|
|
|
| |
| | | |
Culturele kroniek
Literatuur
Een epos van André Demedts
Van André Demedts (1906-1992) heb ik voor hen eerst iets gelezen waar ik dat - achteraf gezien natuurlijk - het laatst zou hebben verwacht, namelijk in het tijdschrift Forum, waarmee niets hem op het eerste gezicht verbond, of het zou zijn bewondering voor een auteur als Gerard Walschap hebben moeten zijn. (Misschien is het ook wel veelzeggend dat in een documentair werk over Forum uit 1969 een portret van Pieter G. Buckinx staat afgedrukt als portret van Demedts...). Maar hij was toen, in 1932, nog een jong dichter en beginnend prozaschrijver die zijn weg zocht. En de verwondering wordt dan ook voornamelijk gewekt door het feit dat, sinds de dood van de schrijver ons toelaat het geheel van zijn loopbaan en oeuvre te overzien, zonder veel moeite kan worden geconstateerd dat het karakter daarvan al vanaf het begin gegeven was; sedertdien is het wel verdiept en verbreed, maar niet noemenswaard veranderd. Het vertoont steeds dezelfde constanten die er eenheid en samenhang aan geven.
Het werk van Demedts bestaat uit gedichten, verhalen en romans, essays en autobiografie. Daarin komt men vanaf de eerste tot de laatste bladzijde dezelfde man tegen, peinzend, melancholiek, kwetsbaar, bewogen, met een moedige wil tot leven, wiens geest steun zoekt in historische perspectieven als om rechtvaardiging te vinden voor een relativerend scepticisme, waarin teleurstelling en ontmoediging gepaard gaan met hoop en geloof. Het besef van zijn verbondenheid met een voorgeslacht, van dat voorgeslacht met een volk, van dat volk met de grond waarin het is geworteld, vormt in dat werk een duurzame kracht, die elke desillusie telkens opnieuw te boven komt, om haar uiteindelijk zelfs te integreren in het soort levensbewustzijn dat zijn filosofie is geworden. De titels die hij aan zijn romans heeft gegeven zijn daarvoor evenzoveel wegwijzers, Het leven drijft, Afrekening, Het heeft geen be-

André Demedts (1906-1992).
lang, De ring is gesloten, De levenden en de doden, Nog lange tijd, enzovoorts.
Wie zich in dat meditatieve, beheerste oeuvre verdiept, komt al spoedig tot de ontdekking dat de eenheid en de samenhang ervan, hoe onmiskenbaar ook, een niet minder evidente maar fundamentele realiteit van tegenstellingen verbergt. De specifieke gevoeligheid van een jongeman, die geboren is op een sedert eeuwen aan zijn familie toebehorende boerenhoeve, wordt misschien gekenmerkt door een natuurverbondenheid die hem bijna vanzelf tot een romantisch-idealistisch dichter moest maken. Dat dit voor de hand ligt, erkende hijzelf in een interview: ‘De grond en de natuur, de familie, het verleden, de wil om iemand te zijn: dat zijn de waarden die mij gevoed en recht gehouden hebben, ik zal ze nooit verloochenen’. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van een uitspraak die door de feiten zo overtuigend wordt bevestigd. Desondanks lijkt het mij niet overdreven in de formulering ‘recht gehouden hebben’ de erkenning te beluisteren van aanvallen, waaraan het jonge schrijverschap zich blootgesteld zag, van
| | | |
de kant van de realiteit. De tegenstelling tussen droom en werkelijkheid is meestal de eerste die een schrijver op het spoor zet van zichzelf, de toegangen daartoe via de emotie zijn talrijk en het zou, in het geval van Demedts, volstrekt niet onbegrijpelijk zijn geweest, zijn oorsprong en de historische grond van zijn bestaan in aanmerking genomen, wanneer de invloeden op zijn werk van de machten van godsdienst en traditie zijn blik voor een deel van de werkelijkheid had afgeschermd. Ook dat fenomeen doet zich bij haast ieder schrijverschap in meerdere of mindere mate voor. In een periode waarin veel Vlamingen zich geroepen voelden tot een activiteit van ontvoogding en zelfverwezenlijking die door de geldigheid van hun motivering gemakkelijk kon leiden tot de bekende bekoringen en ontsporingen van clericalisme of nationalistische tendenties, was dat verre van denkbeeldig.
De thematiek van wat André Demedts heeft geschreven, toont aan - en dat is zowel de rijkdom als de beperking ervan- dat hij die bekoringen heeft gekend en gewogen. Maar de dualiteit van zijn individualisme en zijn sociaal gevoel, zijn maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef, heeft hem ertoe gebracht het perspectief te kiezen van psychologie en geschiedenis. De objectiverende afstandelijkheid van de romancier heeft hem in de positie geplaatst die het best overeenstemde met zijn natuur, namelijk de positie van begrijpend waarnemer die zich tot medeleven en mede-lijden, niet tot oordelen, geroepen acht. Het geeft aan dat werk een zwaarmoedig-nobele toon, uiting van een karakter waarvoor ernst en eerlijkheid zwaarder wegen dan roem of eigenbelang.
De omvangrijkste en indrukwekkendste poging om daaraan gestalte te geven is het epische vierluik dat de titel kreeg De eer van ons volk. Deze historische tetralogie verscheen tussen 1973 en 1978 en bestaat uit de romans De Belgische Republiek, Hooitijd, Goede avond en Een houten kroon. Dit boek, niet zijn laatste maar Demedts' opus magnum, behelst een familiegeschiedenis die zich van enkele jaren vóór de Franse Revolutie van 1789 tot enkele jaren na Waterloo en de geboorte van het Koninkrijk België uitstrekt. Die familiegeschiedenis is in grote trekken, maar gefictionaliseerd en doorvlochten met figuren en situaties van de verbeelding, de historie van de familie Demedts. Zij berust op de familiekroniek die Demedts' vader kort voor zijn dood in 1943 schreef en die in de romancyclus uitgroeide tot een letterlijk ‘pars pro toto’. De familie Gillemyn (in werkelijkheid Ghellemijns, de betovergrootvader van de auteur die zijn romans verder nog met historische en officiële documenten heeft gestoffeerd) groeit uit tot een symbool van de volksgemeenschap. Rondom de centrale figuur Karel, in wie Demedts niet alleen een historisch personage gestalte heeft willen geven, maar die ook in grote lijnen een spiegelbeeld is geworden van hemzelf, zijn eigen innerlijk en van wat hem dreef, is het epos opgebouwd in episodes die wisselen van kleur en importantie. Soms zijn ze psychologisch gedetailleerd, dan weer breed geschilderd. Het totaalbeeld is dat van een fresco: indrukwekkend als geheel, maar van nabij bekeken wordt die indruk genuanceerder. Want de vier romans zijn niet allemaal even sterk en ook afzonderlijk beschouwd is het verschil in overtuigingskracht van taferelen en personages duidelijk bespeurbaar. De tegenstellingen van allerlei aard zijn weliswaar in overeenstemming met de realiteit van de situatie, maar schieten vaak tekort in evenwicht. Om een voorbeeld te geven: de filosofische spitsvondigheid die ongetwijfeld een element was van de geest der Verlichting, maar zeker niet het zwaarst wegende, wordt gesteld tegenover een roerende, maar tegelijkertijd ook weer zó naïeve geloofseenvoud van iemand als pastoor Cremers, in Hooitijd, het tweede deel, dat het een kritisch lezer bezwaarlijk bevredigen kan. Gevoelsmatig is de optie van de schrijver wel involgbaar maar een nadenkende lectuur houdt bij zo'n barrière stil. Het is een voorbeeld uit vele plaatsen in de vier delen van de tetralogie, die relatief minder verfijnd van kleur zijn, oppervlakkiger, soms ook minder gelukkig van schriftuur, alsof door de plichtmatigheid van het schrijven de stilistische aandacht afneemt, zoals soms ook de kritische zin verstek laat gaan.
Ik denk in het algemeen dat Demedts bij de grootse visie die hem voor ogen heeft gestaan de distantie die hij altijd trachtte te behouden ter wille van de rechtvaardigheid, niet voldoende heeft weten te vinden. Het is waar: men evenaart Tolstoi niet. Maar de persoonlijke betrokkenheid die een epos als Oorlog en Vrede toch ook wel degelijk bezit, is van een andere aard. De eer van ons volk vraagt, mutatis
| | | |
mutandis, een kritischer en meer afstandige relatie tot de beschreven werkelijkheid dan de schrijver, alles overwogen, in staat is geweest te geven.
Desondanks dwingt de enorme prestatie die dit vierluik is, groot respect af en het verdient ten volle het eerbetoon van de luxueuze herdruk, zoals het Davidsfonds deze in een toegewijde tekstverzorging van Rudolf van de Perre heeft gebracht. Een monument, deels voor een te zelden belichte periode van de Vlaams-Belgische geschiedenis (waarvan het natuurlijk geen wetenschappelijk-betrouwbare weergave wil zijn), deels vooral voor een schrijver die zijn talenten zonder zelfverloochening dienstbaar heeft willen maken aan de bronnen van zijn bestaan. Om op dit laatste de nadruk te leggen heeft de uitgever aan de cassette nog een vijfde deel toegevoegd, namelijk Demedts' Verzamelde gedichten. Dat is terecht om de gedichten zelf, die weliswaar, zoals over het geheel genomen bij Demedts het geval is, formeel niet de sterkste kant van zijn werk vormen, maar waarvan de dichterlijke aandrift overtuigend zijn primaire inspiratie blijkt; in zijn gedichten en hun toon komt zijn persoonlijkheid en zijn diepste wezen het zuiverst tot uiting. Daarom is het in zekere zin toch weer jammer dat de tekstverzorger, overigens uit respect voor de dichter, het juist heeft geoordeeld diens eigen mening te moeten volgen, bij de eerste uitgave van de verzamelde gedichten in 1976, ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, om van de beide eerste bundels maar een klein aantal verzen over te houden. Hij bewerkte die bovendien, veel later, dusdanig dat ze inderdaad ‘onherkenbaar’ zijn geworden en met hun oorsprong weinig meer gemeen hebben. Demedts heeft in zijn autobiografie, De tijd van gisteren (1966) gesteld dat hij zijn schrijverstaak zag als het geven van een getuigenis ‘die mij opheldering verschaft over het vanwaar en waartoe van ons bestaan’. Het is waar dat de literatuur een dergelijke getuigenis geeft, maar wat mij, bij alle sympathie voor de auteur en zijn werk, een beetje verbaast en zelfs teleurstelt, is dat Demedts zoveel bewuste betekenis heeft willen geven aan wat, bij iemand zo zonder ijdelheid en zelfverheffing als hij, spontaan en haast van nature geneigd was zichzelf te zijn.
Pierre H. Dubois
andré demedts, De eer van ons volk en Verzamelde gedichten, Davidsfonds / Clauwaert, Leuven, 1995.
|
|
|