Ons Erfdeel. Jaargang 39


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 39. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1996


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Toonder toont liefde en woede

Is het derde deel van Marten Toonders autobiografie (1945-1965), Onder het kollende meer Doo, ook het laatste? Op de achterflap wordt over ‘afsluiting van zijn levensgeschiedenis’ gesproken. Ik denk dat Toonders trouwe lezers desondanks blijven hopen op enige vorm van voortzetting. Want Toonders memoires bieden meer dan geschiedenis: voedsel voor de ziel.

De eigenaardige titel lijkt te zijn verzonnen door een van de figuren uit de parallelle wereld in de Bommel-verhalen. Pee Pastinakel zou hem bedacht kunnen hebben. Maar het Lough Doo, het Zwarte Meer, bestaat echt, in West-Ierland. Van Dale leert dat ‘kollen’ ‘toveren’ is. Een niet-fictief meer, dat af en toe tovert, heeft Toonder aan zijn titel geholpen.

Kan een meer toveren? Voor Toonder en zijn overleden eerste vrouw Phiny in ieder geval wèl. Op een dag, wanneer ze langs het meer rijden zien ze hoe zich uit de diepte waterkolommen oprichten van drie à vier meter hoog. Metafoor. Gevoelens over wat tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog is ervaren zijn lang verdrongen, onder de oppervlakte gebleven, maar komen ooit als uitbarstingen uit het onderbewuste naar boven. Men kan een kampsyndroom hebben, stelt Toonder, zonder in het kamp te hebben gezeten.

Toonder onderbreekt de lineaire chronologie van zijn autobiografie over 1945-1965 met belevenissen en bespiegelingen van later, na 1965, in zijn geliefde Ierland. Een goed procédé, want zo slaagt hij er in om existentiële samenhang in zijn levensverhaal aan te brengen.

Toonder heeft veel te vertellen: hij heeft veel meegemaakt. Hij heeft strips getekend, verhalen geschreven, tekenfilms gecreëerd. Hij stond bovendien aan het hoofd van de Toonder Studio's, met wisselende medewerkers. Ik vraag me af: hoeveel lezers vinden de verwijzingen naar al die mensen, al die zakelijke toestanden, nog interessant? Maar zeker is: Toonder blijft Toonder: formuleringen, beschrijvingen, overdenkingen, houden de aandacht vast. Over een gewezen compagnon wordt, heel Toonderiaans, gezegd dat hij zich tijdens de oorlog ‘ontpopte als de slibber die hij in werkelijkheid was’. En de sfeer van de bevrijding is goed voelbaar als wordt verteld hoe een gewapende BS-er (begrijpt heden ten dage iedereen zo'n afkorting?), die er uit ziet als een ‘machinist in een ketelpak’, voor de deur staat te wachten om die slibber in te rekenen.

[p. 762]

Er is gesteld dat het boek een eerbetoon is aan Toonders overleden levensgezelling, Phiny Dick. Dat is zo, maar het kan ook worden gezegd met betrekking tot zijn vader, die misschien op boeiender wijze wordt neergezet - in Toonders gevoelens voor die markante man doen zich ontwikkelingen voor. Eigenlijk is het hoofdthema Toonders liefde voor hard werken. Zijn werk is zijn leven. Zijn dubbeltalent, voor tekenen en vertellen, wordt wat gehinderd door de noodzaak om ook als een manager te opereren, waar hij minder zin in heeft, maar waarbij hij door allerlei kleine financiële wonderen (bij voorbeeld het beschikbaar komen van vaders spaargeld) toch wordt geholpen.

Er zijn passages waar men Toonders typische vertelkunst terugvindt. Een onverwisselbare Bommelsfeer wordt opgeroepen wanneer Marten met vrouw en broer een diepzinnig levensbeschouwelijk gesprek voert in een Ierse hotelletje, waar een mysterieuze oude man ‘met een witte baard en een doorleefde hoed’ zich, in het Nederlands nog wel, in de discussie mengt. Het allerbest bevalt mij Toonders toon als hij recht voor de raap zijn bitterheid uitspreekt over de conservatieve restauratie die zich in 1945 in Nederland heeft voorgedaan. In het hotelletje krijgt Marten van zijn broer een voorzet. Deze zegt: ‘Na de oorlog had er iets moeten gebeuren. Maar de klok werd gewoon teruggezet’. Marten valt hem bij: ‘De illegaliteit had gelijk. En niet de vluchtelingen uit Londen’.

Dat zijn zinnen als brandbommen. Als Toonder het heeft over de Nederlandse militaire acties in Indonesië, schrijft hij kort en krachtig dat de Hollandse jongens werden uitgezonden ‘om de Javaantjes weer klein te krijgen’. Hij verzucht dat daar niets tegen te doen was: ‘Tegen de massa kan een gewoon mens niets doen. Je kunt alleen individueel doen wat je doen kan - en dat is een plicht.’

Die deed hij, op zijn eigen wijze, door twee ouderloze meisjes uit Indonesië te adopteren, die in Nederland aangekomen, op school, door klasgenootjes voor spleetoog en poepchinees werden uitgescholden. ‘Dat ging over’, schrijft Toonder, ‘toen Phiny er achter kwam en naar het hoofd van die school stapte, die nog een ouderwetse opvoeder was en met een aanwijsstok de grap uit het racisme sloeg. Dat hielp - en het is jammer dat deze aardige vorm van correctie is afgeschaft’.

Uit Toonders kollende meer spuit soms oprechte woede omhoog. Het zal menig lezer deugd doen.

 

Aart van Zoest

marten toonder, Onder het kollende meer Doo, autobiografie 1945-1965, De Bezige Bij, Amsterdam, 1996, 337 p.