maastrichts Orkest, Henri Hermans, had een voorkeur voor Franse en Belgische componisten van de ‘nieuwe richting’.
In één opzicht is België Nederland tot een lichtend voorbeeld geweest. Terwijl men in ons land zwaar zat te delibereren over de vraag ‘of het niet op de weg lag van de M.B.T. op een of andere wijze de ontwikkeling van de dramatisch-muzikale kunst (de opera) in de eigen taal te bevorderen’, stichtte Eduard Keurvels in 1893 de Vlaamse opera te Antwerpen. Dit is van enorme invloed geweest op de stimulatie van nationale opera's in de eigen taal. Het aantal Vlaamse opera's overtreft dan ook verre het aantal Nederlandse, al zijn hierbij enkele uitschieters te noemen.
In het algemeen genomen blijkt men in België meer ‘opera-minded’ te zijn dan in Nederland, dat slechts twee gesubsidieerde operainstellingen telt, terwijl België er vijf heeft (Brussel, Antwerpen, Gent, Luik en Verviers).
Wat het aantal gesubsidieerde orkesten betreft loopt Nederland voorop, ook wat het aantal conservatoria en muziekscholen betreft, maar daarbij dient in het oog te worden gehouden dat Nederland ook veel dichter bevolkt is.
Op het gebied van de musicologie en muzieklexicografie heeft men in België baanbrekend werk verricht. Het aantal internationaal bekende musicologen was in de vorige eeuw in het Zuiden beduidend hoger dan in het Noorden. Dit begon echter te veranderen toen in 1868 te Amsterdam de ‘Vereniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis’ werd opgericht, later omgedoopt tot ‘Vereniging voor Noord-Nederlandse Muziekgeschiedenis’. Van 1904 tot 1910 was F. van Duyse bestuurslid van deze Vereniging.
Toen Edmond van der Straeten (1826-1895) op kosten van het Belgische Gouvernement onderzoekingen deed in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië naar Nederlandse componisten en musici, kreeg hij van deze vereniging veel hulp en steun. Zijn onderzoekingen vonden hun neerslag in het achtdelige werk La Musique aux Pays-Bas. Het opmerkelijke aan dit werk is dat er evenveel aandacht geschonken wordt aan de muziek van de Noordelijke Nederlanden als aan die van de Zuidelijke.
Een andere toonaangevende figuur was Charles van der Borren. Hij was ereprofessor aan de universiteiten te Brussel en Luik en werd vooral bekend om zijn studie over de oorsprong en verdere ontwikkeling van de Nederlandse clavecymbelmuziek.
Florimond van Duyse (1843-1910) is de auteur van het driedelige standaardwerk Het oude Nederlandse Lied dat in Gent geschreven is en in 's-Gravenhage bij Nijhoff verscheen.
Het boek Vlaamse muziek en componisten in de 19de en 20ste eeuw van Floris van der Mueren verscheen eveneens in 's-Gravenhage bij de uitgever Kruseman die ook de tweede druk uitgaf van Het orgel en zijn meesters met een voorwoord en in de revisie van Flor Peeters, de bekende organist die een graag geziene gast en jurylid was tijdens het jaarlijkse Orgelconcours te Haarlem.
Bij de samenstelling van de Encyclopedie van de Muziek, in 1956 bij Elsevier (Amsterdam/Brussel) verschenen, heeft men ernaar gestreefd de samenstelling van de redactieleden en medewerkers zo gelijkmatig mogelijk onder Nederlanders en Belgen te verdelen.
In de Algemene Muziekencyclopedie die, onder redactie van Wouter Paap, te Antwerpen is verschenen, krijgen zowel de Belgische als de Nederlandse componisten de plaats die hen toekomt. In ieder geval stemt de eendrachtige sa- | | | | menwerking die op dit terrein aanwijsbaar is tot verheugenis.
Men mag dit artikel slechts als een aanzet beschouwen om de muzikale betrekkingen tussen de beide buurlanden duidelijk te maken. Hopelijk zullen anderen op hetzelfde thema voortborduren en waarschijnlijk zullen er dan ook interessante en weinig bekende gegevens aan het licht komen.
| |
Geraadpleegde literatuur:
| (1) | van dokkum, J.D.C., Honderd jaar muziekleven in Nederland, Amsterdam, 1929. |
| (2) | Geschiedenis en Handelingen van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, losse uitgaven van 1862 tot 1882. |
| (3) | scherft, p., Een speurtocht door Zeeuws muziekverleden, Middelburg, 1984. |
| (4) | Overzicht over de werkzaamheden der Afdeeling Rotterdam van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst van 1830 tot 1899; met het Vervolg van 1899 tot 1909. |
| (5) | sabbe, m., De muziek in Vlaanderen, Antwerpen, 1928. |
|
|
|