
Volgens Marguerite Yourcenar heeft een mens pas op zijn veertigste zijn ervaring voldoende verdiept. Veertig jaar is in zijn levensloop het echte gemiddelde tussen tachtig en nul. Op die leeftijd maakt de mens de balans op. Hij trekt er de passende conclusies uit: hij geeft zich over aan de demon van zijn eindigheid, of hij probeert zichzelf te overstijgen. De eminente schrijfster is ook van mening dat wie veertig jaar lang met volharding een doel nastreeft, moet kunnen bogen op resultaten.
Geldt dit ook voor een tijdschrift?
De geschiedenis van dit blad begint met een brief van de Vlaamse schrijver André Demedts aan ondergetekende. Op 26 december 1956 nodigde hij mij uit voor een bijeenkomst van een groep mensen die ijverden voor meer contact met Frans-Vlaanderen, de regio in Frankrijk met sterke historische en culturele banden met de Lage Landen. Op die vergadering stelde hij mij voor een tijdschrift op te richten dat aandacht zou besteden aan onze cultuur in Noord-Frankrijk en aan de samenwerking tussen de Nederlandstaligen.
Het eerste nummer van Ons Erfdeel, dat aanvankelijk Ons Erfdeel-Notre Patrimoine heette, verscheen in 1957. Het telde 20 bladzijden en de oplage ervan bedroeg 250 exemplaren. De redactie bestond uit Frans-Vlamingen en Vlamingen. Al vanaf het tweede nummer maakten ook Nederlanders er deel van uit. Daardoor waren vertegenwoordigers uit het hele Nederlandse taalgebied vanaf het beginstadium actief in de redactie.
Dit blad van jonge twintigers ontwikkelde zich vooral tot een pleitbezorger voor een hechte culturele samenwerking tussen Noord en Zuid en voor een eigen cultuurpolitiek ten aanzien van het buitenland. Deze doelstellingen waren in de beginperiode nog niet algemeen aanvaard. In Nederland leefde nog altijd de opvatting dat de Nederlandstalige cultuur bij de rijksgrenzen ophield en in Vlaanderen waren de eigen taal en cultuur nog lang niet veilig gesteld.
In de eerste jaargangen hebben de redacteuren zelf veel bijdragen in het blad gepubliceerd. Naarmate Ons Erfdeel groeide, nam die activiteit af; de redactie concentreerde zich op wat zij nog steeds als haar belangrijkste taak beschouwt: ongebonden en met kwaliteit als enige norm zoeken naar
interessante onderwerpen en opdrachten geven aan deskundige en kritische medewerkers uit binnen- en buitenland.
Uit Ons Erfdeel en de doelstellingen die aan dit tijdschrift ten grondslag liggen, ontstond in 1970 de Vlaams-Nederlandse ‘Stichting Ons Erfdeel’. Zij geeft nu naast Ons Erfdeel nog de volgende periodieke publicaties uit: het Franstalige Septentrion. Arts et culture de Flandre et des Pays-Bas; het Engelstalige jaarboek The Low Countries. Arts and Society in Flanders and the Netherlands en het jaarboek De Franse Nederlanden-Les Pays-Bas Français.
Deze periodieken en de reeksen boeken die de ‘Stichting Ons Erfdeel’ uitgeeft over de taal, de geschiedenis en de kunsten in de Lage Landen, in meer dan twintig verschillende talen, zijn mede het resultaat van de weg die Ons Erfdeel in de voorbije decennia heeft afgelegd.
Het volgende vers van de Ierse dichter en Nobelprijswinnaar Seamus Heaney is bij uitstek toepasselijk op de werkwijze van dit tijdschrift:
‘Twee emmers waren gemakkelijker te dragen dan één.’
Ons Erfdeel blijft er de voorkeur aan geven twee emmers te dragen in plaats van één. Wie slechts één emmer draagt, helt immers altijd over naar één kant. Dit betekent dat de redactie van dit blad de samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland nog steeds van groot belang vindt voor de toekomst van onze taal en cultuur. Uit een enquête die in dit nummer verschijnt, blijkt dat er in veertig jaar in deze samenwerking de nodige vooruitgang is geboekt, maar ook dat deze in een aantal opzichten nog tekortschiet.
Dit tijdschrift streeft ernaar zo evenwichtig mogelijk informatie te verschaffen over Noord en Zuid, maar het schuwt de confrontatie niet. Dat maakt de publicatie van Ons Erfdeel onverminderd tot een boeiend avontuur.
Jozef Deleu
Hoofdredacteur